Stephen Fry beschrijft de levens van Griekse goden als de perikelen van een dysfunctionele familie, vindt Abdelkader Benali

Stephen Fry
Mythos. De Griekse mythen herverteld

Pareltje is Amor en Psyche, met echo’s van Monty Python en Shakespeare

T oen mijn vrouw, Saida, en ik in het huwelijksbootje stapten, besloten we de trouwdag op te luisteren met traditionele Marokkaanse muziek. Een bont gezelschap van in geitehuiden geklede artiesten speelde op houten fluiten de hoge, nasale tonen van het Rif-gebergte, waar de wortels van onze voorouders liggen.

Deze van oorsprong herdersmuziek werd in de jaren zeventig door de Rolling Stones bij een van bezoeken aan de havenstad Tanger ontdekt. De opzwepende, hypnotiserende tonen trok ze aan. Bandlid Brian Jones raakte onder de indruk van de trance-achtige muziek en maakte er een plaatopname van die bekend werd als de Master Musicians of Joujouka.

De Amerikaanse schrijver William Burroughs bracht de opvallende verschijning van de artiesten als half-mens en half-geit in verband met de cultusverering van Pan bij de oude Romeinen. Pan was een echte vruchtbaarheidsgod; de opgewekte herder ging vergezeld van een fluit, vermaakte zichzelf en anderen en waar schone dames lonkten, sloeg hij zijn slag.

Ik wil best geloven dat voor de komst van de islam deze oude, heidense riten ook in Noord-Afrika bestonden. Het Romeinse imperium, erfgenaam van de Griekse beschaving, had ook handelsposten in Mauretania (huidig Noord-Afrika). Een van de grote mythenverzamelaars, Apuleius, was een Berber en kwam uit dit gebied. Aan hem hebben we het prachtige verhaal van Amor en Psyche te danken. Uit de Levant (nu Libanon) kwamen de mythische goden mee, zoals Afrodite. De gedachte dat mijn islamitische familie en schoonfamilie hadden gedanst op de heidense muziek van Pan bezorgde me een glimlach.

Een goede ondertitel van Stephen Fry’s ‘Mythos’ zou ‘Familieperikelen’ zijn. Na ons ingeleid te hebben in ontstaansgeschiedenis van het Griekse universum, begint Fry aan een kroniek van een paar honderd pagina’s waarin gezinsuitbreiding op gezinsuitbreiding volgt. En zoals in elke dysfunctionele, grote familie staat iedereen elkaar naar het leven. En liefde komt met een prijs. Die duizelingwekkende verwikkelingen noden tot langzamer lezen, ook omdat elke god of halfgod die zich toegang verschaft tot de Olympus, een oorsprongsverhaal heeft dat verklaart waarom we de landbouw hebben, sommige eilanden vervloekt zijn of Europa naar een Libanese prinses is vernoemd.

Het zijn opvallend vaak de verheven goden die zich niet van hun beste kant laten zien. Daarnaast kan de Griekse god wel almachtig zijn, als het op relaties aankomt laat hij of zij heel veel steekjes vallen. Hooggestemde idealen moeten vechten tegen lage instincten. Vooral Zeus – de oermacho – heeft er een handje van om alle ethiek aan zijn laars te lappen wanneer het gaat om zijn zucht naar onmiddellijke bevrediging. Hij is mister #Metoo.

Fry wil de verhalen vertellen zonder oordeel te vellen. Hij dekt zich aan het begin in door niet te willen pretenderen een academicus te zijn. Dat is valse bescheidenheid. Hij is uitstekend geschikt voor deze taak omdat hij een geboren verhalenverteller is. Meer dan in de Nederlandstalige wereld, zijn de mythen in de Angelsaksische wereld gepopulariseerd door hervertellingen voor een breed publiek. Dat de Grieken bij ons geassocieerd worden met het elitaire gymnasium heeft de verhalen bij ons weggehouden en dat is jammer. Dit boek kan hier goed werk verrichten.

Deze mythes vertellen dat de wereld waarin we leven op vele manieren tot stand is gekomen. Onze werkelijkheid is er een van oneindige verscheidenheid. Daarom is dit boek geen goedkope fantasy, maar blijf je erin doorlezen. Want we leven nu op een bepaalde manier weer in Griekse tijden, waarin we moet leren omgaan met heel veel soorten mensen met verschillende talenten. In die kruisbestuiving ontstaan nieuwe manieren van denken en doen. De mythen laten zien hoe families en volkeren continu in staat van verandering verkeren.

Fry vertelt mooi over Hermafroditus, kind van Hermes en Afrodite, die beide geslachtskenmerken draagt. In een voetnoot onthult Fry dat Britse musea beelden van Hermafroditus tot kort geleden verborgen hielden. Het publieke oog was niet klaar voor de gedachte dat mensen man noch vrouw zijn. De Griekse goden waren vele malen progressiever dan wij zijn.

De oneindige charme van deze mythen is welke originele vondsten de verhalenvertellers uit de hoge hoed wisten te toveren om alles te verklaren; van aardbevingen tot de oorsprong van Tijd, van jaloezie tot het beroep van smid. En hun kracht is dat ze het ontzettend goed lukt om die wereld aan de hand van verhalen diepe inhoud te geven. We weten inmiddels dat het graan niet door Demeter – de godin van de vruchtbaarheid – omhoog wordt geduwd, maar wat blijft is de magie van de vertelling.

Fry vertelt hoe wij mensen door de schrandere Prometheus het vuur kregen – letterlijk de vonk van onze beschaving . Zeus verveelde zich en kwam op het idee om kleiachtige wezens te maken. Het was Prometheus die ze het vuur bracht zodat de mens de goddelijke vonk zelf kon vooroorzaken. Er zit een impliciete geschiedenisles in dit verhaal verstopt, over hoe de domesticatie van het vuur, het ijzersmeden en daarop gebaseerde culturen tot ontwikkeling kwamen. Vooral wanneer Fry uitgebreid de tijd neemt om te vertellen, gebruikmakend van alle moderne verteltechnieken, komen de goden tot hun recht. Pareltje is het verhaal van Cupido en Psyche, waarin echo’s van Shakespeare en Monty Python in doorklinken.

Fry schroomt niet om bruggetjes te maken naar de hedendaagse beschaving. Wat hij niet kwijt kan in het verhaal, wordt met een voetnoot bijgelicht, en die zijn op z’n minst interessant. Zo wist ik niet dat zowel Bosporus, Oxford, Ossendrecht als Coevorden één en hetzelfde woord zijn voor runderoversteekplaats.

Aan het einde van het boek relativeert Fry de Griekse wereld: ook die was verre van perfect. Dat is een overbodige toevoeging, wellicht ingefluisterd door een overijverige redacteur die bang is dat het boek wordt begrepen als bescherming van de superieure, westerse cultuur. Het had van mij niet gehoeven. Wie de verhalen leest, beseft al snel dat er niet zoiets bestaat als een superieure beschaving. Wel was er een beschaving waarin geen perfecte goden bestonden – ze waren net zo zoekende als de mensen zelf. De Griekse Goden waanden zich superieur, maar wanneer hun emoties de overhand kregen, waren ze niet veel beter dan een dysfunctionele familie in een oververhitte soap.

Hun kwetsbaarheid is me heilig.

Griekse mythologie

Stephen fry

De ziel Carolien van Welij

filosoof, neerlandicus

Is de ziel ons diepste gevoel of een rationeel zelf? Grote denkers en schrijvers over de kern van de mens.

 

Homerus (800-750 v.Chr.)

Wat gebeurt er met ons na de dood? Homerus’ begrip ‘psyche’ in de Ilias en de Odyssee is een antwoord op die vraag. Bij de dood scheiden lichaam (soma) en ziel (psyche) zich van elkaar. Psyche betekent ‘adem’ of ‘levensadem’ en kun je ook vertalen met ‘leven’. Bij de dood verlaat de psyche het lichaam als een uitademing. Deze ziel is een schaduwziel: een schaduw van het zelf, een soort dubbelganger van de overledene, die naar het dodenrijk van Hades reist. Voor Homerus hoort de ziel niet bij het leven, maar manifesteert die zich pas na de dood. 

Als Odysseus tijdens zijn reis de onderwereld binnenkomt, ontmoet hij de schaduw van zijn moeder. Hij probeert haar te omarmen, maar dat lukt niet. Zij vertelt hem dat bij de dood de pezen niet meer ‘het vlees en gebeente’ vasthouden: ‘zodra het leven de witte beenderen verlaat’ vliegt de ziel weg ‘als een droom en fladdert in ‘t rond.’

 

 

 

 

ZIEL en God Hoog in de Noorse bergen zoeken naar de ziel
 
Hoog in de Noorse bergen zoeken naar de ziel
 
innerlijk – Met de ontkerkelijking lijkt ook het begrip ‘de ziel’ uit onze cultuur verdwenen. Eeuwig zonde, vindt de Noorse cultuurhistoricus Ole Martin Høystad.
LEONIE BREEBAART
 
Zes jaar lang zat Ole Martin Høystad (1947) in een Noorse berghut te studeren op Aristoteles en Augustinus, Montaigne en Kierkegaard, Dante en Freud – om maar een paar pleisterplaatsen te noemen in zijn uitgebreide, net in het Nederlands vertaalde cultuurgeschiedenis van de ziel. Doel van zijn monnikenwerk: het ongrijpbaarste begrip in de westerse cultuur doorgronden. Wat is de ziel? Hoe kan ze onsterfelijk zijn? En als ze dat niet is, hebben we haar dan nog nodig?
 
Vooral die laatste vraag houdt Høystad bezig. Want hoewel onze taal met woorden als ‘zielsgelukkig’, ‘zielsverwant’ en ‘iemand op de ziel trappen’ nog herinnert aan het belang dat we ooit aan onze ziel hechtten, hoor je weinig mensen meer praten over hun zielenheil. Ook niet in de kerk? Volgens Høystad niet. “Moderne christenen zien de ziel ook als probleem – het is een taboeonderwerp. Ze associëren het onmiddellijk met hel en verdoemenis. De hel heeft de ziel in verlegenheid gebracht.”
 
De vriendelijke Noorse emeritus hoogleraar, die al eerder een succesvolle cultuurgeschiedenis van het hart schreef, is op bezoek bij zijn Nederlandse uitgever en blikt tevreden naar de fraaie Nederlandse uitgave van zijn boek. Hét antwoord op de vraag wat de ziel is, kan hij daarin niet leveren. Zes jaar studie overtuigden hem er wél van dat de Europese mens in het woord ‘ziel’ heeft uitgedrukt wat het betekent om mens te zijn. En dat is niet steeds hetzelfde geweest.
 
Ook naar het boeddhisme en naar de islam maakt Høystad overigens een uitstapje, maar hij concentreert zich op de westerse traditie – met regelmatige verwijzing naar moderne fenomenen als Harry Potter en islamitisch terrorisme. “Ik hoop dat ik het begrijpelijk heb opgeschreven. Want de ziel gaat iedereen aan.”
 
U noemt de Middeleeuwen als onbetwist hoogtepunt in de geschiedenis van de ziel. Dat is ook de tijd dat christenen doodsbang waren in de hel te komen.
 
“Het christendom is over de ziel heel dubbel. Voor je zielenheil moet je tijdens je leven zorgen, maar tegelijkertijd is de ziel onsterfelijk. Dat laatste is voor moderne mensen moeilijk te begrijpen, net zoals we ons de hel en het paradijs lastig kunnen voorstellen. Maar het interessante is, dat de ziel zulke scepsis, die in de Renaissance al opkomt, overleeft. Als het bovennatuurlijke minder belangrijk wordt, wordt werken aan je ziel iets wat je voor dít leven doet.
 
“Je ziet dat duidelijk bij de Franse essayist Montaigne. Hij zet zich af tegen de Middeleeuwen. Hij is een echte scepticus, maar wel een constructieve scepticus: hij wil uitvinden hoe het zit! En bij dat onderzoek gebruikt hij zichzelf als voorbeeld. Zo ontdekt hij al schrijvend dat hij een complex innerlijk heeft, bestaande uit dromen, verlav ngens, gevoelens. De ziel blijkt ongrijpbaar. Maar toch: we wéten dat we een lichaam hebben, we wéten dat we kunnen denken. Maar er zit iets tussenin: onze gevoelens en onze wil. Dat is ons innerlijk. Om dat te kunnen hanteren hebben we een concept nodig en dat is de ziel. Voor Montaigne is de ziel iets dynamisch, dat je lezend en schrijvend kunt ontwikkelen.”
 
Met die humanistische houding maakte Montaigne ook een einde aan het zondebesef waarmee Augustinus de christelijke ziel had opgezadeld. Begeerte maakt de mens tot dier, de ziel moest steeds vechten tegen zulke duivelse machten.
 
“Dat staat ook in de Bijbel natuurlijk. Maar het idee dat het lot van onze ziel op het spel staat, dat heeft Augustinus inderdaad op de kaart gezet. Ik vind dat niet negatief: Augustinus is groots, echt groots. Hij is zo eerlijk over zijn innerlijk leven. Met zijn talent zichzelf te doorgronden, zijn psychologische methode, was hij zijn tijd ver vooruit. Pas in de hoge Middeleeuwen wordt die aandacht voor het innerlijk leven weer opgepakt. Ze leidt niet alleen tot zondebesef, maar ook tot de cultuur van het hart, van de minnezangen, de riddercultuur, de romantische liefde. Het hart wordt de plek waar de ziel zetelt.”
 
En daar begint het gedonder – en de twijfel. Als de ziel bestaat, moet ze ook ergens zetelen of zitten. En dat valt natuurlijk nooit te bewijzen.
 
“Het probleem was eerst vooral wáár de ziel zat. Anders dan de christenen, dacht Leonardo da Vinci dat ze in de hersenen zat – en niet in het hart, dat volgens deze renaissancemens niet kon denken. Dat was een cruciaal verschil. En omdat dit ook het tijdperk was van anatomische experimenten, werd in de hersenen ook naar die ziel gezocht. Nederland stond bekend om zulke snij-exercities. En Descartes, grondlegger van de moderne wijsbegeerte, deed daar aan mee, hij wist er ook veel vanaf. Als de ziel ergens zat, concludeerde hij, dan moest ze zitten in de pijnappelklier, die lichaam en bewustzijn verbindt. Dat was natuurlijk heel ketters. Maar ook fataal voor de ziel, omdat die nu verbonden raakte met het denken.”
 
Waarom fataal?
 
“Als de ziel net zoiets is als denken, dan kun je haar gewoon opheffen. Je hebt het concept niet meer nodig. Geloof in de ziel wordt na de Renaissance, vooral na de aanvallen van Hobbes, Locke en Hume dan ook gereduceerd tot een religieus concept. Ze is een kwestie van geloof – iets voor christenen. Zo zien veel mensen het nog steeds. Laatst vertelde ik de Duitse filosoof Gernot Böhme dat ik bezig was met een boek over de ziel. ‘Oh, dat christelijke idee?’ zei hij meteen. Dat is typerend. Natuurlijk is de ziel een religieus concept, maar niet alléén religieus. Dat wil ik eigenlijk zeggen.”
 
Beschouwt u zichzelf als christelijk?
 
“Meer als cultuurchristen. Noren zijn erg pragmatisch en realistisch – het land is sterk geseculariseerd. We volgen de feesten en rituelen, en natuurlijk heeft het christendom ons wel gevormd, maar eigenlijk is de natuur onze kathedraal. Dat geldt voor mij ook: mijn kerk zijn de bergen. Daar zoek ik de eenzaamheid op, waar ik kan lezen en schrijven.”
 
Net zoals Montaigne zich terugtrok in zijn toren om essays te schrijven. Maar hoe ging dat verder ná Descartes en Montaigne? Keerden de grote filosofen zich nu massaal van de ziel af?
 
“Integendeel, zelfs de grote verlichtingsdenker Immanuel Kant probeerde de ziel te redden, al was dat lastig binnen zijn universalistische denken. Want de ziel is juist iets heel individueels. Pas in de Romantiek krijgt de ziel weer écht de hoofdrol. Bijvoorbeeld in Goethe’s toneelstuk ‘Faust’, waarin de hoofdpersoon zijn ziel verkoopt aan de duivel. Tenslotte redt hij zijn ziel toch weer door zijn liefde voor Gretchen. In de Romantiek ligt de nadruk opnieuw op ons innerlijk leven. Denk ook aan de romans van Jane Austen. Die hebben onze ideeën over liefde en individualisme gevormd. Volg je hart, want daar is ook de ziel.”
 
Dat klinkt erg individualistisch. U beklemtoont in uw boek juist dat we onze ziel alleen kunnen redden als we oog houden voor anderen – in wie je eventueel God kunt herkennen.
 
“Daarom eindig ik met Hannah Arendts beschrijving van Adolf Eichmann, de architect van de Holocaust. Eichmann is hét voorbeeld van een man zonder ziel. Hij dacht wel na, maar liet zich niet raken door het lot van anderen. Het schijnt dat hij bij de veewagons die zijn slachtoffers naar de vernietiging reden op zeker moment een blik van een van hen dreigde op te vangen – en toen snel weg stapte. Had hij dus toch een ziel? Hij had de mogelijkheid ertoe, zoals wij allemaal. Hij koos ervoor die niet te ontwikkelen. Hij was alleen maar oppervlakte.”
 
Aan je ziel of je innerlijk kun je dus werken. Maar wat helpt ons daarbij?
 
“We hebben symbolen nodig om ons aan ons innerlijk te herinneren.
Tegenwoordig zoeken we die vaak bij andere spirituele tradities, oosterse bijvoorbeeld. Maar kunst of de natuur kunnen ook symbolen verschaffen. Ze herinneren ons eraan dat we talige wezens zijn. Het is de vraag wat we daarmee doen. Hoe drukken we ons innerlijk uit?”
 
Dat is ook de vraag van Wittgenstein, een filosoof die de ziel volgens u kan bevrijden uit het traditionele idee dat ze objectief bestaat of aangeboren is.
 
“Wittgenstein ontdekte dat de grenzen van onze werkelijkheid de grenzen zijn van onze taal. Dat was een echte filosofische revolutie. Als we iets nieuws ontdekken, schrijft Wittgenstein, is dat omdat we er een woord voor hebben – of een mathematische formule, want dat is ook een soort taal. Sommige mensen vinden dat je de ziel reducevert, als je haar terugbrengt tot een concept. Maar wat zijn wij mensen als we niet onze woorden zijn? Denk het woord ‘ziel’ weg uit onze cultuur en je denkt de mens weg. We ervaren nu eenmaal iets dat we niet terug kunnen brengen tot verstand of tot psyche. Iets als integriteit en de mogelijkheid daarin gekwetst te worden. Dat iets, dat noemen we de ziel.”
 
Ole Martin Høystad: ‘De ziel. Een cultuurgeschiedenis.’ Vertaald door Wouter de Jong. Uitgeverij Athenaeum, Polak & Van Gennep, Amsterdam; 525 blz. €29,99
Van Dale:
Ziel (meervoud: zielen) 1: het niet-stoffelijk gedeelte vanwaaruit de mens leeft; (religie) onsterfelijk deel van de mens.
 
Ter ziele gaan (a) sterven; (b) ophouden te bestaan.
 
God hebbe zijn ziel; gezegd van een overledene.
 
Met zijn ziel onder zijn arm lopen; doelloos en zich vervelend.
 
Zich met hart en ziel aan iets wijden; met zijn hele wezen.
 
Iemand op zijn ziel trappen; hem krenken, beledigen.
 
2: persoon, mens.
 
Hoe meer zielen hoe meer vreugd; hoe meer gasten hoe prettiger. Zieltjes winnen; bekeerlingen maken.

Godhelm

Bezoekers van Lowlands kregen een ‘godhelm’ op waardoor ze bovennatuurlijke ervaringen zouden krijgen en die kregen ze ook. Over deze helm van neurowetenschapper David Maij schreef Willem Schoonen op 26 maart in Trouw. Die helm is nep, een variant op de placebo, en we weten inmiddels hoe goed de placebo kan werken.

Maij wil weten waarom mensen geloven. Mensen zien overal bedoelingen, en dat biedt een evolutionair voordeel, met toeval valt namelijk slecht te leven. Maar dat verklaart nog niet de neiging tot geloven.

Het brein heeft verwachtingen, zegt Maij, die verwachtingen komen niet uit, soms stelt het brein de verwachtingen dan niet bij en daar ontstaat ruimte voor ‘bovennatuurlijke’ ervaringen.

Maar hoe ontstaan die verwachtingen? Door taal. Mensen zijn talige wezens en hebben toegang tot de werkelijkheid door taal en andere tekens. Het vermogen te geloven is een neveneffect van het gebruik van taal. Het woord verleidt ons.

28-03-2018
Zes aforismen van Nietzsche die je gelezen moet hebben
Paul van Tongeren, filosoof, hoogleraar

We vroegen Nietzsche-kenner Paul van Tongeren om zijn favoriete aforismen te kiezen uit Nietzsche’s ‘De vrolijke wetenschap’. Na wikken en wegen zijn dit de zes waar hij op uit kwam.
Het is voor een Nietzsche-kenner als Paul van Tongeren eigenlijk een onmogelijke vraag: wat zijn nou de aforismen uit ‘De vrolijke wetenschap’ die je echt nooit zou willen missen? In de nieuwe, nu al bejubelde vertaling van de vorig jaar overleden vertaler Hans Driessen, geeft Van Tongeren in een nawoord wenken bij het lezen van de aforistische boeken van Nietzsche. Aforismen zijn korte uitspraken of gedachten. Nietzsche bracht zijn aforismen bijeen in boeken, zonder het onderlinge verband uit te leggen.
De lezer zoekt onvermijdelijk een verband dat hem of haar houvast geeft. ‘Lezen’ betekent immers ‘verzamelen’ en ‘ordenen’, schijft Van Tongeren in het nawoord. ‘Nietzsches teksten maken het extreem moeilijk een dergelijk verband te vinden en confronteren ons juist daardoor met onze behoefte eraan. Die behoefte aan houvast staat tegenover het avontuur van de denker die zich op een volstrekt open zee of in een duister labyrint waagt.’
Welk verband de lezer ook aanbrengt, het mag volgens Van Tongeren niet de aandacht afleiden van de kwaliteit van de afzonderlijke teksten. Want ook als de aforismen niet in enige lijn of constructie passen, bevatten ze bijna zonder uitzondering prachtige observaties of gedachten.
Lees hieronder zes voorbeelden die Paul van Tongeren persoonlijk het meest dierbaar zijn – over vriendschap die voorbij is, over wat we van kunstenaars kunnen leren, over de overeenkomsten tussen de menselijke wil en de golven in een branding; en geef je over aan Nietzsche’s experiment. ‘Als Nietzsche gelijk had toen hij schreef dat hij met zijn teksten over het nihilisme de geschiedenis van de komende tweehonderd jaar beschreef, dan toont hij hier de conditie waarin wij ons bevinden. In hoeverre verdraagt de waarheid het dat ze vlees en bloed wordt? Dat is de vraag, dat is het experiment.’

[279] Sterrenvriendschap
We zijn vrienden geweest en van elkaar vervreemd geraakt. Maar
dat is goed zo, en laten we er geen geheim van maken en het
niet wegstoppen alsof we ons ervoor zouden moeten schamen.
We zijn twee schepen waarvan elk zijn eigen bestemming heeft
en zijn koers ernaartoe; we kunnen elkaar wel kruisen en samen
feesten, zoals we ook hebben gedaan – en toen lagen die goede
schepen zo rustig in één haven en in één zon, dat het was alsof
ze hun bestemming al hadden bereikt en één bestemming hadden
gehad. Maar vervolgens dreef de oppermachtige kracht van
onze opdracht ons weer uiteen, naar verschillende zeeën en zonnestreken,
en wellicht zien we elkaar nooit meer terug – of we
zien elkaar wel terug, maar herkennen elkaar niet meer: de verschillende
zeeën en zonnen hebben ons veranderd! Dat we
vreemden voor elkaar moeten worden, is de wet die over ons regeert:
juist daardoor moeten we meer respect voor elkaar krijgen!
Juist daardoor moet de gedachte aan onze vroegere vriendschap
heiliger worden! Wie weet bestaat er een kolossale,
onzichtbare boog en sterrenbaan waarin onze zo uiteenlopende
wegen en bestemmingen als kleine trajecten zijn opgenomen
laten we ons tot deze gedachte verheffen! Maar ons leven is te
kort en ons gezichtsvermogen te gering om meer te kunnen zijn
dan vrienden in de zin van die verheven mogelijkheid. – Laten
we dus in onze sterrenvriendschap geloven, zelfs als we elkaars
|aardse vijanden zouden moeten zijn.

[299] Wat men van de kunstenaars moet leren
Over welke middelen beschikken we om de dingen mooi, aantrekkelijk
en begerenswaardig voor ons te maken als ze dat niet
zijn? – en ik denk dat ze het op zichzelf nooit zijn! Op dit gebied
kunnen we iets leren van de artsen, die bijvoorbeeld het bittere
verdunnen of wijn en suiker in de mengkroes doen, maar meer
nog van de kunstenaars, die er eigenlijk altijd op uit zijn zulke
uitvindingen en kunststukken te verrichten. Zich van de dingen
verwijderen totdat men veel ervan niet meer ziet en er veel bij
moet denken om ze nog te zien – of de dingen vanuit een hoekje
beloeren of als het ware in een uitsnede zien – of ze zo neerzetten
dat ze zich gedeeltelijk anders voordoen en alleen perspectivische
doorkijkjes bieden – of ze bekijken door gekleurd glas of
in het licht van het avondrood – of ze een oppervlak en een huid
geven die niet helemaal transparant is: dat alles moeten we van
de kunstenaars leren en voor het overige moeten we wijzer zijn
dan zij. Want bij hen houdt dit subtiel vermogen gewoonlijk op
wanneer de kunst ophoudt en het leven begint, maar wij willen
de dichters van ons leven zijn, te beginnen met het kleinste en
meest alledaagse.

[310] Wil en golf
Hoe gulzig komt deze golf aanrollen, alsof er iets te bereiken
viel! Hoe kruipt ze met vervaarlijke haast de binnenste hoeken
van rotsachtige spleten in! Het lijkt wel alsof ze iemand vóór wil
zijn; het lijkt wel alsof daar iets van waarde, grote waarde is verstopt.
– En nu komt ze terug, iets trager, nog helemaal wit van|
opwinding, – is ze teleurgesteld? Heeft ze gevonden wat ze
zocht? Veinst ze teleurstelling? – Maar spoedig nadert een andere
golf, nog gulziger en wilder dan de eerste, en ook haar ziel
lijkt vol geheimen te zijn en belust op het graven naar schatten.
Zo leven de golven – zo leven wij, de willenden! – meer zeg ik
niet. – Wat? Jullie wantrouwen mij? Jullie zijn boos op mij,
mooie ondieren die je bent? Zijn jullie bang dat ik je geheim
volledig verraad? Best! Wees maar boos op me, richt jullie
groene, gevaarlijke lijven maar op, zo hoog als je kunt, bouw
|maar een muur tussen mij en de zon – zoals nu! Heus, van de
wereld is al niets meer over dan groene schemer en groene bliksemschichten.
Doe maar wat je wilt, jullie overmoedigen, brul
maar van wellust en boosheid – duik maar weer onder, werp jullie
smaragden maar weg, de diepste diepte in, schud jullie eindeloze
witte lokken van schuim en gebruis erover uit – ik vind|het allemaal best, want alles staat jullie zo goed en ik ben jullie in|alles zo goed gezind: waarom zou ik jullie verraden! Want –
luister goed! – ik ken jullie en je geheim, ik ken jullie soort!
Jullie en ik, wij stammen immers van één soort! – Jullie en ik,
wij delen immers één geheim! 

[312] Mijn hond
Ik heb mijn pijn een naam gegeven en noem hem ‘hond’, – hij is
net zo trouw, net zo opdringerig en schaamteloos, net zo onderhoudend,
net zo slim als elke andere hond – en ik kan hem
toesnauwen en mijn slechte buien op hem afreageren: zoals anderen
met hun honden, bedienden en vrouwen doen. 

[378] ‘En worden weer helder’
Wij die vrijgevig en geestrijk zijn, wij die als open waterputten
langs de straat liggen en het niemand willen verbieden dat hij
uit ons put: wij zijn helaas niet in staat ons te verzetten, als we
het zouden willen, we kunnen met geen mogelijkheid verhinderen
dat men ons troebel maakt, duister maakt – dat de tijd
waarin we leven zijn ‘meest aan tijd gebonden dingen’, dat zijn
vuile vogels hun uitwerpselen, jongens hun rommel en uitgeputte,
bij ons uitrustende wandelaars hun klein en groot leed
in ons smijten. Maar we zullen het doen zoals we altijd hebben
gedaan: we sleuren wat ze maar in ons smijten mee onze diepte
in – wij zijn immers diep, we vergeten niet – en worden weer helder… 

[380] ‘De wandelaar’ spreekt
|Om onze Europese moraliteit eens van een afstand te bezien,
om haar af te zetten tegen andere, vroegere of toekomstige moraliteiten,
daarvoor moet je doen wat een wandelaar doet die wil
weten hoe hoog de torens van een stad zijn: daarvoor gaat hij
weg uit die stad. Indien ‘gedachten over morele vooroordelen’
geen vooroordelen over vooroordelen willen zijn, gaan ze uit
van een plaats buiten de moraal, een plaats voorbij goed en
kwaad, waarnaar je moet klimmen, klauteren of vliegen – en in
het huidige geval, op zijn minst een plaats voorbij ons goed en
kwaad, een vrij-zijn van elk ‘Europa’, dat laatste opgevat als een
optelsom van commanderende waardeoordelen, die in ons vlees
en bloed zijn gaan zitten. Dat je juist die kant op, dáár naar
boven wilt, mag dan misschien een kleine onbesuisdheid zijn,
een zonderling, onredelijk ‘gij zult’ – want ook wij kennenden
hebben onze idiosyncrasieën van de ‘onvrije wil’ –; de vraag is
of je daar naar boven kunt. Dat kan afhangen van talrijke omstandigheden,
maar in hoofdzaak is het de vraag hoe licht of
zwaar we zijn, met andere woorden: het probleem van ons ‘soortelijk
gewicht’. Men moet heel licht zijn om de wil tot kennis zo
ver te voeren en als het ware boven zijn tijd uit te jagen, om zichzelf
|ogen te geven die millennia kunnen overzien – en in deze
|ogen ook nog een heldere hemel! Men moet zich hebben losgemaakt
van veel dingen die ons Europeanen-van-nu terneerdrukken,
hinderen, tegen de grond houden en zwaar maken. De
mens van zo’n andere wereld die de hoogste maatstaven van
zijn tijd zelf in het oog wil krijgen, moet daarvoor in de eerste
plaats deze tijd in zichzelf ‘overwinnen’ – het is zijn krachtproef
– en dus niet alleen zijn tijd, maar ook zijn tot nu toe geldende
weerzin van en oppositie tegen deze tijd, zijn lijden aan deze
tijd, zijn oneigentijdsheid, zijn romantiek…