Iedere tijd kent haar keurslijf

psychologie

Het Victoriaanse tijdperk was erg, maar volgens Paul Verhaeghe werden we psychisch nooit zo onderdrukt als nu

Elk tijdsvak kent zijn eigen lijden. Psychische en fysieke klachten die in een bepaalde historische periode veel voorkomen, zijn symptomen van wat er dan mis is met die samenleving. Dat is kort gezegd de manier waarop de bekende Vlaamse psychoanalyticus, maatschappijcriticus en schrijver Paul Verhaeghe onze manier van leven analyseert. Dat deed hij eerst in boeken als ‘Identiteit’ en ‘Autoriteit’, en nu in ‘Intimiteit’.

In het Victoriaanse tijdperk, bijvoorbeeld, met zijn inperkende, strenge seksueel onderdrukkende moraal, zo stelt Verhaeghe, zagen psychoanalytici als Freud en de zijnen vooral seksueel verkrampte patiënten met hysterische klachten. Maar de seksuele revolutie en andere emancipatoire bewegingen maakten ons vrij. Tegenwoordig is er geen verkramping meer. Althans, dat denken we. In realiteit zitten we volgens Verhaeghe juist opgescheept met een zwaarder drukkend en complexer te hanteren keurslijf dan ooit.

Want de knellende banden van religie, huwelijk, of klasse mogen dan verdwenen zijn, we hebben nu de terreur van de schijnbaar bereikbare perfectie. Tegenwoordig, zo denken we, kunnen we worden wat we willen. Als we maar willen. Wie hard genoeg werkt, op kantoor en in de sportschool, wordt zo rijk en mooi als de onbereikbare ideaalbeelden uit de reclame.

En dit is precies waar de schoen knelt. Want als het ideaal nooit geheel bereikbaar is, wanneer is goed dan goed genoeg? Hoeveel moet ik wegen om mooi te zijn? Hoe weet ik of ik de perfecte partner heb of dat er een betere is? In onze op concurrentie draaiende markteconomie zijn we zelf een product geworden. Het aantal likes op Facebook of swipes op Tinder bepaalt onze marktwaarde. En wie faalt, is daar zelf verantwoordelijk voor.

Deze spanning, zegt Verhaeghe, maakt ons ziek. En eenzaam. Want er is volgens Verhaeghe nog een ander mechanisme aan het werk. Nu niet alleen eten, drinken maar bijvoorbeeld ook seks vrij verkrijgbaar is, is het Victoriaanse verbod op genot omgeslagen in het omgekeerde. Gij zult genieten. Maar, vraagt Verhaeghe, zich af, weten we nog wel hoe? Want met alle nadruk die we leggen op de instrumentele rede zijn we vervreemd geraakt van ons eigen lichaam.

In ‘Intimiteit’ neemt Verhaeghe weer stelling tegen onze huidige manier van leven. Wie bekend is met zijn werk komt dan ook niet voor verrassingen te staan. In zijn meest fundamentele boodschap – onze neoliberale zelfzucht en concurrentiestrijd leiden via zelfvervreemding tot ziekte en ongeluk – herhaalt hij zichzelf.

Ook kun je van alles vinden van zijn stelligheid. Verhaeghe schrijft zijn boeken immers vanuit een vooraf ingenomen standpunt. De vrag is of hij cijfers niet te zeer naar zich toe interpreteert. Welke getallen moeten we bijvoorbeeld gebruiken als maat voor ons welzijn? Het feit dat zowel Nederland als België in geluksonderzoeken steevast tot de hoogst scorende landen behoren? Of het aantal gediagnosticeerde depressies dat nog nooit zo groot is geweest? Verhaeghe zegt: de laatste.

Maar of je het eens bent met Verhaeghe of niet, feit is dat hij wederom een rijk, gelaagd en erudiet boek heeft geschreven. Een typische Verhaeghe. En ‘Intimiteit’ zet ons weer aan het denken. Nu we om de oren worden geslagen met boeken over de relatie tussen veilige hechting en het vermogen tot intimiteit is Verhaeghe’s stem een waardevolle aanvulling, veelzijdig en wars van simplificaties. Verhaeghe graaft dieper dan de meeste psychologen die schrijven voor een breed publiek.

Bijvoorbeeld in zijn nadruk op de verhouding tot ons lichaam. We worden geboren als een puur fysiek belevend wezen, stelt hij, bij wie de geest een steeds grotere rol gaat spelen. In navolging van denkers als Lacan noemt hij het risico dat ons verstand een splijtzwam wordt die ons van onszelf vervreemdt.

Daarom is het cruciaal, zegt Verhaeghe, dat we als kind de juiste verhouding tot ons lichaam leren innemen. Een goede ouder biedt niet alleen veiligheid maar helpt ons ook niet bang te zijn voor wat er in ons binnenste leeft. Voor onze driften en emoties. Die ouder helpt ons de signalen die ons lichaam geeft te erkennen en duiden. Zo worden we intiem met onszelf.

Pas als we dat kunnen, zegt Verhaeghe, kunnen we intiem zijn met elkaar.

Paul Verhaeghe

Intimiteit

Je vooroordelen doen jezelf soms versteld staan’

interview Iris sommer

Je moet steeds opnieuw moeite doen om je eigen waarneming te begrijpen, vindt psychiater Iris Sommer. Die is altijd een kwestie van interpretatie.

 

 

Je kunt jezelf ruimdenkend vinden, en progressief. Natuurlijk discrimineer je vrouwen niet, of homo’s, moslims of zwarten. Maar psychiater Iris Sommer heeft inmiddels wel gezien dat de mens die écht onbevangen is niet bestaat. Ze schreef er onlangs een boek over: ‘De zeven zintuigen. Over waarnemen en onwaarnemen’. “De hersenen voegen altijd iets toe aan je waarnemingen. Meestal een supersnelle, onbewuste associatie. Test je die associaties, dan sta je nog versteld van je eigen vooroordelen. Mijn liefste vrienden zijn homoseksueel, maar het kost me meer tijd homo’s met positieve woorden in verband te brengen dan hetero’s.”

In het ‘Hersencafé’ op de afdeling psychiatrie van het Universitair Medisch Centrum Utrecht klapt hoogleraar Sommer haar Apple open en vindt meteen een psychologische test van Harvard: implicit.harvard.edu. “Doe hem zelf maar eens”, spoort ze aan. De (voor iedereen toegankelijke) test die ze mij voorlegt gaat over de snelheid waarmee je bijvoorbeeld Arabische voornamen en Hollandse, Franse of Chinese voornamen in verband brengt met positieve woorden als ‘geluk’ of ‘blijdschap’ of met negatieve woorden als ‘somberheid’ of ‘boosheid’. Zoals Sommer al verwachtte, ontstaat ook bij mij verwarring tijdens de test: hoewel die eenvoudig is, kost het mij extra nadenktijd om het gunstige woord te koppelen aan een islamitische naam. Heb ik, onbewust, vooroordelen jegens moslims?

Ik schaam me! Wat zit er in mij dat zo bevooroordeeld is?

“Ook jouw hersenen maken onbewust een voorselectie van samenhangen die zo’n proces van associatie in werking zetten. Je kunt er weinig aan doen dat dit gebeurt. De thalamus filtert je waarnemingen, en de hippocampus maakt een afspiegeling van wat we denken dat er om ons heen gebeurt en vergelijkt die waarnemingen met wat we eerder opgevangen hebben. Waarneming is dus een combinatie van input vanuit de zintuigen, en een groot deel interpretatie, samenvatting en selectie vanuit de hersenen. De waarneming is subjectief, gekleurd en slordig. En soms behoorlijk bezijden de waarheid, voor zover je die al echt kunt vaststellen.”

Het begint allemaal met de zintuigen. Wat nemen wij wel en niet waar?

“De thalamus, een grote kern in het midden van de hersenen, filtert alle zintuigen, behalve de reuk. We mogen blij zijn met die filter, want je zou gek worden als je alles zou zien, horen, voelen of proeven. Alles wat niet nieuw, niet van betekenis en niet bedreigend is, nemen we niet bewust waar. In dit café kunnen wij met elkaar praten en ontgaat ons wat er aan de tafel hiernaast gezegd wordt. Dat kan jammer zijn, want misschien vertellen ze daar nog wel een veel mooier verhaal.

Het oog bijvoorbeeld, ziet dat dan niet alles wat er om ons heen gebeurt?

“Nee. Het oog is geen camera die plaatjes maakt. Onze ogen zien zelfs niks. Pas in de hersenen wordt betekenis gegeven aan de elektrische signalen die de lichtgevoelige cellen van het netvlies doorsturen. Zien doe je dus met de hersenen. Wat je ziet, is wat je geleerd hebt om te zien. Het is gebaseerd op kennis en ervaringen die je al een keer eerder hebt opgedaan. Wat je ziet blijft als het ware alleen hangen als er een haakje voor is. Zo had ik bijvoorbeeld vroeger geen haakje voor bomen. Ik zag ze als gewoon wat onbestemd gebladerte. Maar na mijn veertigste leerde ik van een vriend tijdens onze wandelingen bomen te herkennen. Hij heeft mij letterlijk de ogen geopend voor bomen. Nu zie ik ineens overal verschillende soorten. Een verrijking”

Maar dat onze waarneming sterk gefilterd wordt, wil toch nog niet zeggen dat we ook bevooroordeeld zijn?

“Aan de binnenkant van de slaapkwab in de hersenen ligt de hippocampus , ofwel het zeepaardje. Deze structuur maakt dat wij iets hebben dat andere dieren waarschijnlijk niet hebben: bewustzijn. De hippocampus maakt een afspiegeling van wat we denken dat er om ons heen gebeurt en probeert dat te vergelijken met wat we eerder zoal opgevangen hebben. We zijn altijd op zoek naar herkenbare patronen, naar verklaringen, naar oorzaak-gevolgrelaties. Zien we een poster van de SP, dan associëren we dat met staking, actie ” en Brabanders. Wanneer één element uit zo’n netwerk geactiveerd wordt, zien we vanzelf het hele netwerk. Die andere dingen, die meegeactiveerd worden, noemen we associaties.”

Maar die associaties deugen niet altijd?

“Vaak niet. De wereld is namelijk onvoorspelbaar en onbegrijpelijk, dus elke theorie gaat onherroepelijk mank. Maar je kunt wel wat doen om je eerste associaties bij te stellen. Het levenswerk van de Amerikaanse psycholoog Daniel Kahneman dat hem de Nobelprijs (overigens voor economie) heeft opgeleverd, biedt een goed inzicht in ons denken. Hij stelde dat wij denken op twee snelheden. Het eerste denksysteem (ook systeem 1 genoemd) is er eentje dat geen actieve aandacht kost, onbewust gaat en razendsnel werkt. Je ziet onder het werk iemand een appel eten en denkt even aan wat jij nog op je boodschappenlijstje moet zetten. Die gedachten schieten overal tussendoor. Iedere gefilterde waarneming zet jouw unieke bijpassende netwerk van associaties in werking. Denk maar aan dat voorbeeld van de SP. Dit denken gebeurt volgens mij niet in woorden, maar eerder in concepten of beelden. In een fractie van een seconde heb je een mening klaar of een plan van actie. Als je alleen denkt met systeem 1, dan gebruik je vooral je intuïtie. Of je onderbuikgevoel. Niet je goede verstand.

Dat ‘goede verstand’ helpt ons tegen dit onderbuikgevoel?

“Dat is wel mijn pleidooi. Kahneman noemt dat ‘denken met aandacht’, ofwel systeem 2. Dat denken gaat wel in woorden, en kost veel moeite. We kunnen dat niet de hele dag door. We moeten er onze volledige denkcapaciteit voor gebruiken: het slimme, rationele, logische denken. Dat gebeurt onder andere in de voorhoofdskwab, die juist bij de mens zo goed ontwikkeld is. Kijk, dat we vooroordelen hebben zit bij ons ingebakken omdat systeem 1 altijd en ongevraagd zijn werk doet. Je zag hoe jij zelf ongewild meer tijd nodig had om Arabische namen met positieve woorden in verband te brengen. Etnisch profileren doen we allemaal. Maar dat hoeft je nog niet tot een populist te maken. Het gaat erom of je er ook op vaart, of je de moeite doet om te denken met aandacht en logisch nadenkt over die associaties.

Kan een slim iemand makkelijker logisch nadenken over die onbewuste associaties dan iemand met minder intelligentie?

“Iedereen kan erop trainen. Het is net als naar de sportschool gaan. Ik vind het ook niet leuk om iedere avond buikspieroefeningen te doen, maar ik zet me er wel toe. En als je heel veel op iets traint, gaat dat op een gegeven moment makkelijker en uiteindelijk kan het zelfs onbewust en associatief gaan. Denk maar aan autorijden; waar de coördinatie met de koppeling en het gaspedaal eerst moeite kostte, doe je dat later zonder erbij na te denken. En een schaakgrootmeester overziet de spelsituaties zo snel, dat hij moeiteloos tegen 25 anderen schaakt die op hun beurt wel allemaal heel actief logisch aan het denken zijn. Zo’n schaakgrootmeester heeft dan ook al minstens tienduizend trainingsuren gemaakt. En wie voor het eerst in China komt, denkt misschien dat alle Chinezen op elkaar lijken. Maar als je er langer bent, en Chinezen eenmaal hebt leren onderscheiden met behulp van een hersengebiedje onder in de slaapkwab, gaat het vervolgens veel gemakkelijker.”

Zijn die associaties niet ook erg afhankelijk van je sociale omgeving?

“Jazeker. Opvoeding, cultuur en religie zijn enorm bepalend voor je intuïtie, of het onderbuikgevoel. Toen ik in India was, bemerkte ik bijvoorbeeld hoe anders ze daar omgaan met mensen die het in onze ogen slecht getroffen hebben. Een blinde bedelaar zal in de ogen van iedere Nederlander opvallen: dat komen we niet vaak tegen. Zo’n bedelaar wordt in onze waarneming niet weggefilterd, en we spiegelen die waarneming in onze hersenen aan onze culturele en religieuze opvattingen over hulpbehoevendheid of mededogen. Maar in India gaan ze ervan uit dat de blinde bedelaar, of anders zijn voorouders, dat lot zelf verdienden. Als hij in een vorig leven beter geleefd had, had hij nu niet hier gezeten. Dat maakt het heel anders kijken en denken.”

Wat doet religie met de waarneming?

“Religie kan helpen bij het invullen van een van de basisbehoeften van mensen: de behoefte aan veiligheid. We willen het leven beheersbaar en voorspelbaar houden. Overkomt ons iets noodlottigs, dan geeft het troost om te denken dat het nu eenmaal ‘de wil van God’ was. We hebben ook een sterke behoefte aan rechtvaardigheid. Als we bidden, offers brengen of ons goed gedragen, dan zullen we daarvoor beloond worden. We hopen zo onze onzekere toekomst te kunnen beïnvloeden. Maar dit is natuurlijk bijgeloof, en dat leidt soms tot onredelijkheid. Uit naam van religies zijn verschrikkelijke dingen gebeurd als heksenverbrandingen of het vermoorden van albino-kinderen omdat zij het boze oog zouden hebben.”

Zulke excessen hebben misschien te maken met bijgeloof, maar toch ook met angst?

“Zeker. Als we angstige gevoelens hebben voor anderen, of boos op hen zijn, gaat onze waarneming extra snel. Juist dan vindt sterke selectie en aanvulling plaats vanuit de hersenen en is kans op missers het grootst. In die situaties moet je er altijd vanuit gaan dat jouw kijk op de wereld slechts een van de vele mogelijkheden is.”

Hoe zou je wel in het leven moeten staan?

“Onbevangen in het leven staan kan niet. En dat hoeft ook niet erg te zijn, zolang je je daar maar van bewust bent. Wat op mij in India veel indruk maakte, is de leer van de sikhs en van hun eerste goeroe Nanak. Hij stelde zich op als leerling om zijn wereld te verruimen. Hij accepteerde het bestaan van vele verschillende geloven en tolereerde geen oordeel of onderdrukking op basis van godsdienst, kaste, huidskleur of geslacht. Denk overigens niet dat ik nu oosterse wijsheid wil aanprijzen. Het gaat mij als hersenwetenschapper vooral om die lerende houding: door je wereld uit te breiden, wordt je waarneming ruimer. Je ziet en hoort wat je weet. Weet je meer, dan zie en hoor je ook meer. Er gaat dan een wereld voor je open.” ”

Iris Sommer (1970) is neurowetenschapper aan het Universitair Medisch Centrum Groningen. Ze promoveerde in 2004 cum laude in Utrecht op het verband tussen ‘stemmen horen’ en hersenactiviteit bij schizofrenie. In 2009 werd ze hoogleraar aan Universitair Medisch Centrum Utrecht, waar ze nog steeds promovendi begeleidt. Ze schreef de bestseller ‘Haperende hersenen’, en verving Bert Keizer als columnist in Trouw.

Sommer ontwikkelt een nieuwe behandeling om mensen met cognitieve gebreken te ondersteunen tijdens hun herstel van medische, psychiatrische of neurologische aandoeningen.

Iris Sommer

De zeven zintuigen. Over waarnemen en onwaarnemen

{\rtf1\ansi\ansicpg1252 {\fonttbl\f0\fnil\fcharset0 HelveticaNeue;} {\colortbl;\red255\green255\blue255;\red0\green0\blue0;} \deftab720 \pard\pardeftab720\partightenfactor0 \f0\fs26 \cf0 \expnd0\expndtw0\kerning0 \outl0\strokewidth0 \strokec2 }
VOLTOOID LEVEN – Wat kan er mis zijn met het idee dat je zelf bepaalt wanneer je wilt sterven? Een heleboel, meent filosoof en ethicus Paul van Tongeren.

Dood willen. Kan dat eigenlijk? Het idee dat je dood moet mógen willen, is zeker aan een opmars bezig. Wie zijn leven voltooid acht, moet – onder voorwaarden – uit dat leven kunnen stappen, zeggen de voorstanders in het voltooid-levendebat. Maar hoe kun je willen niet meer te willen, vraagt filosoof Paul van Tongeren. De dood heft elk willen op.

Met ‘Willen sterven’ mengt de emeritus hoogleraar zich op nogal schokkende wijze in het debat. Want de vraag wat dood-willen betekent, kan respectloos overkomen, erkent Van Tongeren. “Alleen al het stellen van de vraag lijkt een belediging voor degene die deze wens of wil kenbaar maakt”, schrijft hij. “Iemand die dood wil, wil immers gewoon dát: dood.”

Even voor alle duidelijkheid, vertelt hij, hij heeft het in zijn boek vooral over de kwestie voltooid leven. “Bij euthanasie gaat het in de eerste plaats om barmhartigheid: vermijden dat mensen ondraaglijk lijden. Bij voltooid leven gaat het erom dat mensen het recht zouden hebben over hun eigen dood te beschikken. En dus over hun eigen levenseinde.”

Hoogst problematisch

Hebben ze dat recht op zelfbeschikking dan niet? “Natuurlijk kan ik me voorstellen dat het zover komt dat je over je eigen dood wilt beslissen, dat je bijvoorbeeld het moment wilt kiezen”, geeft Paul van Tongeren toe. “Maar willen sterven blijft hoogst problematisch. Het is van een andere orde dan alles wat we verder willen of wensen.”

Dat filosofische bezwaar blijkt al uit één van de motto’s die aan Van Tongerens boek voorafgaan, van Ludwig Wittgenstein: ‘Je eigen vernietiging kún je helemaal niet willen.’ Dat is wat Van Tongeren ook betoogt. Je kunt wel zeggen dat je dood wilt, maar kun je ook echt willen niet meer te wíllen?

Dat lijkt nogal een academische kwestie, zoals Bert Keizer Van Tongeren al eens voorgehouden heeft. “Wat schieten we op met zo’n taalkundige exercitie?” repliceerde de arts-filosoof in een tweegesprek in Filosofie Magazine. Als iemand zegt ‘ik wil gewoon dood’, dan is het volgens Keizer “niet zo relevant dat jij die persoon gaat uitleggen waarom zijn wil helemaal niet zo gewoon is.”

Toch moet die vraag, wat het betekent dood te wíllen, gesteld worden, benadrukt Van Tongeren. Niet alleen omdat er achter het zelfgekozen einde vaak iets anders schuil gaat, bijvoorbeeld de angst niets meer waard te zijn als je dement en afhankelijk bent. Zulke onzekerheid kun je bestrijden door beter voor mensen te zorgen. Het gaat Van Tongeren om iets anders. “Dat de dood niet zomaar gewild kan worden, heeft te maken met een probleem dat aan de wil vastzit. De wil is in zichzelf verdeeld, zoals Augustinus zegt, en dat conflict wordt sterker als de keuze existentiëler wordt. Omdat de keuze voor de dood de meest existentiële is die er bestaat, merk je dat de wil hier sterk met zichzelf in conflict komt.”

“Dat wilsconflict zie je ook optreden bij mensen die hebben besloten zelf hun einde te bepalen. Ze weten vaak niet precies wanneer ze eraan toe zijn de dood in gang te zetten. Is dít nou het moment of niet? Overigens zit in die wil om te sterven ook vaak een proteststem, wat wordt bevestigd door Bert Keizer. De doodswil lijkt vaak een opflakkering van de behoefte zelf de baas te willen blijven, juist omdát de levenswil afneemt.”

De regie hebben

“Dan kun je natuurlijk zeggen: nou én? Als mensen het gevoel hebben met zo’n pil de regie terug te krijgen, waarom zou je ze dat gevoel dan misgunnen? Maar als de doodswens gecompliceerd is, heeft dat wel degelijk gevolgen voor de vraag wat de samenleving daarmee aanmoet. Het betekent in elk geval dat je die doodswens niet zomaar moet inwilligen.”

Wat kun je dan wel doen? Helpen, zegt van Tongeren. Hoe dan? Door te leren zelf als hulpverlener hulpeloosheid te voelen. “Want dat is wat je bij een sterfbed voelt. Je kunt aandacht geven, je kunt op bezoek gaan, maar je kunt die nood niet wegnemen. De bereidheid er te zijn, terwijl je niets kunt doen, dat wordt in onze tijd verschrikkelijk moeilijk gevonden. We willen wel helpen, maar dan moet het wel effect hebben. We willen problemen oplossen. Maar de dood is een probleem dat je niet kunt oplossen. Daarom is het te kort door de bocht te zeggen dat mensen met een doodswens gewoon meer aandacht nodig hebben of betere verzorging. Hoe waar dat ook is, dat lost het probleem niet op.”

Blijft de vraag waarom dit onderwerp de emeritus-hoogleraar zo interesseert. “Dat heb ik mezelf natuurlijk ook afgevraagd”, bekent Van Tongeren. “Het gaat me allereerst om de analyse van de wil, maar dat staat tegen de achtergrond van iets dat zich aan de ratio onttrekt, iets dat je cultuurstichtend zou kunnen noemen: het taboe van de grens tussen leven en dood. Daar stap je niet zomaar overheen.”

“Het rare aan een taboe is alleen dat je het niet echt kunt verdedigen. Het heerst, dat wil zeggen: ik kan niet precies uitleggen waarom ik het erg vind dat de grens tussen leven en dood vervaagt, maar ik vínd het erg – en ik ben niet de enige. Waarom gebruiken zoveel mensen anders nog steeds het woord zelfmoord en niet zelfdoding – zelfs mensen die zelfbeschikking verdedigen? Dat lijkt me een symptoom van het heersende taboe dat daar iets gebeurt, wat eigenlijk niet kan: het bewust overschrijden van een grens waar we binnen horen te blijven.”

Zo’n pil geeft rust

“Na een lezing kwam iemand naar me toe en zei: ‘Ik ben het helemaal met u eens, maar ik ben toch blij dat ik de middelen in huis heb.’ Dat herken ik. Ik kan me heel goed voorstellen dat zo’n pil rust geeft. En tegelijk klopt er iets niet. We doen alsof we iets in de hand hebben dat we níet in de hand hebben. Niet omdat iemand anders over ons beslist, maar omdat de eigen dood geen wilsbesluit kan zijn. Het is niet één van de keuzes die je in je leven kunt maken. De dood is van een radicaal andere orde.”

“Natuurlijk zijn er ook mensen die dat taboe op de dood niet ervaren. Dat mág, ik vind het niet de taak van de ethicus iemand iets te verbieden. Dat doe ik ook niet. Maar als filosoof stel ik vast dat mensen soms iets doen wat eigenlijk niet kan, hoe arrogant dat ook klinkt. Zoals je dingen kunt zeggen die niet kloppen, zo kun je ook dingen doen die niet kloppen. Het zou vreemd zijn mensen wettelijk het recht te geven daarbij hulp te ontvangen.”

Paul van Tongeren: Willen sterven. Over de autonomie en het voltooide leven. Uitgeverij Kok, 126 blz. € 11,99.

Stephen Fry beschrijft de levens van Griekse goden als de perikelen van een dysfunctionele familie, vindt Abdelkader Benali

Stephen Fry
Mythos. De Griekse mythen herverteld

Pareltje is Amor en Psyche, met echo’s van Monty Python en Shakespeare

T oen mijn vrouw, Saida, en ik in het huwelijksbootje stapten, besloten we de trouwdag op te luisteren met traditionele Marokkaanse muziek. Een bont gezelschap van in geitehuiden geklede artiesten speelde op houten fluiten de hoge, nasale tonen van het Rif-gebergte, waar de wortels van onze voorouders liggen.

Deze van oorsprong herdersmuziek werd in de jaren zeventig door de Rolling Stones bij een van bezoeken aan de havenstad Tanger ontdekt. De opzwepende, hypnotiserende tonen trok ze aan. Bandlid Brian Jones raakte onder de indruk van de trance-achtige muziek en maakte er een plaatopname van die bekend werd als de Master Musicians of Joujouka.

De Amerikaanse schrijver William Burroughs bracht de opvallende verschijning van de artiesten als half-mens en half-geit in verband met de cultusverering van Pan bij de oude Romeinen. Pan was een echte vruchtbaarheidsgod; de opgewekte herder ging vergezeld van een fluit, vermaakte zichzelf en anderen en waar schone dames lonkten, sloeg hij zijn slag.

Ik wil best geloven dat voor de komst van de islam deze oude, heidense riten ook in Noord-Afrika bestonden. Het Romeinse imperium, erfgenaam van de Griekse beschaving, had ook handelsposten in Mauretania (huidig Noord-Afrika). Een van de grote mythenverzamelaars, Apuleius, was een Berber en kwam uit dit gebied. Aan hem hebben we het prachtige verhaal van Amor en Psyche te danken. Uit de Levant (nu Libanon) kwamen de mythische goden mee, zoals Afrodite. De gedachte dat mijn islamitische familie en schoonfamilie hadden gedanst op de heidense muziek van Pan bezorgde me een glimlach.

Een goede ondertitel van Stephen Fry’s ‘Mythos’ zou ‘Familieperikelen’ zijn. Na ons ingeleid te hebben in ontstaansgeschiedenis van het Griekse universum, begint Fry aan een kroniek van een paar honderd pagina’s waarin gezinsuitbreiding op gezinsuitbreiding volgt. En zoals in elke dysfunctionele, grote familie staat iedereen elkaar naar het leven. En liefde komt met een prijs. Die duizelingwekkende verwikkelingen noden tot langzamer lezen, ook omdat elke god of halfgod die zich toegang verschaft tot de Olympus, een oorsprongsverhaal heeft dat verklaart waarom we de landbouw hebben, sommige eilanden vervloekt zijn of Europa naar een Libanese prinses is vernoemd.

Het zijn opvallend vaak de verheven goden die zich niet van hun beste kant laten zien. Daarnaast kan de Griekse god wel almachtig zijn, als het op relaties aankomt laat hij of zij heel veel steekjes vallen. Hooggestemde idealen moeten vechten tegen lage instincten. Vooral Zeus – de oermacho – heeft er een handje van om alle ethiek aan zijn laars te lappen wanneer het gaat om zijn zucht naar onmiddellijke bevrediging. Hij is mister #Metoo.

Fry wil de verhalen vertellen zonder oordeel te vellen. Hij dekt zich aan het begin in door niet te willen pretenderen een academicus te zijn. Dat is valse bescheidenheid. Hij is uitstekend geschikt voor deze taak omdat hij een geboren verhalenverteller is. Meer dan in de Nederlandstalige wereld, zijn de mythen in de Angelsaksische wereld gepopulariseerd door hervertellingen voor een breed publiek. Dat de Grieken bij ons geassocieerd worden met het elitaire gymnasium heeft de verhalen bij ons weggehouden en dat is jammer. Dit boek kan hier goed werk verrichten.

Deze mythes vertellen dat de wereld waarin we leven op vele manieren tot stand is gekomen. Onze werkelijkheid is er een van oneindige verscheidenheid. Daarom is dit boek geen goedkope fantasy, maar blijf je erin doorlezen. Want we leven nu op een bepaalde manier weer in Griekse tijden, waarin we moet leren omgaan met heel veel soorten mensen met verschillende talenten. In die kruisbestuiving ontstaan nieuwe manieren van denken en doen. De mythen laten zien hoe families en volkeren continu in staat van verandering verkeren.

Fry vertelt mooi over Hermafroditus, kind van Hermes en Afrodite, die beide geslachtskenmerken draagt. In een voetnoot onthult Fry dat Britse musea beelden van Hermafroditus tot kort geleden verborgen hielden. Het publieke oog was niet klaar voor de gedachte dat mensen man noch vrouw zijn. De Griekse goden waren vele malen progressiever dan wij zijn.

De oneindige charme van deze mythen is welke originele vondsten de verhalenvertellers uit de hoge hoed wisten te toveren om alles te verklaren; van aardbevingen tot de oorsprong van Tijd, van jaloezie tot het beroep van smid. En hun kracht is dat ze het ontzettend goed lukt om die wereld aan de hand van verhalen diepe inhoud te geven. We weten inmiddels dat het graan niet door Demeter – de godin van de vruchtbaarheid – omhoog wordt geduwd, maar wat blijft is de magie van de vertelling.

Fry vertelt hoe wij mensen door de schrandere Prometheus het vuur kregen – letterlijk de vonk van onze beschaving . Zeus verveelde zich en kwam op het idee om kleiachtige wezens te maken. Het was Prometheus die ze het vuur bracht zodat de mens de goddelijke vonk zelf kon vooroorzaken. Er zit een impliciete geschiedenisles in dit verhaal verstopt, over hoe de domesticatie van het vuur, het ijzersmeden en daarop gebaseerde culturen tot ontwikkeling kwamen. Vooral wanneer Fry uitgebreid de tijd neemt om te vertellen, gebruikmakend van alle moderne verteltechnieken, komen de goden tot hun recht. Pareltje is het verhaal van Cupido en Psyche, waarin echo’s van Shakespeare en Monty Python in doorklinken.

Fry schroomt niet om bruggetjes te maken naar de hedendaagse beschaving. Wat hij niet kwijt kan in het verhaal, wordt met een voetnoot bijgelicht, en die zijn op z’n minst interessant. Zo wist ik niet dat zowel Bosporus, Oxford, Ossendrecht als Coevorden één en hetzelfde woord zijn voor runderoversteekplaats.

Aan het einde van het boek relativeert Fry de Griekse wereld: ook die was verre van perfect. Dat is een overbodige toevoeging, wellicht ingefluisterd door een overijverige redacteur die bang is dat het boek wordt begrepen als bescherming van de superieure, westerse cultuur. Het had van mij niet gehoeven. Wie de verhalen leest, beseft al snel dat er niet zoiets bestaat als een superieure beschaving. Wel was er een beschaving waarin geen perfecte goden bestonden – ze waren net zo zoekende als de mensen zelf. De Griekse Goden waanden zich superieur, maar wanneer hun emoties de overhand kregen, waren ze niet veel beter dan een dysfunctionele familie in een oververhitte soap.

Hun kwetsbaarheid is me heilig.

Griekse mythologie

Stephen fry

De ziel Carolien van Welij

filosoof, neerlandicus

Is de ziel ons diepste gevoel of een rationeel zelf? Grote denkers en schrijvers over de kern van de mens.

 

Homerus (800-750 v.Chr.)

Wat gebeurt er met ons na de dood? Homerus’ begrip ‘psyche’ in de Ilias en de Odyssee is een antwoord op die vraag. Bij de dood scheiden lichaam (soma) en ziel (psyche) zich van elkaar. Psyche betekent ‘adem’ of ‘levensadem’ en kun je ook vertalen met ‘leven’. Bij de dood verlaat de psyche het lichaam als een uitademing. Deze ziel is een schaduwziel: een schaduw van het zelf, een soort dubbelganger van de overledene, die naar het dodenrijk van Hades reist. Voor Homerus hoort de ziel niet bij het leven, maar manifesteert die zich pas na de dood. 

Als Odysseus tijdens zijn reis de onderwereld binnenkomt, ontmoet hij de schaduw van zijn moeder. Hij probeert haar te omarmen, maar dat lukt niet. Zij vertelt hem dat bij de dood de pezen niet meer ‘het vlees en gebeente’ vasthouden: ‘zodra het leven de witte beenderen verlaat’ vliegt de ziel weg ‘als een droom en fladdert in ‘t rond.’

 

 

 

 

ZIEL en God Hoog in de Noorse bergen zoeken naar de ziel
 
Hoog in de Noorse bergen zoeken naar de ziel
 
innerlijk – Met de ontkerkelijking lijkt ook het begrip ‘de ziel’ uit onze cultuur verdwenen. Eeuwig zonde, vindt de Noorse cultuurhistoricus Ole Martin Høystad.
LEONIE BREEBAART
 
Zes jaar lang zat Ole Martin Høystad (1947) in een Noorse berghut te studeren op Aristoteles en Augustinus, Montaigne en Kierkegaard, Dante en Freud – om maar een paar pleisterplaatsen te noemen in zijn uitgebreide, net in het Nederlands vertaalde cultuurgeschiedenis van de ziel. Doel van zijn monnikenwerk: het ongrijpbaarste begrip in de westerse cultuur doorgronden. Wat is de ziel? Hoe kan ze onsterfelijk zijn? En als ze dat niet is, hebben we haar dan nog nodig?
 
Vooral die laatste vraag houdt Høystad bezig. Want hoewel onze taal met woorden als ‘zielsgelukkig’, ‘zielsverwant’ en ‘iemand op de ziel trappen’ nog herinnert aan het belang dat we ooit aan onze ziel hechtten, hoor je weinig mensen meer praten over hun zielenheil. Ook niet in de kerk? Volgens Høystad niet. “Moderne christenen zien de ziel ook als probleem – het is een taboeonderwerp. Ze associëren het onmiddellijk met hel en verdoemenis. De hel heeft de ziel in verlegenheid gebracht.”
 
De vriendelijke Noorse emeritus hoogleraar, die al eerder een succesvolle cultuurgeschiedenis van het hart schreef, is op bezoek bij zijn Nederlandse uitgever en blikt tevreden naar de fraaie Nederlandse uitgave van zijn boek. Hét antwoord op de vraag wat de ziel is, kan hij daarin niet leveren. Zes jaar studie overtuigden hem er wél van dat de Europese mens in het woord ‘ziel’ heeft uitgedrukt wat het betekent om mens te zijn. En dat is niet steeds hetzelfde geweest.
 
Ook naar het boeddhisme en naar de islam maakt Høystad overigens een uitstapje, maar hij concentreert zich op de westerse traditie – met regelmatige verwijzing naar moderne fenomenen als Harry Potter en islamitisch terrorisme. “Ik hoop dat ik het begrijpelijk heb opgeschreven. Want de ziel gaat iedereen aan.”
 
U noemt de Middeleeuwen als onbetwist hoogtepunt in de geschiedenis van de ziel. Dat is ook de tijd dat christenen doodsbang waren in de hel te komen.
 
“Het christendom is over de ziel heel dubbel. Voor je zielenheil moet je tijdens je leven zorgen, maar tegelijkertijd is de ziel onsterfelijk. Dat laatste is voor moderne mensen moeilijk te begrijpen, net zoals we ons de hel en het paradijs lastig kunnen voorstellen. Maar het interessante is, dat de ziel zulke scepsis, die in de Renaissance al opkomt, overleeft. Als het bovennatuurlijke minder belangrijk wordt, wordt werken aan je ziel iets wat je voor dít leven doet.
 
“Je ziet dat duidelijk bij de Franse essayist Montaigne. Hij zet zich af tegen de Middeleeuwen. Hij is een echte scepticus, maar wel een constructieve scepticus: hij wil uitvinden hoe het zit! En bij dat onderzoek gebruikt hij zichzelf als voorbeeld. Zo ontdekt hij al schrijvend dat hij een complex innerlijk heeft, bestaande uit dromen, verlav ngens, gevoelens. De ziel blijkt ongrijpbaar. Maar toch: we wéten dat we een lichaam hebben, we wéten dat we kunnen denken. Maar er zit iets tussenin: onze gevoelens en onze wil. Dat is ons innerlijk. Om dat te kunnen hanteren hebben we een concept nodig en dat is de ziel. Voor Montaigne is de ziel iets dynamisch, dat je lezend en schrijvend kunt ontwikkelen.”
 
Met die humanistische houding maakte Montaigne ook een einde aan het zondebesef waarmee Augustinus de christelijke ziel had opgezadeld. Begeerte maakt de mens tot dier, de ziel moest steeds vechten tegen zulke duivelse machten.
 
“Dat staat ook in de Bijbel natuurlijk. Maar het idee dat het lot van onze ziel op het spel staat, dat heeft Augustinus inderdaad op de kaart gezet. Ik vind dat niet negatief: Augustinus is groots, echt groots. Hij is zo eerlijk over zijn innerlijk leven. Met zijn talent zichzelf te doorgronden, zijn psychologische methode, was hij zijn tijd ver vooruit. Pas in de hoge Middeleeuwen wordt die aandacht voor het innerlijk leven weer opgepakt. Ze leidt niet alleen tot zondebesef, maar ook tot de cultuur van het hart, van de minnezangen, de riddercultuur, de romantische liefde. Het hart wordt de plek waar de ziel zetelt.”
 
En daar begint het gedonder – en de twijfel. Als de ziel bestaat, moet ze ook ergens zetelen of zitten. En dat valt natuurlijk nooit te bewijzen.
 
“Het probleem was eerst vooral wáár de ziel zat. Anders dan de christenen, dacht Leonardo da Vinci dat ze in de hersenen zat – en niet in het hart, dat volgens deze renaissancemens niet kon denken. Dat was een cruciaal verschil. En omdat dit ook het tijdperk was van anatomische experimenten, werd in de hersenen ook naar die ziel gezocht. Nederland stond bekend om zulke snij-exercities. En Descartes, grondlegger van de moderne wijsbegeerte, deed daar aan mee, hij wist er ook veel vanaf. Als de ziel ergens zat, concludeerde hij, dan moest ze zitten in de pijnappelklier, die lichaam en bewustzijn verbindt. Dat was natuurlijk heel ketters. Maar ook fataal voor de ziel, omdat die nu verbonden raakte met het denken.”
 
Waarom fataal?
 
“Als de ziel net zoiets is als denken, dan kun je haar gewoon opheffen. Je hebt het concept niet meer nodig. Geloof in de ziel wordt na de Renaissance, vooral na de aanvallen van Hobbes, Locke en Hume dan ook gereduceerd tot een religieus concept. Ze is een kwestie van geloof – iets voor christenen. Zo zien veel mensen het nog steeds. Laatst vertelde ik de Duitse filosoof Gernot Böhme dat ik bezig was met een boek over de ziel. ‘Oh, dat christelijke idee?’ zei hij meteen. Dat is typerend. Natuurlijk is de ziel een religieus concept, maar niet alléén religieus. Dat wil ik eigenlijk zeggen.”
 
Beschouwt u zichzelf als christelijk?
 
“Meer als cultuurchristen. Noren zijn erg pragmatisch en realistisch – het land is sterk geseculariseerd. We volgen de feesten en rituelen, en natuurlijk heeft het christendom ons wel gevormd, maar eigenlijk is de natuur onze kathedraal. Dat geldt voor mij ook: mijn kerk zijn de bergen. Daar zoek ik de eenzaamheid op, waar ik kan lezen en schrijven.”
 
Net zoals Montaigne zich terugtrok in zijn toren om essays te schrijven. Maar hoe ging dat verder ná Descartes en Montaigne? Keerden de grote filosofen zich nu massaal van de ziel af?
 
“Integendeel, zelfs de grote verlichtingsdenker Immanuel Kant probeerde de ziel te redden, al was dat lastig binnen zijn universalistische denken. Want de ziel is juist iets heel individueels. Pas in de Romantiek krijgt de ziel weer écht de hoofdrol. Bijvoorbeeld in Goethe’s toneelstuk ‘Faust’, waarin de hoofdpersoon zijn ziel verkoopt aan de duivel. Tenslotte redt hij zijn ziel toch weer door zijn liefde voor Gretchen. In de Romantiek ligt de nadruk opnieuw op ons innerlijk leven. Denk ook aan de romans van Jane Austen. Die hebben onze ideeën over liefde en individualisme gevormd. Volg je hart, want daar is ook de ziel.”
 
Dat klinkt erg individualistisch. U beklemtoont in uw boek juist dat we onze ziel alleen kunnen redden als we oog houden voor anderen – in wie je eventueel God kunt herkennen.
 
“Daarom eindig ik met Hannah Arendts beschrijving van Adolf Eichmann, de architect van de Holocaust. Eichmann is hét voorbeeld van een man zonder ziel. Hij dacht wel na, maar liet zich niet raken door het lot van anderen. Het schijnt dat hij bij de veewagons die zijn slachtoffers naar de vernietiging reden op zeker moment een blik van een van hen dreigde op te vangen – en toen snel weg stapte. Had hij dus toch een ziel? Hij had de mogelijkheid ertoe, zoals wij allemaal. Hij koos ervoor die niet te ontwikkelen. Hij was alleen maar oppervlakte.”
 
Aan je ziel of je innerlijk kun je dus werken. Maar wat helpt ons daarbij?
 
“We hebben symbolen nodig om ons aan ons innerlijk te herinneren.
Tegenwoordig zoeken we die vaak bij andere spirituele tradities, oosterse bijvoorbeeld. Maar kunst of de natuur kunnen ook symbolen verschaffen. Ze herinneren ons eraan dat we talige wezens zijn. Het is de vraag wat we daarmee doen. Hoe drukken we ons innerlijk uit?”
 
Dat is ook de vraag van Wittgenstein, een filosoof die de ziel volgens u kan bevrijden uit het traditionele idee dat ze objectief bestaat of aangeboren is.
 
“Wittgenstein ontdekte dat de grenzen van onze werkelijkheid de grenzen zijn van onze taal. Dat was een echte filosofische revolutie. Als we iets nieuws ontdekken, schrijft Wittgenstein, is dat omdat we er een woord voor hebben – of een mathematische formule, want dat is ook een soort taal. Sommige mensen vinden dat je de ziel reducevert, als je haar terugbrengt tot een concept. Maar wat zijn wij mensen als we niet onze woorden zijn? Denk het woord ‘ziel’ weg uit onze cultuur en je denkt de mens weg. We ervaren nu eenmaal iets dat we niet terug kunnen brengen tot verstand of tot psyche. Iets als integriteit en de mogelijkheid daarin gekwetst te worden. Dat iets, dat noemen we de ziel.”
 
Ole Martin Høystad: ‘De ziel. Een cultuurgeschiedenis.’ Vertaald door Wouter de Jong. Uitgeverij Athenaeum, Polak & Van Gennep, Amsterdam; 525 blz. €29,99
Van Dale:
Ziel (meervoud: zielen) 1: het niet-stoffelijk gedeelte vanwaaruit de mens leeft; (religie) onsterfelijk deel van de mens.
 
Ter ziele gaan (a) sterven; (b) ophouden te bestaan.
 
God hebbe zijn ziel; gezegd van een overledene.
 
Met zijn ziel onder zijn arm lopen; doelloos en zich vervelend.
 
Zich met hart en ziel aan iets wijden; met zijn hele wezen.
 
Iemand op zijn ziel trappen; hem krenken, beledigen.
 
2: persoon, mens.
 
Hoe meer zielen hoe meer vreugd; hoe meer gasten hoe prettiger. Zieltjes winnen; bekeerlingen maken.
Gevoelens van weerzin vormen vaak een basis voor politieke en rechterlijke beslissingen. Volgens psycholoog Debra Lieberman is die emotie echter een slechte raadgever. MARCO VISSCHER
Wij mensen hebben het vermogen om weerzin te voelen. Het borrelt omhoog als we worden geconfronteerd met rot fruit, of pus. Ook zijn er allerlei seksuele activiteiten waarvan we gruwen. Op die manier vervult walging een evolutionaire functie: het leert ons om op onze hoede te zijn. Maar het gaat verkeerd wanneer we ‘vies’ verwarren met ‘verkeerd’, zegt psycholoog Debra Lieberman.

Ze voegt daarmee een belangrijk moreel element toe aan het denken over weerzin. In ‘Objection’ betoogt Lieberman dat dit gevoel is doorgedrongen in het recht en de politiek: beleidsmakers gebruiken het om kwetsbare groepen uit te sluiten, aanklagers om verdachten te laten veroordelen, rechters om hun oordeel kracht bij te zetten. Weerzin is nuttig als iets wat onze kansen op overleving en voortplanting bedreigt, aldus Lieberman, maar we mogen ons niet door die primitive emotie laten leiden om handelingen te verbieden en mensen te bestraffen.

U stelt dat weerzin een rol speelt bij het maken van wetten.

‘”Lange tijd waren er wettelijke regels en bepalingen die homoseksualiteit strafbaar stelden. In veel landen is dat nog altijd het geval. Waarom? Alleen doordat weerzin tegen een sekspartner van het eigen geslacht zijn weg heeft gevonden in het strafboek.”

Dus kunnen we onze weerzin ook opzijschuiven; homoseksualiteit is in steeds meer landen geaccepteerd.

“Dat klopt. Vaak helpt het als een benadeelde groep groter en zichtbaarder wordt. Dat is gebeurd toen homo’s uit de kast kwamen. Opeens konden je collega’s of buren homoseksueel zijn. Zo’n besef kan in korte tijd leiden tot tolerantie. Ook veel conservatieve gelovigen die het idee van homoseksualiteit nog altijd afstotend vinden, vinden het geen bezwaar dat het wordt toegestaan.

“Zij hebben dan een stap vooruit gemaakt in hun denken. Voor hen is homoseksualiteit zoiets geworden als hoe anderen aankijken tegen gestoofde tomaten: je kunt gestoofde tomaten vies vinden, maar als er mensen zijn die ze wél lekker vinden, nou ja, dan ga je gestoofde tomaten niet verbieden en mensen bestraffen die ze eten. Legalisering van gestoofde tomaten, zo begrijpt iedereen, betekent ook niet dat iedereen ze ineens lekker moet vinden of gaat eten. En inderdaad, toen homoseksualiteit uit de criminele sfeer werd gehaald, stonden er ni et opeens hordes heteroheren klaar om eindelijk onbekommerd de herenliefde te gaan bedrijven. En datzelfde geldt natuurlijk voor incest.”

Pardon?

“Waarom is incest verboden als het gebeurt tussen twee volwassenen die het allebei willen?”

Ehm…, nou…

“Hier wordt het iets ongemakkelijker, hè? U en ik kunnen vinden dat homoseksualiteit niet in het strafrecht thuishoort, maar incest?!

“Kent u die geruchtmakende zaak in Duitsland? Een jongen werd geboren in een probleemgezin en al op jonge leeftijd geadopteerd, waarna hij opgroeide zonder contact met zijn biologische familie. Hij was 24 jaar toen zijn moeder overleed, waarna hij zijn zusje ontmoette dat hij nog nooit eerder had gezien. Ze kregen een relatie en daar kwamen vier kinderen uit voort. De man kreeg daarvoor een gevangenisstraf. Maar ik vraag u: waarom is de seksuele relatie tussen deze twee volwassen gezinsleden illegaal?”

Omdat er verhoogde kans is op afwijkend nageslacht?

“Maar mocht het dan wel als ze anticonceptiemiddelen hadden gebruikt? Twee van hun kinderen hadden inderdaad gezondheidsproblemen, waarschijnlijk door de genetische verwantschap met hun ouders, maar de andere twee niet. Trouwens, vindt u dat echt een geldig argument? Vrouwen boven de 40 hebben ook een verhoogde kans op afwijkingen bij hun kinderen. Mogen zij dan ook geen kinderen meer krijgen?” ”

Incest is altijd illegaal, want we voelen instinctief een sterke afschuw van seksueel contact met onze familieleden. Er is een diep besef dat we dit nooit mogen goedkeuren.

“Precies! Die afschuw is onderdeel van ons biologisch mechanisme om inteelt te voorkomen. Dat mechanisme zien we ook bij andere dieren, maar het is niet altijd waterdicht. Kennelijk gebeurt het soms dat we in ons volwassen leven seksueel opgewonden raken van een naast familielid, en niet alleen als ze vanaf de geboorte gescheiden zijn. We zien het bij vaders en dochters, maar het komt ook voor tussen broers en zussen, en soms tussen moeders en zonen.

“Als we horen over dergelijke gevallen doet het de meesten van ons gruwen. Het is dan ook heel gemakkelijk om te bepalen dat alle seksuele contacten tussen familieleden verkeerd en immoreel zijn en dat we het moeten bestraffen. Ik ben het daar niet mee eens wanneer het gaat om volwassenen die dat doen met beider instemming.”

Daar staat u vast alleen in.

“Nee, hoor. Naar aanleiding van deze zaak stelde de Duitse Ethische Raad destijds dat de criminalisering van seksuele relaties tussen volwassen broers en zussen ertoe leidt dat hun fundamentele vrijheden worden geschonden. De raad adviseerde om de wet te versoepelen.”

En waarom zou u dan pedofilie niet ook tolereren?

“Juridisch en psychologisch gezien zijn kinderen niet in staat om toestemming te geven. Ik heb het hier dus uitdrukkelijk níet over seksueel misbruik van kinderen of over dwang.”

Maar het verbod op incest tussen volwassen familieleden wilt u opheffen wanneer het plaatsvindt met wederzijdse toestemming?

“Inderdaad. Waarom zou je onder die voorwaarden welke seksuele relatie dan ook verbieden? Als we het schrappen uit het strafboek zullen broers en zussen heus niet massaal met elkaar het bed induiken.”

In haar boek bespreekt Debra Lieberman de neiging van politici om in te spelen op onze gevoelens van afschuw. Ze verwijst naar studies die aantonen dat het opwekken van gevoelens van weerzin een negatieve houding ten opzichte van immigranten stimuleert. Zoals een Nederlands onderzoek uit 2014, waarbij deelnemers foto’s zagen van maden op een stuk vlees of van een man wiens ingewanden openlagen na een ongeval. Hoe sterker de walging, hoe groter de kans om immigratie af te keuren. Dergelijke studies tonen volgens Lieberman dat het voor kwetsbare groepen gevaarlijk wordt zodra we ons afgrijzen meenemen in de politiek.

Hoe spelen politici in op ons gevoel van weerzin?

“President Trump sprak over immigranten uit shithole countries (‘strontgatlanden’). Dus om te zeggen dat mensen uit bepaalde landen afschuwelijk zijn, gebruikt hij zelfs afschuwelijke taal! Trump speelt in op het idee dat deze mensen gebruik zullen maken van onze middelen en voorzieningen. Daarmee doet hij hetzelfde als chimpansees. Bij chimpansees zie je de neiging om alert te zijn op indringers die de hiërarchie en rust kunnen verstoren. Zodra ze het idee hebben te worden bedreigd, slaan de mannetjes erop los.

“Wij zien datzelfde mechanisme in onze soort onbewust terug in onze neiging om wantrouwend te zijn als anderen aanspraak willen maken op onze rijkdom. Daarom bewaken we onze grenzen, zoals mannetjeschimpansees dat doen, en zodra we een gevaarlijke groep ontwaren, gaan we er achteraan. Welke groep is dan het eerst slachtoffer? Niet de eigen familie natuurlijk, en ook niet mensen met status en macht. Nee, het zijn de buitenstaanders of mensen met de laagste maatschappelijke waarde.”

Wat heeft weerzin hiermee te maken?

“Zelfs wanneer we ons louter ophouden met mensen met een lagere sociale waarde, kan onze eigen waarde dalen. Daarom laten we graag merken dat wij niet zijn zoals zij. Dat kan door weerzin op te wekken. Zo kun je aan anderen makkelijk laten blijken dat je niets met ze te maken hebt. Als de jacht op een groep is geopend en jou wordt gevraagd of jíj allochtoon bent, of homo, of ze vragen of jíj vlees eet of rookt, dan zeg jij: Wie, ik?! Oh, nee! Bah, natúúrlijk niet! Weerzin zorgt ervoor dat je je scherp kunt afzetten tegen een gemarginaliseerde groep die als zondebok wordt aangemerkt.

“Trump schetst immigranten dan ook als een bedreiging voor onze veiligheid en daarom moeten deze mensen buiten worden gehouden, terug in hun shithole countries waar ze horen. Trump heeft het brein van een holbewoner.”

Als bepaalde gedragingen of groeperingen zoveel afkeer oproepen bij een groot deel van de bevolking, waarom is het dan verkeerd om daartegen op te treden?

“Onze persoonlijke gevoelens van afkeer mogen een ander niet beperken in zijn vrijheid. Stel dat ik foie gras weerzinwekkend vind. Dan is het aan mij om geen foie gras te eten. Waarom zou ik dan mensen mobiliseren die foie gras eveneens afschuwelijk vinden om ervoor te strijden dat foie gras illegaal wordt, zodat niemand nog foie gras mag eten, zoals in sommige landen is gebeurd?”

Omdat eenden en ganzen op gruwelijke wijze worden vetgemest.

“Akkoord, wrede behandeling van dieren is een goed argument om bepaalde soorten voedsel niet te eten. Maar ik geloof dat je dan bepaalde praktijken in de voedingsindustrie moet verbieden, niet het voedsel.

“Afkeer kan nooit op zichzelf een goede reden zijn om mensen te bestraffen en hun vrijheid te ontnemen. We zullen aanvullende redenen moeten vinden om wetgeving of politieke actie te rechtvaardigen. Weerzin is een kwaadaardige emotie die tot doel heeft om anderen te criminaliseren. Bedenk dat niet heel lang geleden Duitsers massaal oordeelden dat Joden weerzinwekkend waren, en Bosnische Serviërs wilden een etnische zuivering van Kroaten, en in Myanmar worden moslims opgejaagd. Dat is waar breed gedeelde persoonlijke weerzin toe kan leiden zonder noodzaak van een rationele onderbouwing.”

Hoe moeten we dan reageren als iets onze afkeer oproept?

“Als je het walgelijk vindt om de lakens te delen met je broer of zus, doe het dan niet. Vind je het walgelijk om foie gras te eten, doe het dan niet. We zullen een aantal van onze wetten moeten herzien, zodat we toleranter en vrijer zijn.”

Hoe worden we toleranter?

“Door kennis te maken met gecriminaliseerde mensen, zoals is gebeurd bij homoseksuelen. Onderwijs is ook belangrijk. Op school kun je leren over andere ideeën en culturen, maar ook over hoe onze hersenen werken en waarom we zijn zoals we zijn. Dan leren we dat wij mensen beschikken over het vermogen om logisch na te denken, te redeneren en argumenten te vinden. We beschikken over een zee van kennis waarop we kunnen voortbouwen. Wij hoeven ons niet te laten leiden door biologische emoties en instincten, zoals afschuw, om onze samenleving vorm te geven. Dan leren we dat het verkeerd is om het wél te doen, omdat we weten dat walging vaak wordt gebruikt om anderen te marginaliseren, uit te sluiten en op te jagen.” ”

Psychologe dr. Debra Lieberman (45) doceert aan de Universiteit van Miami in Fort Lauderdale. Ze geeft daar leiding aan het Laboratorium voor Evolutie en Menselijk Gedrag. Ze bestudeert vooral verwantschap, emoties en moraliteit.

Met jurist Carlton Patrick schreef ze ‘Objection: Disgust, Morality and the Law’, volgens een recensent ‘een soms grof, maar altijd boeiend verslag’ van hoe weerzin zich heeft ontwikkeld van een psychologisch fenomeen tot onderdeel van onze ethiek.

Debra Lieberman Carlton Patrick

Objection. Disgust, Morality, and the Law

‘Ons hart dreigt een vreemde macht te worden’
Yuval Harari
Door biotech en kunstmatige intelligentie dreigt opsplitsing en manipulatie van de menselijke soort, waarschuwt historicus Yuval Harari. Mensen moeten zichzelf beter doorgronden, zegt hij. Door psychische weerbaarheid – én door meditatie.
Door onze redacteuren Wouter van Noort en Hendrik Spiering
Ooit was Yuval Noah Harari gewoon hoogleraar middeleeuwse geschiedenis. Maar nu lopen mensen als Bill Gates, Barack Obama en Mark Zuckerberg weg met zijn werk. Het wereldwijde succes van zijn boeken Sapiens en Homo Deus geeft de tengere geleerde ineens gemakkelijk toegang tot wereldleiders en CEO’s. En één ding is de hoogleraar van de Hebrew University (Jeruzalem) opgevallen in die nieuwe wereld, zo vertelde hij vorige week tijdens een gesprek op de bovenste verdieping van een Amsterdams hotel: „Ook mensen in die hoge regionen begrijpen niet echt veel van de wereld. Wereldleiders kennen geen geheimen over het leven die gewone mensen niet kennen. Hooguit weten ze iets over het Israëlische atoomprogramma dat ik niet weet.”
En gemakkelijker zullen onze leiders de waarheid ook niet leren, aldus Harari. „In feite zijn ze slechter af dan wij om de wereld te begrijpen, omdat ze meestal geen tijd hebben om na te denken. En het is voor hen erg moeilijk te vertrouwen op wat mensen hen vertellen. Iedereen wil iets van ze. Alsof ze midden in een zwart gat zitten dat alles om hen heen vervormt. Macht verplettert de waarheid, dát heb ik daar gezien.”
Harari is in Nederland voor twee besloten bijeenkomsten met topmanagers. Hij spreekt sinds het succes van zijn boeken wereldwijd wel vaker voor grote zalen met invloedrijke mensen. „Ik maak ongeveer 200 vluchten per jaar”, zegt hij enigszins gelaten. Harari oogt rustig, draagt een casual broek en sportschoenen. Vriendelijk en beleefd biedt hij iets te drinken aan.
Het hoort er allemaal bij, sinds hij doorbrak met boeken over verleden en toekomst van de mensheid. Daarin beschrijft hij krachtig de evolutie en geschiedenis van de mens. In Sapiens (2014) ging het over hoe de mensheid culturen, beschavingen, naties en bedrijven opbouwde door het uitzonderlijke vermogen om in gezamenlijke ideeën en concepten te geloven, of ze nou waar zijn of niet.
En in Homo Deus (2016) schetst Harari hoe de recente vooruitgang in kunstmatige intelligentie en biotechnologie het menselijk leven totaal zal veranderen, in de komende 200 jaar. Verlies van autonomie door perfecte surveillance en beïnvloeding door algoritmen, én splitsing van de mensheid in een genetisch verbeterde elite en een onbelangrijke, economisch overbodig geworden massa – dat zijn Harari’s belangrijkste waarschuwingen. Ons nu 200 jaar oude humanistische wereldbeeld van vrijheid en gelijkheid zal er waarschijnlijk bij ten onder gaan, zo beredeneert hij. In augustus verschijnt een nieuw boek: ‘21 lessen voor de 21ste eeuw’. „Dat gaat dus over het heden”, zegt Harari met een knipoog.
U spreekt toch vooral over de toekomst van de mensheid. Hoe relevant is dan uw achtergrond als mediëvist nog?
„Ik denk dat de Middeleeuwen iedere dag relevanter worden. De moderne tijd loopt ten einde, er komt iets nieuws aan. We zullen niet het feodalisme terugkrijgen, maar de Middeleeuwen tonen wel hoe het is om niet modern te zijn. Neem de politiek. Het moderne politieke ideaal is de wereld in natiestaten te verdelen, scherp afgebakend maar intern helemaal homogeen: zelfde taal, zelfde geld, alles. In de Middeleeuwen was dat totaal anders. Grenzen tussen koninkrijken stelden weinig voor en juist binnen zo’n koninkrijk waren veel onderverdelingen, zelfs op het niveau van een enkele stad. Voor alle groepen golden aparte wetten: monniken, boeren, edellieden, joden. Het moderne ideaal van gelijkheid voor de wet klinkt idioot in middeleeuwse oren.
„Naar die situatie gaan we weer terug: grenzen worden minder belangrijk, de interne verdelingen worden groter. Kijk naar leden van de wereld-elite. Als ze in Amsterdam leven hebben ze meer gemeen met hun peers in Shanghai. Die mensen zijn nauwer met elkaar verbonden dan met iemand die een kilometer verderop woont. Het hele idee van een nationale gemeenschap valt uit elkaar.”
Wij dachten juist dat we een opleving van het nationalisme meemaakten.
„Oké, maar dat nationalisme is zwak als je het vergelijkt met een eeuw geleden, toen Europeanen elkaar met miljoenen tegelijk uitmoordden uit nationale naijver. Kijk nu naar de Brexit, het Schotse referendum, Catalonië: wat ontzettend vreedzaam! Ja, in de Brexitcampagne is één persoon vermoord door een extremist. Maar als je een paar honderd jaar geleden Schotland los wilde maken van Groot-Brittannië kostte je dat een enorme oorlog en brandende steden. Nu ga je gewoon stemmen. Er is Schots nationalisme, maar niemand lijkt bereid er voor te doden of gedood te worden. Dat is een bewijs van humanistische beschaving, maar niet van nationalisme. Ik denk dat er meer mensen bereid zijn om gedood te worden voor Manchester United dan voor de onafhankelijkheid van Schotland of Vlaanderen.”
Maar met Trump lijkt het Amerikaanse nationalisme toch groter dan ooit?
„Ik weet niet wat hij volgende week gaat doen, maar als het gaat om Amerikaans nationalisme en imperialisme zijn z’n ideeën niets vergeleken met twee eeuwen geleden. Hij zal bijvoorbeeld nooit, zoals in 1846 gebeurde, Mexico binnenvallen. Trump past wel in een wereldtrend waarin het politieke systeem geen visie meer op de toekomst heeft en daarom maar betekenis haalt uit nostalgische fantasieën over het verleden. Je ziet het ook bij Poetin, India met het hindoe-nationalisme, Turkije, IS en natuurlijk Israël.”
Is de wereldwijde wapenwedloop in AI en biotech, waarvoor u waarschuwt in Homo Deus, ooit te stoppen?
„Technologieën kunnen zowel zorgen voor centralisatie als decentralisatie van macht en middelen. De totalitaire regimes van de sovjets en de nazi’s profiteerden enorm van de nieuwe technologieën van de treinen, de radio, die werkten zeer centraliserend. Dat geldt ook voor artificial intelligence : hoe meer data, hoe meer macht. Maar toch wonnen de afgelopen eeuw liberale democratieën, omdat zij efficiënter waren met hun meer decentrale besluitvormingsprocessen, die veel meer innovatie mogelijk maakten. Een centraliserende technologie wint niet altijd.
„En je kunt natuurlijk gewoon regels maken. Ik geloof niet in technologisch determinisme, dat technologie alles bepaalt. We hebben bijvoorbeeld de technologie om een internationale markt in donororganen te creëren, met body-farms in arme landen, een enorme winstmogelijkheid. Toch bestaat dat niet, omdat het verboden is. En zelfs bij machtige wapens, zoals killerrobots, is strenge regulering mogelijk.”
Is meer regulering één van uw lessen voor de 21ste eeuw?
„Ja, in zekere zin. Dat boek gaat over heel veel verschillende onderwerpen hoor.”
Wat is dan uw simpelste oplossing voor een groot probleem?
„De simpelste!? Tja, die noem ik niet eens in mijn boek. Terrorisme is het makkelijkst op te lossen: door er veel minder aandacht aan te besteden. Terroristen kapen onze fantasie en dat vergroot het gevaar op absurde wijze uit. Terroristen doden een paar mensen en miljoenen mensen zijn bang hun leven te verliezen. Gewoon negeren. Daar heb je geen wereldregering voor nodig.”
En wat is uw advies voor afwending van de grootste gevaren uit Homo Deus: autonomieverlies en opsplitsing van de mensheid door AI en biotechnologie?
„Sommige van die dingen moet je niet afwachten. Zoals de ongelijkheid. Als de ongelijkheid in onze samenleving blijft groeien en als biotechnologie steeds meer manipulatie van ons lichaam en brein mogelijk gaat maken, dan kan dat inderdaad gaan leiden tot splitsing van onze soort. Economische ongelijkheid wordt dan biologische ongelijkheid.
„Waar we ook niet mee moet afwachten is onderwijs. Kinderen die nu naar school gaan zullen hopelijk nog leven aan het begin van de 22ste eeuw. Wat moet je hen nu leren voor die totaal andere wereld?”
Meer sociologie, of juist meer biologie en programmeren?
„Nee, nee. Het belangrijkste is geestelijk evenwicht en emotionele intelligentie. Hiermee kunnen de kinderen zichzelf later telkens opnieuw uitvinden in een heel veranderlijke wereld. Dadelijk moet je zelfs gaan kiezen wat voor lichaam je wilt en wat voor brein.”
Maar hoe onderwijs je dat?
„Dat is de grote vraag. Hoe leer je mensen veerkracht aan, zelfs in de omgang met hun eigen identiteit? Niemand weet het. Je kunt de kinderen vrijheid geven om alles zelf te ontdekken, maar ze hebben ook leiding nodig, een gids. In de Middeleeuwen bestond het flexibele meester-leerlingsysteem. In feite leerden jonge mensen aan de hand van hun meestertimmerman het hele leven kennen. Daar kunnen we nu niet naar terug, want wie kan nu nog zo’n meester zijn? Ik zie het als inspiratie. Toen was er nog niet de diepe kloof tussen school waarin alles opgedeeld is in stukjes, en het echte leven. Een moderne leraar gidst je niet door het leven, hij leert je alleen geschiedenis.”
Nou, laat de algoritmes dat dan doen.
„Dat zou best kunnen, een artificiële intelligentie die altijd bij je is: een persoonlijke digitale mentor die je enorm goed leert kennen en je begeleidt in een meester-leerling-verhouding. En helemaal op jou toegesneden, zonder nog eens 40 kinderen waar-ie aandacht voor moet hebben. Maar er zijn ook gevaren. Het zou gehackt kunnen worden door de Russen, terwijl het al je zwakheden en krachten kent. Dat geeft een macht die geen enkel onderwijssysteem ooit had. Het kent al je trucs. En het zou je helemaal kunnen misvormen. Het kan ook een instrument van een totalitair systeem worden.”
Waar is dan nog het onverwachte, het individuele? Wordt dit het einde van het humanisme met het individu centraal?
„Het humanisme moet sowieso veranderen. Dat is nu nog gebaseerd op de aanname dat er authenticiteit is van gevoelens. Die bestaat niet meer. Kijk naar al die verkiezingen die door Cambridge Analytica gemanipuleerd zijn. Verkiezingen gaan over gevoel, maar dat kan allemaal gemanipuleerd worden op een schaal die vroeger ondenkbaar was. Dat luisteren naar je gevoelens was leuk in de negentiende eeuw. Nu zeggen dat je naar je hart moet luisteren is echt een verkeerd advies. Want je hart kan nu best gekaapt zijn door Vladimir Poetin, die via allerlei algoritmes heel goed weet hoe hij bij jou op de angst- en haatknop moet drukken. Wanneer je dan naar je hart luistert, luister je in feite naar een vreemde macht.”
Vroeger was er toch ook propaganda?
„Ja, maar Hitler moest één radiospeech afvuren op vijftig miljoen Duitsers tegelijk. Daarom had hij ook een geheime politie nodig. Als je de boodschap individueel kunt afleveren, hoeft dat niet meer. Dan wordt je hart de geheime politie!”
Waarop kun je dan nog vertrouwen?
„We zullen veel meer moeite moeten doen om ons bewustzijn te begrijpen. Het oudste advies dat er bestaat: ken uzelve! Mensen zijn vooral zo makkelijk te manipuleren omdat ze zichzelf niet goed kennen. Ze vertrouwen op alles wat in hun geest omhoog plopt. Als we ons bewustzijn beter begrijpen wordt dat moeilijker. Als je je bewust bent van je haat en je angsten is het makkelijker om afstand te nemen van fake-news dat daarop wil inspelen.”
De meeste mensen verbinden juist hun gevoel van identiteit aan die gevoelens.
„Ja, dat is het probleem. Bij links en bij rechts. Linkse mensen kun je ook van alles wijsmaken over achterlijke religieuze mensen in Louisiana. Ze zijn zich niet bewust van hun eigen vooroordelen.”
Dus iedereen moet gaan denken als een wetenschapper?
„Ja, dat zou al helpen. Meditatie is ook een oplossing. Ikzelf investeer heel veel tijd in meditatie. Twee uur per dag, om mijn eigen geest en gevoelens te leren kennen. Het werkt. Maar het is erg moeilijk. Ik ga ook ieder jaar één of twee maanden naar een meditatie-retraite, zonder telefoon of computer. En niet praten. Ik praat de rest van het jaar zó veel! Ik heb die rust en helderheid nodig. Het moeilijkste is: je gaat dan heel veel dingen zien die je niet bevallen. Als je je ware zelf ziet is dat echt geen Disney-film!”
Yuval Noah Harari (1976) werd geboren in Haifa en is opgeleid als middeleeuws historicus in Jeruzalem en Oxford. Hij houdt zich nu bezig met wereldgeschiedenis. Hij is veganist en mediteert in de Vipassana-traditie. In 2002 trouwde hij met Itzik Yahav, die nu ook zijn persoonlijk manager is. Harari noemde zijn echtgenoot in The Guardian ‘ my Internet-of-all-Things ’.
________________________________________

Godhelm

Bezoekers van Lowlands kregen een ‘godhelm’ op waardoor ze bovennatuurlijke ervaringen zouden krijgen en die kregen ze ook. Over deze helm van neurowetenschapper David Maij schreef Willem Schoonen op 26 maart in Trouw. Die helm is nep, een variant op de placebo, en we weten inmiddels hoe goed de placebo kan werken.

Maij wil weten waarom mensen geloven. Mensen zien overal bedoelingen, en dat biedt een evolutionair voordeel, met toeval valt namelijk slecht te leven. Maar dat verklaart nog niet de neiging tot geloven.

Het brein heeft verwachtingen, zegt Maij, die verwachtingen komen niet uit, soms stelt het brein de verwachtingen dan niet bij en daar ontstaat ruimte voor ‘bovennatuurlijke’ ervaringen.

Maar hoe ontstaan die verwachtingen? Door taal. Mensen zijn talige wezens en hebben toegang tot de werkelijkheid door taal en andere tekens. Het vermogen te geloven is een neveneffect van het gebruik van taal. Het woord verleidt ons.

28-03-2018
Zes aforismen van Nietzsche die je gelezen moet hebben
Paul van Tongeren, filosoof, hoogleraar

We vroegen Nietzsche-kenner Paul van Tongeren om zijn favoriete aforismen te kiezen uit Nietzsche’s ‘De vrolijke wetenschap’. Na wikken en wegen zijn dit de zes waar hij op uit kwam.
Het is voor een Nietzsche-kenner als Paul van Tongeren eigenlijk een onmogelijke vraag: wat zijn nou de aforismen uit ‘De vrolijke wetenschap’ die je echt nooit zou willen missen? In de nieuwe, nu al bejubelde vertaling van de vorig jaar overleden vertaler Hans Driessen, geeft Van Tongeren in een nawoord wenken bij het lezen van de aforistische boeken van Nietzsche. Aforismen zijn korte uitspraken of gedachten. Nietzsche bracht zijn aforismen bijeen in boeken, zonder het onderlinge verband uit te leggen.
De lezer zoekt onvermijdelijk een verband dat hem of haar houvast geeft. ‘Lezen’ betekent immers ‘verzamelen’ en ‘ordenen’, schijft Van Tongeren in het nawoord. ‘Nietzsches teksten maken het extreem moeilijk een dergelijk verband te vinden en confronteren ons juist daardoor met onze behoefte eraan. Die behoefte aan houvast staat tegenover het avontuur van de denker die zich op een volstrekt open zee of in een duister labyrint waagt.’
Welk verband de lezer ook aanbrengt, het mag volgens Van Tongeren niet de aandacht afleiden van de kwaliteit van de afzonderlijke teksten. Want ook als de aforismen niet in enige lijn of constructie passen, bevatten ze bijna zonder uitzondering prachtige observaties of gedachten.
Lees hieronder zes voorbeelden die Paul van Tongeren persoonlijk het meest dierbaar zijn – over vriendschap die voorbij is, over wat we van kunstenaars kunnen leren, over de overeenkomsten tussen de menselijke wil en de golven in een branding; en geef je over aan Nietzsche’s experiment. ‘Als Nietzsche gelijk had toen hij schreef dat hij met zijn teksten over het nihilisme de geschiedenis van de komende tweehonderd jaar beschreef, dan toont hij hier de conditie waarin wij ons bevinden. In hoeverre verdraagt de waarheid het dat ze vlees en bloed wordt? Dat is de vraag, dat is het experiment.’

[279] Sterrenvriendschap
We zijn vrienden geweest en van elkaar vervreemd geraakt. Maar
dat is goed zo, en laten we er geen geheim van maken en het
niet wegstoppen alsof we ons ervoor zouden moeten schamen.
We zijn twee schepen waarvan elk zijn eigen bestemming heeft
en zijn koers ernaartoe; we kunnen elkaar wel kruisen en samen
feesten, zoals we ook hebben gedaan – en toen lagen die goede
schepen zo rustig in één haven en in één zon, dat het was alsof
ze hun bestemming al hadden bereikt en één bestemming hadden
gehad. Maar vervolgens dreef de oppermachtige kracht van
onze opdracht ons weer uiteen, naar verschillende zeeën en zonnestreken,
en wellicht zien we elkaar nooit meer terug – of we
zien elkaar wel terug, maar herkennen elkaar niet meer: de verschillende
zeeën en zonnen hebben ons veranderd! Dat we
vreemden voor elkaar moeten worden, is de wet die over ons regeert:
juist daardoor moeten we meer respect voor elkaar krijgen!
Juist daardoor moet de gedachte aan onze vroegere vriendschap
heiliger worden! Wie weet bestaat er een kolossale,
onzichtbare boog en sterrenbaan waarin onze zo uiteenlopende
wegen en bestemmingen als kleine trajecten zijn opgenomen
laten we ons tot deze gedachte verheffen! Maar ons leven is te
kort en ons gezichtsvermogen te gering om meer te kunnen zijn
dan vrienden in de zin van die verheven mogelijkheid. – Laten
we dus in onze sterrenvriendschap geloven, zelfs als we elkaars
|aardse vijanden zouden moeten zijn.

[299] Wat men van de kunstenaars moet leren
Over welke middelen beschikken we om de dingen mooi, aantrekkelijk
en begerenswaardig voor ons te maken als ze dat niet
zijn? – en ik denk dat ze het op zichzelf nooit zijn! Op dit gebied
kunnen we iets leren van de artsen, die bijvoorbeeld het bittere
verdunnen of wijn en suiker in de mengkroes doen, maar meer
nog van de kunstenaars, die er eigenlijk altijd op uit zijn zulke
uitvindingen en kunststukken te verrichten. Zich van de dingen
verwijderen totdat men veel ervan niet meer ziet en er veel bij
moet denken om ze nog te zien – of de dingen vanuit een hoekje
beloeren of als het ware in een uitsnede zien – of ze zo neerzetten
dat ze zich gedeeltelijk anders voordoen en alleen perspectivische
doorkijkjes bieden – of ze bekijken door gekleurd glas of
in het licht van het avondrood – of ze een oppervlak en een huid
geven die niet helemaal transparant is: dat alles moeten we van
de kunstenaars leren en voor het overige moeten we wijzer zijn
dan zij. Want bij hen houdt dit subtiel vermogen gewoonlijk op
wanneer de kunst ophoudt en het leven begint, maar wij willen
de dichters van ons leven zijn, te beginnen met het kleinste en
meest alledaagse.

[310] Wil en golf
Hoe gulzig komt deze golf aanrollen, alsof er iets te bereiken
viel! Hoe kruipt ze met vervaarlijke haast de binnenste hoeken
van rotsachtige spleten in! Het lijkt wel alsof ze iemand vóór wil
zijn; het lijkt wel alsof daar iets van waarde, grote waarde is verstopt.
– En nu komt ze terug, iets trager, nog helemaal wit van|
opwinding, – is ze teleurgesteld? Heeft ze gevonden wat ze
zocht? Veinst ze teleurstelling? – Maar spoedig nadert een andere
golf, nog gulziger en wilder dan de eerste, en ook haar ziel
lijkt vol geheimen te zijn en belust op het graven naar schatten.
Zo leven de golven – zo leven wij, de willenden! – meer zeg ik
niet. – Wat? Jullie wantrouwen mij? Jullie zijn boos op mij,
mooie ondieren die je bent? Zijn jullie bang dat ik je geheim
volledig verraad? Best! Wees maar boos op me, richt jullie
groene, gevaarlijke lijven maar op, zo hoog als je kunt, bouw
|maar een muur tussen mij en de zon – zoals nu! Heus, van de
wereld is al niets meer over dan groene schemer en groene bliksemschichten.
Doe maar wat je wilt, jullie overmoedigen, brul
maar van wellust en boosheid – duik maar weer onder, werp jullie
smaragden maar weg, de diepste diepte in, schud jullie eindeloze
witte lokken van schuim en gebruis erover uit – ik vind|het allemaal best, want alles staat jullie zo goed en ik ben jullie in|alles zo goed gezind: waarom zou ik jullie verraden! Want –
luister goed! – ik ken jullie en je geheim, ik ken jullie soort!
Jullie en ik, wij stammen immers van één soort! – Jullie en ik,
wij delen immers één geheim! 

[312] Mijn hond
Ik heb mijn pijn een naam gegeven en noem hem ‘hond’, – hij is
net zo trouw, net zo opdringerig en schaamteloos, net zo onderhoudend,
net zo slim als elke andere hond – en ik kan hem
toesnauwen en mijn slechte buien op hem afreageren: zoals anderen
met hun honden, bedienden en vrouwen doen. 

[378] ‘En worden weer helder’
Wij die vrijgevig en geestrijk zijn, wij die als open waterputten
langs de straat liggen en het niemand willen verbieden dat hij
uit ons put: wij zijn helaas niet in staat ons te verzetten, als we
het zouden willen, we kunnen met geen mogelijkheid verhinderen
dat men ons troebel maakt, duister maakt – dat de tijd
waarin we leven zijn ‘meest aan tijd gebonden dingen’, dat zijn
vuile vogels hun uitwerpselen, jongens hun rommel en uitgeputte,
bij ons uitrustende wandelaars hun klein en groot leed
in ons smijten. Maar we zullen het doen zoals we altijd hebben
gedaan: we sleuren wat ze maar in ons smijten mee onze diepte
in – wij zijn immers diep, we vergeten niet – en worden weer helder… 

[380] ‘De wandelaar’ spreekt
|Om onze Europese moraliteit eens van een afstand te bezien,
om haar af te zetten tegen andere, vroegere of toekomstige moraliteiten,
daarvoor moet je doen wat een wandelaar doet die wil
weten hoe hoog de torens van een stad zijn: daarvoor gaat hij
weg uit die stad. Indien ‘gedachten over morele vooroordelen’
geen vooroordelen over vooroordelen willen zijn, gaan ze uit
van een plaats buiten de moraal, een plaats voorbij goed en
kwaad, waarnaar je moet klimmen, klauteren of vliegen – en in
het huidige geval, op zijn minst een plaats voorbij ons goed en
kwaad, een vrij-zijn van elk ‘Europa’, dat laatste opgevat als een
optelsom van commanderende waardeoordelen, die in ons vlees
en bloed zijn gaan zitten. Dat je juist die kant op, dáár naar
boven wilt, mag dan misschien een kleine onbesuisdheid zijn,
een zonderling, onredelijk ‘gij zult’ – want ook wij kennenden
hebben onze idiosyncrasieën van de ‘onvrije wil’ –; de vraag is
of je daar naar boven kunt. Dat kan afhangen van talrijke omstandigheden,
maar in hoofdzaak is het de vraag hoe licht of
zwaar we zijn, met andere woorden: het probleem van ons ‘soortelijk
gewicht’. Men moet heel licht zijn om de wil tot kennis zo
ver te voeren en als het ware boven zijn tijd uit te jagen, om zichzelf
|ogen te geven die millennia kunnen overzien – en in deze
|ogen ook nog een heldere hemel! Men moet zich hebben losgemaakt
van veel dingen die ons Europeanen-van-nu terneerdrukken,
hinderen, tegen de grond houden en zwaar maken. De
mens van zo’n andere wereld die de hoogste maatstaven van
zijn tijd zelf in het oog wil krijgen, moet daarvoor in de eerste
plaats deze tijd in zichzelf ‘overwinnen’ – het is zijn krachtproef
– en dus niet alleen zijn tijd, maar ook zijn tot nu toe geldende
weerzin van en oppositie tegen deze tijd, zijn lijden aan deze
tijd, zijn oneigentijdsheid, zijn romantiek…

I am text block. Click edit button to change this text. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar da

We spelen heel wat af. Eerst tikkertje, verstoppertje, vader en moedertje. Later maken de kinderspellen plaats voor meer volwassen varianten, kaartspellen, videogames. Iets minder voor de hand misschien is het spelelement in de politiek, in het rechtssysteem, of in de wetenschap.

Volgens historicus Johan Huizinga kenmerken ook deze gebieden, die we toch doorgaans als serieus beschouwen, zich door spel. In ‘Homo Ludens’, oftewel de spelende mens (1938), stelde hij dat spel niet zozeer een aspect van de cultuur is, maar dat de hele cultuur vóórtkomt uit spel. Wanneer we tijd en ruimte overhebben naast écht ernstige zaken als overleven en voortplanten, bezweren we de grillige werkelijkheid en elkaar met rituelen en spelen.

Het spel blijkt bij Huizinga al snel lastige paradoxen in zich te dragen. Zo is het spel een vrije handeling, die buiten het noodzakelijke leven plaatsvindt. Tegelijkertijd vraagt alle spel – van rechtspraak tot wetenschap, van theater tot taal – om mee te spelen, vooral geen spelbréker te zijn. Dit betekent dat spelen ook altijd een ‘gespeeld worden’ impliceert. Hoewel de mens in vele vormen van spel wel een belangrijke ‘katalysator’ is en ‘speelse’ dingen als kunst, taal en theater schept, is hij niet heer en meester over deze vormen van spel, maar wordt er zelf in opgenomen.

Een andere lastige paradox in Huizinga’s spelanalyse vinden we in zijn cultuurkritiek. Want hoewel hij eerder stelt dat alles wat zich uit de sfeer van het noodzakelijke onttrekt als spel kan worden begrepen – toneelstuk, oorlog, wetenschappelijk debat – stelt hij ook vast dat veel van het spel in de westerse cultuur vals is geworden. Geen écht spel meer, dus. Dit is geen goed nieuws, want zonder spel is cultuur ten dode opgeschreven. Hij noemt als voorbeeld de sportwereld, eerder een domein van het spel, nu een domein van winstbelangen en vercommercialisering, aanstellerij en slechte verliezers. Ook in de politiek en het bedrijfsleven neemt hij dezelfde tendensen waar. Spelvormen worden bewust ingezet om een achterliggend maatschappelijk of politiek belang te verbloemen. Vals spel, vindt hij.

Hoe is het gesteld met het ludiek gehalte van onze eigen tijd? Op het eerste gezicht zit het met het spelelement in onze huidige westerse samenleving wel goed. In onze vrije tijd doen we ons tegoed aan boeken, series, film en games die ons naar fictieve werelden leiden. Ben je een groot fan van een specifieke wereld, dan kun je gelijkgestemden ontmoeten op Comic Cons of Fantasy Fairs, eventueel verkleed als je favoriete personage. Een eindeloze stroom aan sequels en prequels houden de werelden tot in het oneindige in stand.

In het onderwijs en het bedrijfsleven worden games en tools ingezet om ook saaie, serieuze aangelegenheden van een vleugje fun te voorzien. Op de speelplaats van social media kun je eindeloos experimenteren met identiteiten, mode en meningen en je tegoed doen aan guitige kattenfilmpjes en vermakelijke memes. Bij het boodschappen doen kun je sparen voor moestuintjes of olijke knuffeltjes. Je kunt naar een pretpark of in een museum een leuke speurtocht doen. De belevingsindustrie tiert welig. Met een dergelijke verleuking van de wereld moet het met dat spelelement wel goed zitten, toch? ”

Zetten we de bril van Huizinga op, dan is hier een kritische voetnoot te plaatsen. Ook in onze tijd blijkt een soms verregaande en wederzijdse vervuiling van spel en ernst aanwezig. Waar spelen altijd een bespeeld worden impliceert, kan dit problematisch worden wanneer het betreffende spelelement vals is, een oneerlijke agenda heeft.

Social media bijvoorbeeld worden aan de achterkant bestuurd door bedrijven die enkel interesse hebben in winst en groei. Om mensen te stimuleren vooral terug te keren op hun speelplaatsen, zijn deze zo vormgegeven dat het gebruik ervan ‘lekker’ is. Zo weet Facebook precies hoe je met likes en rode cijfertjes kunt zorgen voor kleine scheutjes dopamine in het brein van gebruikers. Facebookverslaving – het dwangmatig terugkeren op de website of app – wordt zo in de hand gewerkt. En Facebook is lang niet de enige die ons zo voortdurend naar onze lichtgewicht smartphones doet grijpen. De karakteristieke voorovergebogen houding – telefoon in de hand, blik gevangen in het apparaat – is inmiddels deel van het straatbeeld. We worden, net als drugverslaafden, niet voor niks ‘gebruikers’ genoemd. Zelfs schandalen die laten zien dat velen zich als datakoeien laten misbruiken, blijkt de digitale verslaving moeilijk te kunnen doorbreken.

Soms is het minder helder dat spel niet eerlijk is. Neem bijvoorbeeld Google’s game Ingress uit 2012. Deze augmented reality game werkte als een app op de smartphone en speelde zich met behulp van GPS af in de werkelijke wereld. Spelers konden proberen elkaar te snel af te zijn en zo de baas te worden van bepaalde monumenten of belangrijke plekken in een stad. Deze portals konden ook door de spelers zelf worden voorgedragen, door het toevoegen van geotagged foto’s van de plaats of het monument. Spelers gameden voor hun plezier – maar voor Google zat er een veel zakelijkere reden achter de game. De spelers waren een gratis werkkracht die tijdens het spelen Google van waardevolle data voorzagen om hun Google Maps verder te perfectioneren.

Begin 2018 liet Google weten Google Maps gratis open te gaan stellen voor gamedesigners die zelf augmented reality games willen maken. Gratis, zegt Google, want waarom zouden gamebedrijven zelf alle moeite moeten doen een goede kaart te maken? Met Google’s tot in de puntjes in kaart gebrachte versie van de wereld zijn spelers gegarandeerd van perfect spelplezier. Naar de achterliggende motieven van Google is het niet heel erg gissen.

Via sociale media experimenteren jongeren met hun eigen identiteit en het uitdragen ervan. Ook qua mode, een cultureel gebied met van oudsher veel speelse elementen, heeft de gemiddelde tiener op het oog een speelplaats tot de beschikking. Nog nooit stonden er zoveel mode-items te koop, met een klik op de muis in je winkelmandje uit de hele wereld beschikbaar. Fashionista’s kunnen hun hart ophalen bij de diverse fashion-vlogs en blogs die het internet rijk is. Vreemd genoeg lijkt deze grote vrijheid op modegebied toch niet direct te leiden tot een speelse diversiteit aan stijlen. Hoogleraar visuele cultuur Anneke Smelik stelt vast dat er juist een verhoogde mate van uniformiteit lijkt te bestaan onder de jongere generaties van nu. Volgens haar komt dit onder andere door de invloed van fashion-vlogs en -blogs die als een echokamer werken. Jongeren horen graag bij een groep, maar het aantal groepen lijkt steeds beperkter. Wanneer gaat de suggestie van vrijheid die hedendaagse spelvormen bieden, over in valse vrijheid?

Of dan het slagveld, waar van oudsher altijd al speel-elementen waar te nemen waren. In de jaren tachtig stelde Ronald Reagan dat het spelen van realistische games je behendigheid leert die je ook in het echte leven kunt inzetten. Actiegames en shooters, zei Reagan, trainen een nieuwe generatie cyberwarriors, klaar voor een gevecht op een echt strijdveld. En het mooiste is dat ze bereid zijn hun training zelf te betalen!

Zijn voorspellingen zijn inmiddels deels realiteit. Flight simulators trainen piloten voor het echte werk, en een game als America’s Army, dat is ontwikkeld door het Amerikaanse leger, laat jongeren kennismaken met militaire strijd. Je kunt het gratis spelen en aan het einde krijg je de aanmoediging je bij het real life leger aan te sluiten.

Deze propagandistische manier van werken heeft uit verschillende hoeken kritiek geoogst. Mag je ‘spel’ en ‘ernst’ wel op zo’n radicale wijze met elkaar vermengen? Andersom zien we spel ook zijn intrede doen op het echte strijdveld. Hightechapparatuur doet menig soldaat het slagveld via monitors en streams ervaren, potentiële slachtoffers gereduceerd tot warmtedoelen op een scherm. Wanneer oorlog meer en meer simulatie wordt, wanneer knopjes de plek innemen van trekkers, en het doelwit enkel indirect ervaren wordt via een scherm dat de situatie als een spel presenteert, blijkt een onderscheid tussen ernst en spel gemakkelijk uit het oog verloren.

En er zijn meer voorbeelden. Neem het gemak waarmee fake news zich verspreidt onder de massa’s. Of het casinokapitalisme dat de markt tot een verslavend en gevaarlijk gokspel maakt. Of de vercommercialisering van de amusementencultuur die échte fans verleidt tot het kopen van T-shirts, authentieke toverstokken of action figures. Of de politiek, waarin kinderachtigheid en aanstellerige borstklopperij in de tachtig jaar sinds ‘Homo Ludens’ nog steeds in allerlei vormen aanwezig is.

Staan we open voor het besef dat allicht niet alle ludieke elementen in onze ogenschijnlijke hoog-speelse cultuur ook oprecht en eerlijk spel zijn, maar vaak zijn doortrokken van vals spel en kinderachtigheid, dan is het misschien goed Huizinga’s waarschuwende woorden er nog eens op na te slaan. Willen we een echte beschaving zijn, zo lezen we, dan zijn fair play en goede trouw een vereiste. Het spel moet zuiver zijn. Het mag geen valse schijn zijn, opzettelijk opgezet spel waarachter zich stiekeme politieke, maatschappelijke of economische agenda’s verbergen. Echt spel sluit propaganda en commercie uit. Echt spel is enkel een doel in zichzelf. De oprechte spelstemming is er een van blijde vervoering, niet van hysterische opwinding.

Gaan we ervanuit dat álle cultuur uit spel voortkomt, dan bergt Huizinga’s cultuurkritiek een onoplosbare paradox in zich. Hoe kan immers iets ‘vals spel’ of schijnspel zijn, als álles in onze cultuur zich als spel manifes- teert? Zijn de besproken voorbeelden met andere woorden daadwerkelijk vals spel, of moeten we commerciële of politieke agenda’s achter spelelementen in onze cultuur óók zien als vormen van spel?

Zelfs als dat zo is, dan mogen we het best oneens zijn met de wijze waarop het spel wordt gespeeld – of we worden béspeeld. Soms is spelbreken wél een optie. ”

I am text block. Click edit button to change this text. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.