Ons hart dreigt een vreemde macht te worden’

Yuval Harari

Door biotech en kunstmatige intelligentie dreigt opsplitsing en manipulatie van de menselijke soort, waarschuwt historicus Yuval Harari. Mensen moeten zichzelf beter doorgronden, zegt hij. Door psychische weerbaarheid – én door meditatie.

Ooit was Yuval Noah Harari gewoon hoogleraar middeleeuwse geschiedenis. Maar nu lopen mensen als Bill Gates, Barack Obama en Mark Zuckerberg weg met zijn werk. Het wereldwijde succes van zijn boeken Sapiens en Homo Deus geeft de tengere geleerde ineens gemakkelijk toegang tot wereldleiders en CEO’s. En één ding is de hoogleraar van de Hebrew University (Jeruzalem) opgevallen in die nieuwe wereld, zo vertelde hij vorige week tijdens een gesprek op de bovenste verdieping van een Amsterdams hotel: „Ook mensen in die hoge regionen begrijpen niet echt veel van de wereld. Wereldleiders kennen geen geheimen over het leven die gewone mensen niet kennen. Hooguit weten ze iets over het Israëlische atoomprogramma dat ik niet weet.”

En gemakkelijker zullen onze leiders de waarheid ook niet leren, aldus Harari. „In feite zijn ze slechter af dan wij om de wereld te begrijpen, omdat ze meestal geen tijd hebben om na te denken. En het is voor hen erg moeilijk te vertrouwen op wat mensen hen vertellen. Iedereen wil iets van ze. Alsof ze midden in een zwart gat zitten dat alles om hen heen vervormt. Macht verplettert de waarheid, dát heb ik daar gezien.”

Harari is in Nederland voor twee besloten bijeenkomsten met topmanagers. Hij spreekt sinds het succes van zijn boeken wereldwijd wel vaker voor grote zalen met invloedrijke mensen. „Ik maak ongeveer 200 vluchten per jaar”, zegt hij enigszins gelaten. Harari oogt rustig, draagt een casual broek en sportschoenen. Vriendelijk en beleefd biedt hij iets te drinken aan.

Het hoort er allemaal bij, sinds hij doorbrak met boeken over verleden en toekomst van de mensheid. Daarin beschrijft hij krachtig de evolutie en geschiedenis van de mens. In Sapiens (2014) ging het over hoe de mensheid culturen, beschavingen, naties en bedrijven opbouwde door het uitzonderlijke vermogen om in gezamenlijke ideeën en concepten te geloven, of ze nou waar zijn of niet.

En in Homo Deus (2016) schetst Harari hoe de recente vooruitgang in kunstmatige intelligentie en biotechnologie het menselijk leven totaal zal veranderen, in de komende 200 jaar. Verlies van autonomie door perfecte surveillance en beïnvloeding door algoritmen, én splitsing van de mensheid in een genetisch verbeterde elite en een onbelangrijke, economisch overbodig geworden massa – dat zijn Harari’s belangrijkste waarschuwingen. Ons nu 200 jaar oude humanistische wereldbeeld van vrijheid en gelijkheid zal er waarschijnlijk bij ten onder gaan, zo beredeneert hij. In augustus verschijnt een nieuw boek: ‘21 lessen voor de 21ste eeuw’. „Dat gaat dus over het heden”, zegt Harari met een knipoog.

U spreekt toch vooral over de toekomst van de mensheid. Hoe relevant is dan uw achtergrond als mediëvist nog?

„Ik denk dat de Middeleeuwen iedere dag relevanter worden. De moderne tijd loopt ten einde, er komt iets nieuws aan. We zullen niet het feodalisme terugkrijgen, maar de Middeleeuwen tonen wel hoe het is om niet modern te zijn. Neem de politiek. Het moderne politieke ideaal is de wereld in natiestaten te verdelen, scherp afgebakend maar intern helemaal homogeen: zelfde taal, zelfde geld, alles. In de Middeleeuwen was dat totaal anders. Grenzen tussen koninkrijken stelden weinig voor en juist binnen zo’n koninkrijk waren veel onderverdelingen, zelfs op het niveau van een enkele stad. Voor alle groepen golden aparte wetten: monniken, boeren, edellieden, joden. Het moderne ideaal van gelijkheid voor de wet klinkt idioot in middeleeuwse oren.

„Naar die situatie gaan we weer terug: grenzen worden minder belangrijk, de interne verdelingen worden groter. Kijk naar leden van de wereld-elite. Als ze in Amsterdam leven hebben ze meer gemeen met hun peers in Shanghai. Die mensen zijn nauwer met elkaar verbonden dan met iemand die een kilometer verderop woont. Het hele idee van een nationale gemeenschap valt uit elkaar.”

Wij dachten juist dat we een opleving van het nationalisme meemaakten.

„Oké, maar dat nationalisme is zwak als je het vergelijkt met een eeuw geleden, toen Europeanen elkaar met miljoenen tegelijk uitmoordden uit nationale naijver. Kijk nu naar de Brexit, het Schotse referendum, Catalonië: wat ontzettend vreedzaam! Ja, in de Brexitcampagne is één persoon vermoord door een extremist. Maar als je een paar honderd jaar geleden Schotland los wilde maken van Groot-Brittannië kostte je dat een enorme oorlog en brandende steden. Nu ga je gewoon stemmen. Er is Schots nationalisme, maar niemand lijkt bereid er voor te doden of gedood te worden. Dat is een bewijs van humanistische beschaving, maar niet van nationalisme. Ik denk dat er meer mensen bereid zijn om gedood te worden voor Manchester United dan voor de onafhankelijkheid van Schotland of Vlaanderen.”

Maar met Trump lijkt het Amerikaanse nationalisme toch groter dan ooit?

„Ik weet niet wat hij volgende week gaat doen, maar als het gaat om Amerikaans nationalisme en imperialisme zijn z’n ideeën niets vergeleken met twee eeuwen geleden. Hij zal bijvoorbeeld nooit, zoals in 1846 gebeurde, Mexico binnenvallen. Trump past wel in een wereldtrend waarin het politieke systeem geen visie meer op de toekomst heeft en daarom maar betekenis haalt uit nostalgische fantasieën over het verleden. Je ziet het ook bij Poetin, India met het hindoe-nationalisme, Turkije, IS en natuurlijk Israël.”

Is de wereldwijde wapenwedloop in AI en biotech, waarvoor u waarschuwt in Homo Deus, ooit te stoppen?

„Technologieën kunnen zowel zorgen voor centralisatie als decentralisatie van macht en middelen. De totalitaire regimes van de sovjets en de nazi’s profiteerden enorm van de nieuwe technologieën van de treinen, de radio, die werkten zeer centraliserend. Dat geldt ook voor artificial intelligence : hoe meer data, hoe meer macht. Maar toch wonnen de afgelopen eeuw liberale democratieën, omdat zij efficiënter waren met hun meer decentrale besluitvormingsprocessen, die veel meer innovatie mogelijk maakten. Een centraliserende technologie wint niet altijd.

„En je kunt natuurlijk gewoon regels maken. Ik geloof niet in technologisch determinisme, dat technologie alles bepaalt. We hebben bijvoorbeeld de technologie om een internationale markt in donororganen te creëren, met body-farms in arme landen, een enorme winstmogelijkheid. Toch bestaat dat niet, omdat het verboden is. En zelfs bij machtige wapens, zoals killerrobots, is strenge regulering mogelijk.”

Is meer regulering één van uw lessen voor de 21ste eeuw?

„Ja, in zekere zin. Dat boek gaat over heel veel verschillende onderwerpen hoor.”

Wat is dan uw simpelste oplossing voor een groot probleem?

„De simpelste!? Tja, die noem ik niet eens in mijn boek. Terrorisme is het makkelijkst op te lossen: door er veel minder aandacht aan te besteden. Terroristen kapen onze fantasie en dat vergroot het gevaar op absurde wijze uit. Terroristen doden een paar mensen en miljoenen mensen zijn bang hun leven te verliezen. Gewoon negeren. Daar heb je geen wereldregering voor nodig.”

En wat is uw advies voor afwending van de grootste gevaren uit Homo Deus: autonomieverlies en opsplitsing van de mensheid door AI en biotechnologie?

„Sommige van die dingen moet je niet afwachten. Zoals de ongelijkheid. Als de ongelijkheid in onze samenleving blijft groeien en als biotechnologie steeds meer manipulatie van ons lichaam en brein mogelijk gaat maken, dan kan dat inderdaad gaan leiden tot splitsing van onze soort. Economische ongelijkheid wordt dan biologische ongelijkheid.

„Waar we ook niet mee moet afwachten is onderwijs. Kinderen die nu naar school gaan zullen hopelijk nog leven aan het begin van de 22ste eeuw. Wat moet je hen nu leren voor die totaal andere wereld?”

Meer sociologie, of juist meer biologie en programmeren?

„Nee, nee. Het belangrijkste is geestelijk evenwicht en emotionele intelligentie. Hiermee kunnen de kinderen zichzelf later telkens opnieuw uitvinden in een heel veranderlijke wereld. Dadelijk moet je zelfs gaan kiezen wat voor lichaam je wilt en wat voor brein.”

Maar hoe onderwijs je dat?

„Dat is de grote vraag. Hoe leer je mensen veerkracht aan, zelfs in de omgang met hun eigen identiteit? Niemand weet het. Je kunt de kinderen vrijheid geven om alles zelf te ontdekken, maar ze hebben ook leiding nodig, een gids. In de Middeleeuwen bestond het flexibele meester-leerlingsysteem. In feite leerden jonge mensen aan de hand van hun meestertimmerman het hele leven kennen. Daar kunnen we nu niet naar terug, want wie kan nu nog zo’n meester zijn? Ik zie het als inspiratie. Toen was er nog niet de diepe kloof tussen school waarin alles opgedeeld is in stukjes, en het echte leven. Een moderne leraar gidst je niet door het leven, hij leert je alleen geschiedenis.”

Nou, laat de algoritmes dat dan doen.

„Dat zou best kunnen, een artificiële intelligentie die altijd bij je is: een persoonlijke digitale mentor die je enorm goed leert kennen en je begeleidt in een meester-leerling-verhouding. En helemaal op jou toegesneden, zonder nog eens 40 kinderen waar-ie aandacht voor moet hebben. Maar er zijn ook gevaren. Het zou gehackt kunnen worden door de Russen, terwijl het al je zwakheden en krachten kent. Dat geeft een macht die geen enkel onderwijssysteem ooit had. Het kent al je trucs. En het zou je helemaal kunnen misvormen. Het kan ook een instrument van een totalitair systeem worden.”

Waar is dan nog het onverwachte, het individuele? Wordt dit het einde van het humanisme met het individu centraal?

„Het humanisme moet sowieso veranderen. Dat is nu nog gebaseerd op de aanname dat er authenticiteit is van gevoelens. Die bestaat niet meer. Kijk naar al die verkiezingen die door Cambridge Analytica gemanipuleerd zijn. Verkiezingen gaan over gevoel, maar dat kan allemaal gemanipuleerd worden op een schaal die vroeger ondenkbaar was. Dat luisteren naar je gevoelens was leuk in de negentiende eeuw. Nu zeggen dat je naar je hart moet luisteren is echt een verkeerd advies. Want je hart kan nu best gekaapt zijn door Vladimir Poetin, die via allerlei algoritmes heel goed weet hoe hij bij jou op de angst- en haatknop moet drukken. Wanneer je dan naar je hart luistert, luister je in feite naar een vreemde macht.”

Vroeger was er toch ook propaganda?

„Ja, maar Hitler moest één radiospeech afvuren op vijftig miljoen Duitsers tegelijk. Daarom had hij ook een geheime politie nodig. Als je de boodschap individueel kunt afleveren, hoeft dat niet meer. Dan wordt je hart de geheime politie!”

Waarop kun je dan nog vertrouwen?

„We zullen veel meer moeite moeten doen om ons bewustzijn te begrijpen. Het oudste advies dat er bestaat: ken uzelve! Mensen zijn vooral zo makkelijk te manipuleren omdat ze zichzelf niet goed kennen. Ze vertrouwen op alles wat in hun geest omhoog plopt. Als we ons bewustzijn beter begrijpen wordt dat moeilijker. Als je je bewust bent van je haat en je angsten is het makkelijker om afstand te nemen van fake-news dat daarop wil inspelen.”

De meeste mensen verbinden juist hun gevoel van identiteit aan die gevoelens.

„Ja, dat is het probleem. Bij links en bij rechts. Linkse mensen kun je ook van alles wijsmaken over achterlijke religieuze mensen in Louisiana. Ze zijn zich niet bewust van hun eigen vooroordelen.”

Dus iedereen moet gaan denken als een wetenschapper?

„Ja, dat zou al helpen. Meditatie is ook een oplossing. Ikzelf investeer heel veel tijd in meditatie. Twee uur per dag, om mijn eigen geest en gevoelens te leren kennen. Het werkt. Maar het is erg moeilijk. Ik ga ook ieder jaar één of twee maanden naar een meditatie-retraite, zonder telefoon of computer. En niet praten. Ik praat de rest van het jaar zó veel! Ik heb die rust en helderheid nodig. Het moeilijkste is: je gaat dan heel veel dingen zien die je niet bevallen. Als je je ware zelf ziet is dat echt geen Disney-film!”

Yuval Noah Harari (1976) werd geboren in Haifa en is opgeleid als middeleeuws historicus in Jeruzalem en Oxford. Hij houdt zich nu bezig met wereldgeschiedenis. Hij is veganist en mediteert in de Vipassana-traditie. In 2002 trouwde hij met Itzik Yahav, die nu ook zijn persoonlijk manager is. Harari noemde zijn echtgenoot in The Guardian my Internet-of-all-Things ’.

Wijsheid is het ware geluk

Frédéric Lenoir 
Filosoof, godsdiensthistoricus

Stoïcijnen en boeddhisten wijzen dezelfde weg naar innerlijke rust en diep geluk. Ze leren hoe we ons van verlangen kunnen bevrijden.

De vele overeenkomsten tussen het boeddhisme en het stoïcisme hebben me altijd getroffen. Daarom wil ik het hebben over de wegen naar wijsheid die zowel in het Oosten als in het Westen voorkomen – verlangen ombuigen, flexibel meegaan met de loop van het leven, en de vrolijke bevrijding van het ik – om een antwoord te vinden op het huidige pessimisme. Hoe kunnen we het diepe geluk bereiken dat de wijsheid ons belooft?

Om met de stoïcijnen te beginnen: het belangrijkste uitgangspunt van hun leer is dat de wereld één is en kan worden beschouwd als een groot levend organisme dat aan dezelfde natuurwetten onderworpen is en dezelfde samenhang vertoont.

Het tweede uitgangspunt is dat de wereld rationeel is: de wereld wordt geschraagd door de goddelijke logos (rede), en ieder menselijk wezen maakt met zijn persoonlijke logos deel uit van de universele logos.

Het derde uitgangspunt is dat de onwrikbare, noodwendige, universele wet van de causaliteit (oorzaak en gevolg) het lot van ieder individu bepaalt.

En tot slot het vierde uitgangspunt, de stelling dat de wereld goed is: alles wat gebeurt, is in het belang van alle mensen, ook al zijn we ons daar niet van bewust en ervaren we het kwaad als evident. Volgens deze wereldopvatting zit het geluk van de mens in  aanvaarding van wat is, in instemmen met de kosmische orde.

Epictetus heeft samen met Seneca en Marcus Aurelius gezorgd voor de grote verbreiding van de stoïcijnse wijsbegeerte. Hij leefde in Rome in de eerste eeuw na Christus en was een voorbeeld van de volmaakte wijsgeer. Tijdens zijn leven werd hij vereerd door een schare van leerlingen. Hij was een slaaf die filosoof was geworden, liep mank, ging sober gekleed en woonde in een nederige hut. Hij predikte onthechting onder mannen en vrouwen van alle rangen en standen. Op 40-jarige leeftijd werd hij uit Italië verdreven op bevel van keizer Domitianus, die filosofen vijandig gezind was; hij vluchtte naar Nicopolis en stichtte er een school. Evenals Socrates, Jezus en de Boeddha besloot hij zelf niets op te schrijven.

Maar zijn leerling Arianus vatte zijn onderricht samen in de Diatriben (Colleges) en later in verkorte vorm in een klein Enchiridion (Handboekje). Het bevat de kwintessens van de stoïcijnse filosofie: beheers jezelf, verdraag tegenslag, maar maak onderscheid tussen de dingen die je zelf kunt beïnvloeden en veranderen, en de rest waartegen je machteloos bent.

Epictetus verduidelijkt zijn filosofie aan de hand van twee treffende voorbeelden. Het eerste is dat van een kar waaraan een hond is vastgebonden. Ook al stribbelt het dier nog zo tegen, de kar wordt getrokken door een sterk paard en als de hond niet meeloopt, moet hij het bezuren. Maar als hij de situatie accepteert en meegeeft met de beweging en het tempo van de kar komt hij fit en zonder pijn behouden aan.

Zo gaat het ook met de mens: zijn wil moet opgaan in de noodzakelijkheid van het lot. Het is niet aan ons om de zaken te kiezen waar we geen invloed op hebben, maar wel om de realiteit te aanvaarden zoals die is en te veranderen wat we kunnen: meningen, verlangens en aversies.

Epictetus’ tweede voorbeeld is dat van de acteur: die kiest noch zijn rol – bedelaar of edelman, ziek of gezond mens – noch de lengte van het stuk, maar hij is wel volstrekt vrij in de keuze van zijn interpretatie; hij kan goed of slecht spelen, voluit als de rol hem ligt of terughoudend en met tegenzin als dat niet zo is. ‘Verwacht niet dat alles gebeurt zoals jij het wilt, maar besluit te willen wat je overkomt en je zult gelukkig zijn,’ aldus de filosoof. Aan de hand van nog vele andere voorbeelden laat hij zien hoe we ons moeten gedragen bij tegenslag van buitenaf: ‘Denk eraan dat je bij alles wat gebeurt eerst bij jezelf te rade gaat, welke mogelijkheden je hebt om ze het hoofd te bieden. Zie je een mooie jongen of een mooi meisje? Zoek de beheersing in jezelf. Heb je pijn? Zoek je uithoudingsvermogen. Word je uitgescholden? Zoek geduld. Als je je daarin oefent, ben je niet langer speelbal van je voorstellingen.’

Genot uitbannen
De stoïcijnse filosofie gelooft dat verlangen inwerkt op de ziel en die aan zich onderwerpt: het is een ‘passie’ van de ziel. De stoïcijnen vervangen verlangen door de wil, die aangestuurd door de logos onze blinde verlangens omzet in gewilde en doordachte stappen. Het uitsluitend op genot gerichte, instinctieve verlangen wordt uitgebannen ten gunste van de heldere, rationele wil die tot geluk leidt, want in deze opvatting brengt de wil slechts goede daden voort en schakelt verlangens die de gemoedsrust verstoren uit. Het stoïcisme is dus een voluntaristische filosofie die een perfecte zelfbeheersing vereist. Overigens gaat het de stoïcijnen er niet om verlangens uit te schakelen, maar om ze om te buigen tot een wil die onderworpen is aan de rede.

De stoïcijnse wijsbegeerte wil daarmee twee doelen bereiken: gemoedsrust (ataraxia) en innerlijke vrijheid (autarkeia). Ataraxia betekent dat onze wil samenvalt met de kosmische orde: ik ben vrij als ik datgene wil wat uit noodzaak gebeurt. Dan klaag ik niet meer, dan vecht ik niet meer, dan voel ik geen wrok meer, maar verheug ik me over alles en behoud ik in alle omstandigheden mijn innerlijke rust.

‘Leven in het nu’ is een van de belangrijkste voorschriften van de stoïcijnse praktijk, die leert om niet in het verleden te vluchten, niet uit te wijken naar de toekomst, om elke angst en elke hoop te verdrijven, om ons te concentreren op het moment, waarin alles te verdragen en te veranderen is, en ons niet te laten meesleuren door verdriet, angst, woede en verlangen.

Een andere belangrijke oefening is de anticipatie op vervelende gebeurtenissen, de praemediatio malorum van Cicero, die inhoudt dat we ons mogelijke onaangename gebeurtenissen voorstellen, om ze in gedachten alvast te ‘relativeren’ en zo goed mogelijk voorbereid te zijn, mochten ze zich werkelijk voordoen.

De stoïcijnen bepleiten een dagelijks gewetensonderzoek, om van dag tot dag de vorderingen bij te houden, en ook meditatie. Die laatste is voornamelijk bedoeld om de leer te ‘overdenken’ en uit het hoofd te leren, om niet plotseling verrast te worden als de dingen tegenzitten. Daarom verlegde het latere stoïcisme het centrum van de aandacht van de theoretische grondslagen van de school naar de praktische richtlijnen voor het leven, die de leerlingen eindeloos voor zichzelf repeteerden. Van de kerkvaders tot Schopenhauer, via Montaigne, Descartes en Spinoza, hebben de stoïcijnse aforismen invloed gehad op de christelijke leer en op de westerse filosofische traditie.

Het leven is dhukka
In India ontstond enkele eeuwen voor de opkomst van het stoïcisme een andere wijsheid met bijna dezelfde gedachtegang: het boeddhisme. De grondlegger was Siddhartha Gautama Boeddha. Hij leefde in de zesde eeuw voor onze jaartelling en groeide op in een beschermde omgeving. Hij trouwde en kreeg een kind. Toen hij tegen de dertig liep, veranderde zijn leven drastisch door vier ontmoetingen: een oude man, een zieke, een dode en een asceet kruisten zijn pad. Hij besefte ineens dat leed het gemeenschappelijke lot van de mensheid was en dat niemand, rijk of arm, eraan kon ontkomen. Hij verliet het paleis van zijn vader, liet zijn gezin in de steek en ging op zoek naar een geestelijke weg waardoor hij aan dit noodlottige lijden kon ontsnappen.

Nadat hij vijf jaar door de bossen had gezworven en zich gewijd had aan extreme ascetische praktijken, ging hij onder een boom zitten en verzonk in diepe meditatie. Volgens de boeddhistische overlevering bereikte hij toen de staat van Ontwaakte, met een volledig begrip van de aard der dingen en een staat van innerlijke bevrijding. Zo kwam hij tot de Vier Nobele Wijsheden.

Volgens Boeddha is het leven dhukka. Dhukka komt van ‘dorst’, in de zin van ‘dorsten naar’, ‘gehecht zijn aan’. Er bestaat een manier om deze dorst te lessen: via het Edele Achtvoudige Pad, ook wel de Weg van de Acht Zuivere Elementen genoemd. Zijn inzicht luidt dat er niet-tevredenheid bestaat: geboorte is lijden, ouderdom is lijden, de dood is lijden, verenigd zijn met iets waarvan je niet houdt is lijden, gescheiden zijn van iets waarvan je houdt is lijden, niet weten wat je wilt is lijden. Anders gezegd: het lijden is overal aanwezig. Wanneer we het principe van niet-tevredenheid erkennen, aanvaarden we dat we de wereld niet kunnen aanpassen aan onze verlangens.

Volgens Boeddha ketenen verlangen, dorst, hebzucht en gehechtheid de mens vast aan samsara, de ononderbroken kringloop van geboorte en wedergeboorte. Maar genezing is mogelijk: om deze dorst volledig te lessen, heeft de mens de mogelijkheid om af te zien van de tirannie van het verlangen.

Het Achtvoudige Pad leidt tot opheffing van het lijden, oftewel naar het nirwana (staat van volmaakt geluk). De acht componenten van het pad zijn het juiste begrip, de juiste gedachte, het juiste woord, de juiste handeling, het juiste middel van bestaan, de juiste inspanning, de juiste aandacht en de juiste concentratie.

Ego loslaten
Om te begrijpen hoe een mens ultieme wijsheid kan bereiken, is het belangrijk inzicht te hebben in het ‘zelf’. Boeddha heeft het ‘zelf’ gedefinieerd als een steeds veranderende samenstelling van vijf componenten die voortdurend in beweging zijn en die hij als volgt benoemt: de component van het lichaam (of van de materie), de componenten van de zintuigen, de waarneming en de voortbrengselen van onze geest (emoties, driften, verlangens) en tot slot de component van het bewustzijn.

Maar de activiteit van ons ego maakt zich meester van deze componenten om ons de illusie van een stabiele identiteit te bezorgen, van een onveranderlijk ik. De praktijk van het boeddhisme probeert ons juist af te brengen van deze illusie, probeert ‘het ego los te laten’, en zo begrip te krijgen voor de ultieme aard van de geest: een lichtende staat van pure kennis die elke vorm van conditionering overstijgt. Samsara is dus geen objectieve voorwaarde van de werkelijkheid: de wereld op zich is geen lijden. Maar omdat wij onwetend zijn, zijn we in samsara – dat wil zeggen, in een onjuist beeld van de werkelijkheid, dat verbonden is met ego en gehechtheid. Kennis van de ware aard van de dingen bevrijdt de geest van dat onjuiste beeld en van negatieve emoties. Als we door de ervaring van het Ontwaken deze ware aard van de geest ontdekken, kunnen we zorgen dat we niet langer door het ego gedreven worden en zo toegang krijgen tot een stabiel permanent geluk, omdat het onverzadigbare verlangen waaruit het lijden voortkomt aan het ego is gebonden. Het boeddhisme gebruikt het Sanskriet-woord sukha om het geluk aan te duiden in de zin die ik hier bedoel: diepe vrede en harmonie in de veranderde geest die geen speelbal meer is van de aangename en onaangename gebeurtenissen in het bestaan. Net als bij de stoïcijnen zou het te simplistisch zijn te beweren dat het boeddhisme gebiedt elk verlangen af te zweren. Het verlangen dat afhankelijkheid veroorzaakt moet teniet gedaan worden, terwijl het nobele verlangen tot verbetering en tot vergroting van mededogen, evenals het streven naar het goede aangemoedigd dienen te worden.

Revolutionaire omwenteling
De overeenkomsten tussen boeddhisten en stoïcijnen zijn legio. Beide filosofieën stellen vast dat lijden voortkomt uit rusteloosheid, uit geestelijke verwarring, en wijzen een weg naar echt geluk, dat gelijkgesteld wordt met een diepe en opgewekte innerlijke vrede, een sereen gevoel en geestelijke rust. Beide bevelen een grondige analyse van emoties en gevoelens aan, en een hele reeks spirituele oefeningen waarmee de mens zijn hartstochten kan leren beteugelen, zijn geest kan scherpen en beheersen om niet langer speelbal te zijn van zijn eigen inbeelding.

Maar de gelijkenis beperkt zich niet tot de menselijke psychologie en de geestelijke ontwikkeling. Beide stromingen delen ook eenzelfde filosofisch wereldbeeld. Beide hebben bijvoorbeeld een cyclische opvatting van de tijd: het universum kent voortdurende cycli van geboorte, dood en wedergeboorte. Beide leggen de nadruk op de beweging en de veranderlijkheid van alle dingen, op de eenheid van mens en wereld, en op de aanwezigheid van een kosmische dimensie in de mens die zijn ware natuur vormt: de boeddhanatuur, de stoïcijnse logos. Ze geloven dat de dingen gebeuren uit noodzaak, volgens een universele wet van oorzaak en gevolg.

Ze zeggen ook dat het mogelijk is vrij te worden door te werken aan de geest en aan een juiste voorstelling van zaken. Misschien is dit laatste wel het belangrijkste verschilpunt tussen stoïcijnen en boeddhisten: de boeddhisten ontkennen de substantie van het ‘zelf’, terwijl de stoïcijnen hechten aan de idee van een blijvend individueel beginsel.

In het Westen heeft men het boeddhisme en het stoïcisme vaak verweten dat ze passiviteit prediken, dat ze zich richten op individuele verandering, en niet genoeg op sociale verandering. Dat is een oppervlakkige voorstelling van zaken en een miskenning van de bepalende historische invloed van deze twee grote filosofische stromingen op het lot van de wereld. Door hun afwijzing van elk onderscheid naar familie of clan, sociale of godsdienstige afkomst, maar met als uitgangspunt dat ieder individu verlichting of ataraxie kan bereiken door aan zichzelf te werken, hebben ze een revolutionaire omwenteling van waarden veroorzaakt. Niet de sociale positie, maar de deugd is voor hen waardevol. Niet de monarch, de aristocraat, en zelfs niet de priester moeten bewonderd en nagevolgd worden, maar de wijze – dat wil zeggen, hij die zichzelf meester is geworden. Beide stromingen hebben laten zien dat het individu meer is dan een radertje binnen een gemeenschap.

Ze benadrukken dat alle mensen gelijkwaardig zijn. Het boeddhisme heeft logischerwijs het kastensysteem afgewezen en is daardoor uit India verbannen. Het stoïcisme heeft de gelijkheid geproclameerd van alle mensen, die immers dragers zijn van dezelfde goddelijke logos, en heeft daarmee afgerekend met de hindernis dat het Griekse gedachtegoed voorbehouden zou zijn aan de aristocratie; zo hebben ze de weg geëffend voor het egalitarisme en het christelijke, en later het moderne universalisme.

Meer dan tweeduizend jaar voor de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens hebben de stoïcijnen het kosmopolitisme uitgevonden: de idee dat alle mensen wereldburgers zijn, maar ook gelijke rechten hebben. Het boeddhisme is in elk geval de oosterse wijsheid die het best in staat is deze boodschap te begrijpen, omdat het eraan verwant is.

Deze sterke verwantschap tussen boeddhisme en stoïcisme, samen met hun moderniteit, verklaart waarom deze twee grote filosofieën ons na bijna 2500 jaar nog steeds aanspreken. Tegelijkertijd kunnen we ze beschouwen als het beste tegengif tegen het zelfingenomen individualisme van onze tijd, want ze roepen de mens op tot vrijheid en autonomie, tot beheersing en onthechting, en zeker niet tot bevrediging van al zijn verlangens. Terwijl wij de vrijheid van verlangen bepleiten, leren zij ons om ons van het verlangen te bevrijden. Een heilzame onderneming, maar er bestaat waarschijnlijk niets wat zo moeilijk uitvoerbaar is. De stoïcijnen waren zich bewust van het bijna bovenmenselijke karakter van de wijsheid die ze nastreefden, en toch hechtten ze eraan van de wijsheid een blijvende norm voor hun handelen te maken.

Dit artikel is gebaseerd op een hoofdstuk uit Over geluk door Frédéric Lenoir.
Het boek is hier te bestellen.

Over geluk. Een filosofische ontdekkingsreis
Frédéric Lenoir
Ten Have
176 blz. / € 19,99

I am text block. Click edit button to change this text. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

weten: als ik weet wat jij weet, wat kan ik daar dan uit afleiden? Twintig jaar later ontdekten economen dezelfde theorie. Al dat werk zou hen bespaard zijn gebleven als de twee groepen onderzoekers met elkaar in gesprek waren gekomen.”

Waarom kunnen die problemen niet worden opgelost door de canon diverser te maken?

“Een nadeel van de huidige canon zou kunnen zijn dat mensen die zich niet herkennen in de filosofen die ze bestuderen – veelal wit en mannelijk – ontmoedigd worden om filosofie te doen. Als de canon dat zou bewerkstelligen zou dat heel nadelig zijn. Maar de reden dat ik daar niet zo op leun, is dat je je kan indenken dat dat opgelost kan worden. Je kunt je een canon voorstellen die perfect divers is en allerlei soorten filosofen bevat.

Toch zou dat nog steeds betekenen dat iedereen dezelfde teksten leest en dezelfde filosofen bestudeert. Dus dan treden de negatieve effecten van homogeniteit die ik net noemde nog steeds op.” Bright heeft dus geen praktische, maar principiële bezwaren tegen het hebben van een canon, zegt hij.

“Waar ik me tegen verzet, is de omvang van de homogenisatie. Het kan best zijn dat je op de Universiteit van Tilburg een bepaalde mini-canon hebt, maar het systeem als geheel moet juist heel divers zijn.”

Dat een bepaalde school of universiteit een accent legt of bepaalde teksten behandelt, hoeft geen probleem te zijn, zegt Bright, als je maar van het idee afraakt dat iederéén dezelfde teksten moet bestuderen.

“Ik heb net het dagboek van Wu Yubi gelezen. Hij was een confuciaanse leermeester in het China ten tijde van de middeleeuwen. Daarin beschrijft hij zijn moeilijkheden om te voldoen aan het confuciaanse ideaal. Het is misschien niet wat je verwacht van een filosofisch werk, maar ik garandeer je dat je dat boek kunt gebruiken om filosofie te doceren.”

Hoe ziet de wereld eruit zonder canon?

“Ja, uiteindelijk krijg je natuurlijk wereldvrede”, grapt Bright. “Zonder kanon, snap je ‘m?”

Dan serieus: “Docenten filosofie zullen, als ze nadenken over hoe een vak of curriculum ingericht moet worden, verwachten dat er op een gegeven moment wel plek ingeruimd moet worden om Plato’s De Republiek te lezen. Ik wil dat mensen de gedachte laten varen dat je De Republiek móet kennen. Het is een heel goed boek, maar ik zou graag zien dat er verschillende keuzes gemaakt worden.

“Ik denk dat mensen zich dan langzaam maar zeker in veel verschillende richtingen ontwikkelen. Dat er grotere verschillen ontstaan tussen bepaalde scholen en universiteiten. En dat zou nou mooi zijn.”