Biografie Prof. Dr. R. Lubbers

Prof. Dr. Rob Lubbers is, gepensioneerd hoogleraar, psychotherapeut ,vader en grootvader. Eigenlijk wilde hij Zijn plan was om medicijnen te gaan studeren, maar medicijnenstudenten waren er in overvloed. “Ik heb toen psychologie gekozen, omdat ik toch graag mensen wilde helpen”, zegt hij hierover en dat blijkt. Zelfs op 76-jarige leeftijd helpt hij nog regelmatig hulpzoekenden in zijn praktijk te Bilthoven.
Op 12 maart 1927 kwam Lubbers, als jongste telg van de in totaal vierkoppige familie Lubbers, ter wereld in Amsterdam. Na een paar maanden vertrok hij samen met zijn ouders en zijn twee jaar oudere broer richting naar Utrecht. Hier volgde hij de lagere school, waar hij van zijn ouders zeven jaar over mocht doen. De lagere school periode verliep rustig, maar dat was ten tijde van de tweede schoolperiode in zijn leven totaal anders. “De middelbare schoolperiode was een ellendige periode. We hadden namelijk een zeer enthousiaste koningsgezinde directeur die door de Duitsers was afgezet en werd vervangen door een SS’er. Wat ik me uit die periode het best kan herinneren, is de wijze waarop je een SS’er kunt pesten”, verklaart Lubbers. Een uitgelezen mogelijkheid hiervoor was Koninginnedag. “Die dag kon je natuurlijk niet vieren, maar wat je wel kon doen was je beste pak aantrekken. Daar kon natuurlijk niemand wat van zeggen. En als de SS’er in zijn zwarte pak voor de klas stond, werd Heil Hitler regelmatig uitgeschreeuwd. Als hij dat dan zei was het in de klas een gemompel en geruis van jewelste, maar je moest natuurlijk niet betrapt worden. Mede daardoor was de HBS-B schoolperiode een spannende periode, maar ik kan niet zeggen dat ik er heel veel geleerd heb.”

De vakken die Lubbers, toentertijd aanspraken waren vooral exact: wiskunde, natuurkunde en scheikunde.

Het afnemen van de examens zou plaatsvinden in 1945, maar door de oorlogssituatie hadden de leerlingen eigenlijk te weinig geleerd. Alle scholieren krégen zodoende hun diploma. Een pleister op de vaak niet te helen wonden van de oorlog, want ook voor Lubbers en zijn familie waren de omstandigheden erg moeilijkslecht. “Mijn vader was spoorwegambtenaar en die is terechtgekomen in de spoorwegstaking. Dat zorgde ervoor dat we eigenlijk jarenlang een soort van ondergedoken leven leidden”, verduidelijkt hij. Daar kwam bij dat vader en moeder Lubbers aanhangers waren van de Bellamy-gedachte. Edward Bellamy[1] [pa1] (1850-1898) schreef in 1888 de bestseller ‘Looking Backward: 2000-1887’. Hierin beschreef hij een utopische wereld zonder geld. Miljoenen mensen raakten in de ban van zijn ideeën en richtten verenigingen op om het gedachtegoed te verspreiden. In Nederland werd de eerste vereniging in de jaren ’30 van de vorige eeuw opgericht. De ouders van Lubbers werden hierdoor ook gegrepen. Naast Bellamy speelde het, vergelijkbare, utopisch socialisme een grote rol binnen de familie. “Toen de oorlog eenmaal kwam, werden alle grote ideeën en gedachten door de mensen afgeschud. Voor een man als mijn vader, met een hele grote liefde, maar ook een heel groot ideaal, was die oorlog daarom eigenlijk niet te verwerken. Mijn broer en ik waren getekend door het ideaal van mijn ouders. In die omstandigheden ben ik opgegroeid, maar echte zwaarte en groot verdriet kende mijn jeugd niet”.

Universiteit
Na de Middelbare School was het voor Lubbers tijd om een vervolgstudie te kiezen. Zijn oog viel, zoals gezegd, op psychologie. Deze opleiding begon hij echter pas nadat hij een jaar gewerkt had ‘om wat geld te verdienen voor de studie’. Via de directeur, die na de oorlog weer was aangenomen op de middelbare school, kreeg de toen achttienjarige een baantje: hij mocht ging premies berekenen bij een levensverzekeringsmaatschappij.

Een jaar later werd begon hij zijn studie aan de Universiteit Utrecht aangedaan. “Het was een openbaring voor me. Ik viel eigenlijk in een oase van informatie [pa2] en het idealisme van mijn jeugd kwam terug. We besteedden, onder leiding van Buijtendijk[2], aandacht aan onder andere Romana Guardiani[3], en Ludwig Binswanger[4]. Ik snapte er toen weliswaar geen bal van, maar ik was zwaar onder de indruk”, vertrouwt Lubbers toe. Naast Buijtendijk kreeg hij te maken metles van te maken metonder andere Martinus Jan Langeveld voor pedagogiek, (…)Van Lennep voor klinische psychologie en Rümke (….). Deze hoogleraren, die volgens de fenomenologische methode werkten, waren mede verantwoordelijk voor wat “Dde Utrechtse Sschool” is gaan heten.

Lubbers koos voor de richting algemene psychologie en dat kwam mede doordat hij Buijtendijk, die het onderwees, geweldig vond. “Buijtendijk was voor mij dé grote hoogleraar. Hij sprak over de fenomenologisch georiënteerde psychologie en dat vond ik zeer interessant.” Toch studeerde hij af bij Langeveld. Dit ging als volgt: ”Mijn vader kwam te overlijden en toen moest er geld verdiend worden”. “Langeveld vroeg me als assistent buiten bezwaar en dat heb ik toen gedaan. Ik moest namelijk zo snel mogelijk mijn doctoraal halen en dat kon dan het gemakkelijkst bij Langeveld”.

Bij Langeveld werkte Lubbers in ‘de kinderrichting’ en zo kwam het dat hij verder studeerde op het gebied van de kinderpsychologie, het tegenwoordige ontwikkelingspsychologie. Nog tijdens zijn studie werkte hij mee aan een massajeugonderzoek in opdracht van de regering. “Het ontstaan en de beïnvloeding van de mentaliteit der zogenaamde massajeugd”, moest onderzocht worden. Samen met een zestal andere onderzoeksinstituten nam Langeveld de opdracht aan. Lubbers was zijn persoonlijk assistent. Zodoende kreeg ook hij er mee te maken. In 1953 behaalde Lubbers zijn diploma door af te studeren bij professor Langeveld.

Werk  
Ten tijde van het massajeugdonderzoek in opdracht van de regering, kwam er een verzoek in de richting vanaan Langeveld om de jeugd in Schiedam onder de loep te nemen. “Ik werd indertijd aangewezen om dat onderzoek te doen en ik deed dat samen met Van Essen, een socioloog”, vertelt Lubbers. Na zijn afstuderen in 1953 ging hij verder met deze taak en in deze periode ontmoette hij de vrouw die later zijn echtgenote zou worden: Els van der Sommen. “Els was ook als medewerker bij het onderzoek betrokken. Ze had maatschappelijk werk gedaan en was bezig met de opleiding maatschappelijk werkster.” In 1956 trouwden Rob Lubbers en Els vVan der Sommen, ze kregen samen vijf kinderen. Dit was ook het jaar dat hij in dienst trad bij de Rotterdamse Kinderbe-schermingsinstelling. “Voor ik afgestudeerd was, waren er al vragen uit Rotterdam of ik daar wou komen werken. Zo’n anderhalf jaar voor het afstuderen had ik daar mijn eerste contacten mee. Als ik afgestudeerd was kon ik daar een baan krijgen, maar ik vond het leven als zelfstandige zo leuk”. Toch ging hij drie jaar na het afronden van de universiteit overstag en beleefde een erg leuke tijd in Rotterdam. De werkzaamheden bestonden voornamelijk uit het onderzoeken van kinderen en het verrichten van psychotherapie. Veel ‘vechten voor het recht van kinderen’, zoals hij het zelf noemt. Een instelling waar hij kinderen behandelde of onderzocht was onder andere het Burgerweeshuis te Rotterdam. Lubbers had het er naar zijn zin: “We hadden eigenlijk een soort vriendenkring. Het verstaan onderling was erg goed en dat maakte mijn werk ook zo makkelijk. Als ik ergens mee zat, dan wist ik de kinderrechter wel te vinden en andersom. Wat ik ook plezierig vond, was dat kinderen zó hongerig waren, dat bijna elke therapie wel aansloeg. Zo hadden we het als groep erg leuk, terwijl de tijd toen verschrikkelijk hard was. Nederland werd bevolkt door mensen met zeer ongunstige financiële situaties. Kinderen konden vaak niet thuis blijven wonen omdat er geen geld was. Daarnaast hadden we te maken met ‘ontzetting’: kinderen die tegen alle wensen van hun ouders in, bij hen weggehaald werden. Wij hadden het dus in die tijd wel goed met elkaar, maar de kinderen hadden het vaak verschrikkelijk slecht””, blikt Lubbers terug.

In 1960 verscheen zijn eerste werk op literair gebied. Het ging om ‘Het beeld als communicatiemiddel in de pedotherapie’. Na deze uitgave had hij de smaak van het schrijven te pakken, want er volgden nog vele boeken en andere geschriften (zie bibliografie). Veel van zijn andere werk heeft ook de oorsprong gehad in Rotterdam. Het idee voor het boek ‘De Laatste Dingen’ is bijvoorbeeld tijdens zijn werk in de havenstad ontstaan. Het viel Lubbers indertijd op dat kinderen erg goed op de hoogte waren van seksualiteit, maar van de dood wisten ze bijna niets. “Ik geloof dat de titel van Els (echtgenote) is en ‘Dde Llaatste Ddingen’ moet je eigenlijk niet als ‘laatst’ zien, maar als het Engelse ‘ultimate’. De laatste dingen dat gaat over waar je uiteindelijk op terechtkomt als je steeds verder en verder zoekt naar de basis”, verduidelijkt hij.

Hoogleraar
Na zijn promotie in 1966, met het proefschrift ‘Voortgang en Nieuw Begin in de Opvoeding’, trok Lubbers in 1967 naar Gent om aldaar, als vervanger van hoogleraar De Coster, te doceren aan de universiteit. Hij werd uitgenodigd naar aanleiding van zijn proefschrift dat inmiddels in boekvorm was verschenen. “Ik onderwees klinische ontwikkelingspsychologie van nul tot het einde van het leven. Het werk werd aangekondigd als kroondocentschap en zou later worden omgezet in hoogleraarschap”.

Zijn eigen boek diende, aangevuld met dictaten, als uitgangpunt voor zijn colleges. In België is later een tweede, blauwe, druk verschenen. Het was een ontzettend leuke tijd volgens Lubbers: “De Belgische studenten waren heel leergierig. Ze vraten de spullen uit mijn handen”. Verder ging het er allemaal nogal autoritair aan toe. Ik had een medewerker die zei: ‘Ge kunt mij op de kop schijten en dan nog kan ik niets terug doen!’ Daarnaast hadden we natuurlijk onze bierfeesten en dan werden er vele biertjes naar binnengeslikt. Ik heb er ongelofelijk veel plezier gehad, maar het was ook heel vermoeiend omdat ik ook nog naar Nederland moest”. Het docentschap in Gent was weliswaar een parttime baan, maar de werkzaamheden in Rotterdam deed hij er nog eens naast.  Tevens zette hij in deze periode zijn praktijk in het service-instituut specialisten op[pa3] , wat heden ten dage nog bestaat onder de naam PAR, thans FORA.

Hoewel de kersverse docent zeer genoot van zijn werk in Gent, bleef hij er niet lang. “Langeveld zat zonder opvolging en hij kwam toen bij mij met de vraag of ik het niet op me wilde nemen. Ik heb toen ja gezegd. Eigenlijk ook omdat ik de pedagogiek niet wilde laten barsten. Er was echter nog een andere, heel plausibele reden: ik kon namelijk lekker in Nederland blijven wonen”, verduidelijkt hij. Dit betekende dus dat Lubbers opnieuw ging doceren, alleen nu aan de Universiteit van Utrecht, waar hij zelf ook zijn opleiding genoten had. Dit betekende ook dat hij zich opnieuw moest inlezen, wat hij een jaar eerder in België al gedaan had. De hoogleraar werkte ook nog eens aan zijn boek ‘De Laatste Dingen’ en dit alles werd hem even te veel: “Ik raakte overwerkt en kreeg suikerziekte. Dat sloeg behoorlijk toe. Er was een periode dat ik mijn eigen omgeving niet meer herkende; als ik dan buiten liep, moest ik snel naar huis toelopen, anders zou ik verdwalen in mijn eigen tuin. Dat werd veroorzaakt door die suikerziekte. Daarbij kwam nog dat ik eigenlijk verwacht had ‘hoi hoi’ te zeggen toen ik in 1973 in Utrecht terug kwam, maar het was eigenlijk een beetje het tegenovergestelde. Ik heb toen in die periode lekker gelezen en geschreven en zo ben ik er weer bovenop gekomen”.

Ondanks zijn herstel werd het toch een moeilijke tijd voor Lubbers in Utrecht: “Het was totaal anders dan in België. Daar kon ik dus bij wijze van spreken nog iemand ‘op de kop schijten’, maar dat hoefde ik in Nederland niet te doen. De studenten hadden het eigenlijk voor het zeggen”. Dat was echter niet het enige waar hij moeite mee had. Hij hield vast aan de fenomenologische gedachte, maar deze raakte ondergesneeuwd door de opkomst van de empirische methodologie. Het karakter van de fenomenologie werd in die tijd stevig onderuit geschoffeld: “Dat was pure ellende voor mij. Het werkte ook door op het gebied van onderzoek. We kregen geen betaald onderzoek of het moest op de empirische methodologie gestoeld zijn. De pedagogiek was eigenlijk al gestorven, want het vooropschuiven van het individu ging niet samen met het heil van de groep, de Marxistische gedachte. Als alternatief had ik toen de hermeneutiek. Hier wees Langeveld me op toen ik net in België zat. Hij zei dat ik er maar eens naar moest kijken, want het was in opkomst en misschien nog wel belangrijk Mijn collega’s hadden echter hun eigen methode van werken geleerd en omschakelen op de hermeneutiek, bleek te moeilijk. In dat opzicht, was mijn binnenkomst in Utrecht niet bepaald vreugdevol”, vertelt Lubbers.

 

Pensioen 
Tijdens een enorme reorganisatie in 1988 kwam de faculteit pedagogiek met het verzoek tot aan Lubbers om zijn functie beschikbaar te stellen. Hij aanvaarde het ‘verzoek’ en ging, op 61-jarige leeftijd, met vervroegd pensioen. Spijt heeft hij echter nooit gehad van de Utrechtse periode: “Allereerst denk ik dat het wel nodig was dat er een mannetje als ik op de universiteit rondliep. Ik vertegenwoordigde een bepaalde richting. Het werken met de studenten heb ik altijd enig gevonden, maar ik liep toch altijd weer vast op een gebrek aan collega’s; het was vaak eenmanswerk. Ik heb er zeker geen spijt van dat ik het gedaan heb. Hoewel, als ik in België was blijven zitten, was het leven wel wat simpeler geweest…..”

Na zijn activiteiten als hoogleraar verscheen nog veel literatuur van de hand van de gepensioneerde, want stoppen met werken was voor hem niet aan de orde. Hij richtte in het jaar 1994 het nu nog steeds bestaande MJ Langeveld Centrum op (www.langeveldcentrum.nl/site).Ten eerste om de hermeneutische methodologie, een belangrijk onderdeel van het gedachtegoed van MJ Langeveld, bruikbaar te maken voor de hedendaagse cultuur, wetenschap en samenleving.* Hier is Lubbers tot op vandaag de dag erg druk mee. Ook het behandelen van hulpzoekenden vergt tijd en àls hij dan vrije tijd heeft, zijn er altijd nog zijn twaalf kleinkinderen die hun opa graag zien.

Gerard Weststeijn
Doetinchem, 2011

 

 

 

 

[1] Edward Bellamy
[2] Buijtendijk, Frederik Jacobus Johannes (1887 – 1974) (bekend onder de naam Buytendijk ), wijsgerig antropoloog. Doceerde o.a. algemene en theoretische psychologiek aan de Rijksuniversiteit te Utrecht vanaf 1946
[3] Romano Guardini (1885 – 1968) was een katholieke theoloog en filosoof.
[4] Otto Ludwig Binswanger (1852-1929) Duitse neuroloog-psychiater.