Hermeneutiek

 

 

INLEIDING

Hermeneutiek (v. Gr. hermčneuoo = uitleggen, verklaren, vertalen, naar: Hermes, de Griekse godheid, bode en uitlegger van de wil van de goden), de leer van het uitleggen en verklaren.

 

 

1. ALGEMEEN

 Oorspronkelijk was hermeneutiek geen aanduiding van een filosofische stroming maar van een methode om teksten, bijvoorbeeld de bijbel, te interpreteren. Later ging men de filosofische vraag stellen hoe men het beste toegang kon krijgen tot een tekst, tot andere culturele fenomenen of tot de geschiedenis. Hermeneutisch filosofen stellen dat de lezer zich, tegelijk met de tekst, de context ervan eigen moet maken. Zo moet de lezer zich bijvoorbeeld met de auteur trachten te verstaan. De lezer zou in dit proces de tekst en de auteur uiteindelijk beter kunnen begrijpen dan de auteur zelf zou hebben gekund.

Sommige filosofen menen dat een hermeneutische houding een essentieel kenmerk is van de menselijke existentie. De mens wordt dan gezien als wezen dat interpreterend omgaat met mensen, dingen, gebeurtenissen en met zichzelf.

 

 

2. GESCHIEDENIS

 Reeds de klassieke oudheid kende het probleem hoe gezagvolle tekst goed uit te leggen (bijv. hoe het adellijke heldendicht van Homerus te vertalen naar de situatie van ‘burgerlijke’ Atheense democraten). Een vergelijkbaar probleem bestond ook in de christelijke oudheid; wat was de status van een allegorische uitleg van bijbelpassages tegenover de letterlijke betekenis van de tekst?

Tijdens de Reformatie zou de kwestie van de ‘ware’ tekstuitleg van de Schrift cruciaal worden. De reformatoren introduceerden, in felle kritiek op de Rooms-Katholieke Kerk, vertalingen van het Oude en Nieuwe Testament in de landstalen. Het protestantisme trachtte zich te ontdoen van de theologische traditie van de scholastiek, m.n. van de buitensporige allegorische Schriftuitleg, en zicht te krijgen op de ware betekenis van de bijbel. Hiertoe werd een – min of meer in regels gevatte – eigen uitlegkunde ontworpen. Vanaf dat moment (1654) kon hermeneutiek als technische term verschijnen.

Tot en met de 17de eeuw betekende zij de uitlegkunde van ‘sacrale’ tekst. Maar al voor 1700 en nog sterker erna, in de Verlichting[cultuurgeschiedenis] 1, maakten kritische filologen duidelijk dat, in strijd met het bijbelse zelfbeeld, het Oude Testament noch de evangeliën intern als eenheid kunnen worden opgevat. Op grond van stijlanalyse kon Mozes bijvoorbeeld onmogelijk de auteur van de hele Pentateuch zijn. De bijbel devalueerde hiermee tot ‘gewone’ literatuur en daarmee veranderde ook de hermeneutiek.

Eerst verbreedde zij zich – dat is de bijdrage van de romantiek– tot interpretatiekunst van literaire en juridische tekst; vervolgens werd zij interpretatie van het kunstwerk in het algemeen (inclusief acteer- en regie-interpretatie van toneelstukken). Ruim honderd jaar later, aan het begin van de 20ste eeuw, zou de hermeneutiek verder worden uitgediept en in plaats van een methode-naar-de-tekstbetekenis-toe veeleer een karakteristiek worden van de kennende mens zelf. De mens is nog voor hij zich daar expliciet bewust van wordt, reeds bezig met het interpreteren van gebeurtenissen, mensen en gedragingen. Kortom, de mens is een hermeneutisch wezen. Deze ‘verantropologisering’ van de hermeneutiek is het werk geweest van de existentiefilosofie.

 

 

3. BELANGRIJKE NAMEN

 

 

 

3.1 Schleiermacher

 Van de romantische denkers heeft tussen 1800 en 1830 Friedrich Schleiermacher de belangrijkste bijdrage geleverd tot de eerstgenoemde hermeneutiekvernieuwing. Voor goed verstaan en interpreteren van een tekst, zo stelde hij, dient de lezer vooreerst affiniteit te krijgen met de tijd en het wereldbeeld van de schrijver; hij moet psychologisch inlevingsvermogen verwerven (verstehen). De lezer moet zich vervolgens via de tekst met de auteur verstaan ‘als was hij met hem in gesprek’. Zodoende kan hij al lezend, de desbetreffende tekst terugplaatsend binnen het gehele oeuvre van de auteur, die zelfs ‘beter verstaan dan deze zichzelf’. Mensen kunnen elkaar, ook over de muur van de tijd heen, uiteindelijk slechts begrijpen, omdat zij participeren aan een universele ‘geest’. Romantische hermeneutiek werpt zich zodoende op als adequate methode om de tijd-breuk tussen onderzoeker/lezer en object/tekst te overbruggen.

 

 

3.2 Dilthey

 In de late 19de en de vroege 20ste eeuw zou de Duitse filosoof en cultuurhistoricus Dilthey deze romantische aanzetten verder uitwerken. Verstehen wordt voor hem de basismethode voor alle cultuur- en sociale wetenschappen. Literaire tekst en artistieke productie beschouwt hij niet als materiële weergave van een voorafgaande, voorbije ervaring, maar als ‘Erlebnis’, dwz. een oorspronkelijke ervaring, een expressie of taalhandeling met specifiek cognitieve lading (het oude analysepaar ‘vorm–inhoud’ maakt nu plaats voor het begrippenpaar ‘GehaltGestalt’). Dilthey beschouwt bovendien geschiedenis, de tijd van de mens, niet als een extrinsieke factor – een mens verhoudt zich niet tot de geschiedenis zoals een schip zich tot het water van de rivier –, maar als iets intrinsieks – de mens is zelf door en door historisch en dus veranderlijk. Dilthey zou op grond van deze inzichten tot een soort relativisme vervallen.

 

 

3.3 Heidegger

 In het werk van Heidegger kregen de bijdragen van Dilthey (verstehen, beleving, historiciteit) een heel eigen voortzetting. In zijn beroemde Sein und Zeit (1927) smeedde hij hermeneutiek om tot een hermeneutiek van het menselijk bestaan. Zij is niet langer slechts een methodische entree tot een oeuvre of een techniek van tekstuitleg, maar is een kwestie van ontologie geworden. Interpreterend omgaan met mensen, dingen, gebeurtenissen en met zichzelf: dat is wezenlijk voor de menselijke existentie. Tegelijkertijd is existentie – en daarmee ook het ‘verstehen’ – temporeel, gekenmerkt door tijdelijkheid. De drie tijdsaspecten, verleden, heden en toekomst, bepalen haar. De hermeneutische activiteit hier en nu vindt plaats op basis van a priori kennis (Vorverständnis) en is op de toekomst gericht (Entwurf). Heidegger ruimt hiermee plaats in voor een principieel onvermijdbare subjectiviteit. Hermeneutiek vormt een aspect van de zingeving aan het bestaan.

 

 

3.4 Gadamer

 Een leerling van Heidegger, Gadamer, ontwikkelde vanuit een dergelijk subjectivisme een algemene hermeneutische kentheorie voor historische cultuuruitingen. In zijn ogen bestaat er geen ‘eigenlijke’ betekenis van een tekst of oeuvre meer. Er bestaat slechts een permanente geschiedenis van nieuwe interpretaties, die door een werk worden opgeroepen (Wirkungsgeschichte). Toch beschouwt Gadamer zijn visie niet als een vrijbrief voor lukraak interpreteren. De toe-eigening van een object/tekst, enz. door een lezer/subject dient te gebeuren op basis van ‘horizonversmelting’: de apriori's en ‘vooroordelen’ van het kennend subject (kortom, zijn horizon) dienen samen te vloeien met die van het object. De bakermat van de hermeneutische kennis blijft de traditie.

 

 

4. LATERE ONTWIKKELING

 In de jaren zestig is van verschillende kanten op dit hypersubjectivisme kritiek gekomen, bijv. van de kant van het neomarxisme (Habermas' toenmalige positie) en door structuralisten (zie structuralisme). Ook de tekststatistiek, die door de opmars van computerprogrammatuur krachtige, nieuwe stimulansen kreeg, staat haaks op de ‘existentiële’ hermeneutiek. Inschakeling van de computer haalt de empirisch-objectieve kant van tekst naar voren en maakt analyses van idioom en stijl mogelijk, om het even of het om bijbelpassages, oeuvrefragmenten, muziekpartituren of half beschadigde manuscripten gaat. Toch lijkt de rol van de hermeneutiek niet geheel uitgespeeld. Het heeft er de schijn van dat sommige postmoderne filosofen met hun deconstructie van tekst werken aan een poging tot heropleving.