Waarom de wetenschap terug moet in haar hok

Voorpublicatie: waarheidsvinding

ILLUSTRATIE CLAUDIE DE CLEEN
Wetenschap heeft de westerse wereld groot gemaakt. Toch kunnen we, betoogt Rosanne Hertzberger, ook te veel op de wetenschap vertrouwen.

ROSANNE HERTZBERGER: HET GROTE NIETS – WAAROM WE TE VEEL VERTROUWEN HEBBEN IN DE WETENSCHAP

Als ik bij een lezing of ander optreden mag kiezen tussen mezelf presenteren als wetenschapper of NRC Handelsblad-columnist, kies ik vaak voor wetenschapper. Dat is strategisch handig, daarmee heeft het publiek wat meer vertrouwen in mij. Ons vertrouwen in wetenschappers is namelijk hoog.

Volgens een driejaarlijks rapport van het Nederlandse Rathenau Instituut (2018) krijgt het vertrouwen een 7,1. Bijna vier op de vijf Nederlanders denken dat wetenschappers zorgvuldig werken, deskundig onderzoek uitvoeren en te vertrouwen zijn. Twee op de drie Nederlanders denken dat wetenschappers objectief zijn en onafhankelijk werken. Minder dan een kwart van de gepeilde Nederlanders denkt dat wetenschappers onderzoek aanpassen om de antwoorden te krijgen die ze willen hebben. Nederlanders hebben meer vertrouwen in de wetenschap dan in elk ander instituut dat van oudsher enige autoriteit uitoefende: de pers, de vakbonden, het parlement, de regering en de rechtspraak.

Sinds 2018 zijn in Nederland de mensen die zichzelf tot een religieuze stroming rekenen in de minderheid. Dat is voor het eerst. En wat is ervoor in de plaats gekomen? Wie laten we nu bepalen wat waar is, of goed, of verstandig? Voor een groeiende groep mensen is dat de wetenschap.

Op het eerste gezicht lijkt dat een positieve ontwikkeling: als iets een betrouwbare bron van kennis is, is het de empirische wetenschap wel (de tak van wetenschap die experimenten uitvoert). Wetenschap heeft de westerse wereld groot gemaakt.

Toch kunnen we ook te veel vertrouwen op de wetenschap. De wetenschappelijke methode is het krachtigste gereedschap dat we hebben om tot kennis te komen, maar tegelijkertijd wordt het gebruikt door een wezen, Homo sapiens, dat nog steeds buitengewoon irrationeel is. En de methode is ook kwetsbaar, en kan eenvoudig misbruikt worden. De wetenschap is buitengewoon flexibel en kun je alles laten zeggen wat je wilt. Je kunt resultaten uit bewerkelijke experimenten inzetten om jouw gelijk te bewijzen. Je kunt met behulp van slecht gecontroleerde misleidende studies jouw nogal irrationele overtuigingen of je hobby of leefwijze tot wetenschappelijk verantwoord verklaren. Wetenschap kan ook als buikspreekpop fungeren.

En precies dat is zorgwekkend.

Ik zie een nieuwe generatie van westerse seculiere beleidsmakers, politici, bestuurders, denkers, schrijvers, ondernemers en leiders die wetenschap niet meer zien als gereedschap om kennis te genereren, maar als een nieuwe onfeilbare autoriteit; een alwetende rechter die oordeelt over goed en kwaad. Net als alle generaties die hun voorgingen hebben zij hun eigen ‘waarom’-vragen, maar geen God, geloof, of ideologie meer die die voor hen kan beantwoorden. Wetenschap moet die lacune opvullen en de vragen beantwoorden: waarom we eten wat we eten, waarom we onze kinderen opvoeden zoals we ze opvoeden, waarom we sporten zoals we sporten, waarom we leven hoe we leven. Iets is niet meer goed, deugdzaam, fijn, lekker, rechtvaardig, of moreel juist, maar ‘gezond’, ‘duurzaam’ of ‘veilig’.

In dat grote vertrouwen in de wetenschap zie ik ook nihilisme. Wetenschap is het favoriete gereedschap van de moderne nihilist, want met wetenschap in de hand kun je jouw – nog steeds behoorlijk toevallige – keuzes tot ‘evidence-based’ verklaren en dus superieur aan al het andere.

Het vertrouwen in wetenschap is een groot goed. Dat zeg ik als wetenschapper. En toch vind ik het hedendaags vertrouwen in de wetenschap vaak disproportioneel en het gebruik ervan misplaatst.

Het gaat mis op twee punten. Ten eerste is de wetenschap in theorie foolproof, maar in de praktijk bijzonder gevoelig voor manipulatie, fraude en ander misbruik, zeker wanneer het over populaire onderwerpen gaat als onderwijs, voedsel, sport en mindfulness.

Maar er is nog iets: de moderne, atheïstische westerling overschat zichzelf. De nieuwe mens lijkt er volstrekt van overtuigd dat hij de eerste is die rationeel, helder – dankzij wetenschap – de waarheid kent. In werkelijkheid hebben we nog steeds last van dezelfde vertroebelingen van de geest waar onze verre gelovige voorvaderen ook aan leden. Bij het onderzoek naar mindfulness bijvoorbeeld zijn eigenlijk alle risicofactoren voor slecht onderzoek aanwezig: een onderwerp met een enorm placebo-effect, een heleboel slecht gecontroleerde studies, een hoog ‘hype’-gehalte. Het is een recept voor mislukkingen.

De afgelopen jaren komen er steeds meer papers aan het licht waarvan de conclusies, na het herhalen van de experimenten, geen stand houden. Het zijn de eerste signalen van een crisis, een reproduceerbaarheidscrisis. Die reproduceerbaarheid is een van de eigenschappen van robuuste wetenschap. Wanneer een ander, een onafhankelijk lab of onafhankelijke onderzoeksgroep, dezelfde experimenten uitvoert of dezelfde analyse doet dan moeten daar dezelfde resultaten uitkomen. Maar bij een grote replicatiepoging van een aantal prestigieuze studies uit het kankeronderzoek bleek een flink aantal ervan volstrekt andere resultaten of resultaten die niet te interpreteren waren op te leveren. Er zijn nu dertien papers waarvan de experimenten door onafhankelijke laboratoria werden herhaald. Van vijf studies bleken de resultaten volstrekt anders of niet te interpreteren.

Om wetenschap zo scherp en effectief mogelijk te krijgen hebben we hervormingen nodig in de manier waarop we wetenschap beoefenen. De kwaliteitscontrole concentreert zich nu voornamelijk op het beoordelen van elkaars werk (peer review) maar die nadruk zou in de toekomst moeten verschuiven naar replicatie. Iets zou pas geloofwaardig moeten zijn als het in meerdere labs en door meerdere onderzoeksgroepen gevonden is. We zouden de incentives, de belangen van wetenschappers, moeten verleggen van publiceren naar gedegen wetenschap. We zouden meer moeten samenwerken en minder concurreren, en de transparantie moet omhoog.

Maar het liefst zou ik ook graag iets willen veranderen aan de plek die wetenschap inneemt in onze maatschappij en in onze levens. We zouden de wetenschap terug in haar hok moeten sturen. Naar de plek waar zij van waarde is: bij het genereren van kennis en het testen van hypothesen.

Een hoop van de bewijslast moet overboord. De wetenschap hoort hooguit op de achtergrond te zoemen, bij onze publieke debatten, figurant te zijn bij het bestuur van dit land, en bij de inrichting van onze persoonlijke levens. Daarbij kan zelfs de gewone mediterende burger helpen; die zou de wetenschap ook simpelweg met rust kunnen laten en andere bronnen van kennis en geloofwaardigheid kunnen aanboren om zijn mindfulnessbehoeftes mee te legitimeren. Zijn ‘innerlijke kennis’ misschien?

Of hij zou als vanouds weer een goeroe kunnen gaan volgen. Denk aan een influencer, een beroemdheid, een ondernemer of een moderne heilige. Men zou gewoon weer eens wat kunnen proberen te geloven, in plaats van het bewezen willen zien. Het zou van grote zelfkennis getuigen.

DEBAT

Dit is een voorpublicatie uit Het grote niets – Waarom we te veel vertrouwen hebben in de wetenschap van Rosanne Hertzberger dat deze week verschijnt. Hertzberger gaat erover in debat met Trudy Dehue (15 mei in het Academiegebouw, Rijksuniversiteit Groningen om 20.00 uur) en met Wim van Saarloos (KNAW), Victor Hoornweg en Rens Bod (17 mei in de Balie in Amsterdam, 20.00 uur).

NON-FICTIE

Rosanne Hertzberger: Het grote niets – Waarom we te veel vertrouwen hebben in de wetenschap

Prometheus / Nieuw Licht; 96 pagina’s; € 12,99.

I am text block. Click edit button to change this text. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

Op pysychologisch vlak bestaat de vrije wil wel degelijk

CHRISTIAN LIST: WHY FREE WILL IS REAL
Christian List: Why Free Will Is Real

Harvard University Press, € 22,50

Is onze vrije wil een illusie die we graag koesteren, of bestaat hij wel degelijk? Het debat woedt al jaren, niet in de laatste plaats dankzij hersenwetenschapper Dick Swaab (Wij zijn ons brein). Die tracht de mens eloquent zijn illusie te ontnemen, maar de weerstand is stevig. Zo kwam de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett in 2016 naar Nederland om de ‘schurk’ Swaab in een debat de oren te wassen.

In Why Free Will Is Real doet een andere filosoof, de Londense hoogleraar Christian List (1973), een nieuwe poging tot verdediging. Aardig aan zijn essay is dat hij de sceptici uiterst serieus neemt. Zijn centrale stelling is dat de vrije wil zich op een ander, hoger niveau bevindt dan waarop de neurowetenschap kijkt.

Op psychologisch vlak bestaat hij wel degelijk, betoogt List, zeker zo eloquent als Swaab. Hij trekt de vergelijking met de economie – aan de rentestand en werkloosheid als reëel bestaande begrippen twijfelt niemand, ook al is hun band met onderliggende, natuurkundige processen maar beperkt.

Zo is het dus ook met de vrije wil.

Ik ben niet schuldig, ik ben vrij

4/5 mei – Ze overleefde het vernietigingskamp, waar ze danste voor Josef Mengele. De 91-jarige Edith Eva Eger wil vrolijk doodgaan, dankbaar, tevreden. Vandaag in De Tien Geboden een bijzonder gesprek met ‘de ballerina van Auschwitz’.

'Het enige wat ik wilde was niet opvallen, assimileren, altijd, overal. Ik veranderde voortdurend in wie anderen wilden dat ik zou zijn. Tot ik eindigde in het concentratiekamp waar mijn bestaan voorgoed moest worden weggewist'. foto Mark Kohn

‘HET ENIGE WAT IK WILDE WAS NIET OPVALLEN, ASSIMILEREN, ALTIJD, OVERAL. IK VERANDERDE VOORTDUREND IN WIE ANDEREN WILDEN DAT IK ZOU ZIJN. TOT IK EINDIGDE IN HET CONCENTRATIEKAMP WAAR MIJN BESTAAN VOORGOED MOEST WORDEN WEGGEWIST’. FOTO MARK KOHN

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Voor mij is God een beetje zoals Tinkelbel, het elfje uit ‘Peter Pan’: fladderend, fonkelend en happy. Een vrije geest. God was bij mij, in Auschwitz, toen ik voor dokter Mengele moest dansen en hij me als beloning een stuk brood toewierp… en ja, God was er ook toen mijn vader en moeder werden vergast. Geloof me, ik heb mijn vuist naar de hemel gebald, maar één ding is zeker: God heeft mijn ouders niet vermoord. Mensen hebben dat gedaan. En God zorgde er voor dat mijn woede omsloeg in medelijden. Niemand werd geboren om te haten. Ik koos voor liefde, in plaats van haat. Het is de liefde die me heeft gered. Het is de liefde die me in leven houdt.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Als hier ook mee wordt bedoeld dat je niet aan één ding te veel aandacht moet schenken, dan sluit ik me daar helemaal bij aan. Werken, liefhebben, spelen: probeer in alles de balans te bewaren. Word geen workaholic. Wees niet rigide. Blijf flexibel.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Hoe je dit gebod ook vertaalt: vloeken blijft toch een armoedige manier van duidelijk maken dat je ergens op tegen bent. Bij mij speelt het vooral op als ik met onwetendheid wordt geconfronteerd; als mensen gaan beweren dat de Holocaust nooit heeft plaatsgevonden of als iemand roept dat immigranten de welvaart en de veiligheid van Amerika bedreigen. De white supremacy-groep groeit nog elke dag, het fascisme maakt deel uit van de nieuwe werkelijkheid. De vijand staat helemaal niet aan de grens; de vijand is onder ons. Amerika is geen democratie meer, sterker nog: ik zou het eerder een oligarchie willen noemen omdat een kleine groep rijke, witte mensen hier de dienst uitmaakt. Nee, ik ben niet bang – angst en liefde gaan niet samen – maar ik ben wel bezorgd, en als hier een bijeenkomst wordt gehouden voor mensen die in de leugens van Trump en zijn aanhang willen geloven, zal ik van deur tot deur gaan om ervoor te zorgen dat de zaal leeg blijft. Kom vanavond maar naar mij, dan maak ik een heerlijke Hongaarse maaltijd voor jullie klaar.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“O ja, word geen workaholic, dat zei ik eerder hè? Maar mijn werk is mijn roeping. Ik heb heel lang enorm mijn best gedaan om mijn bestaan op aarde te rechtvaardigen – dat is de laatste tijd wel iets minder geworden. Ik heb mezelf toestemming gegeven om te zeggen dat wat ik doe goed genoeg is, dat het oké is om gemiddeld te zijn en in contact te komen met de alledaagsheid van mijn bestaan. Ik hoef het verleden niet altijd meer als een last met me mee te dragen. Natuurlijk schiet ik nog wel eens terug in de oude modus, maar ik weet mezelf sneller op te vangen. Dit is namelijk wat wij, mensen, doen: we beklimmen de berg, glijden soms uit, krabbelen overeind en klimmen dan weer verder. Ik zit al behoorlijk hoog, da’s waar, maar ik heb ook steeds meer plezier in het klimmen gekregen.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Het eerste woord dat in me opkomt als ik aan mijn moeder denk is melancholie. Haar moeder stierf toen zij negen jaar oud was. Ze lag ’s ochtends dood naast haar in bed en werd – volgens de joodse traditie – diezelfde dag, aan het einde van de middag begraven. Mijn moeder heeft de rest van haar leven gedacht dat mijn oma misschien in coma was geraakt en dat ze dus levend werd begraven… Precies zoals mijn zus Klara, die als enige van ons gezin aan de deportatie wist te ontkomen, zich in het hoofd had gehaald dat onze moeder was blijven leven als zíj ook mee naar Auschwitz was gegaan. Ik zie mijn moeders gezicht. Ze lacht niet. Ze lachte nooit. Ze maakte zich zorgen. ‘Je bent lelijk,’ zei ze tegen me, ‘maar gelukkig heeft God je een goed stel hersens meegegeven’. Ik nam het haar niet kwalijk, ik dacht er niet over na. Wat ze zei telde niet, wat ze deed was veel belangrijker: ze raakte me aan, ze zorgde voor me, ze heeft er alles aan gedaan om me in leven te houden. Ik was een verlegen, verdrietig meisje dat nauwelijks opviel. Ik denk wel eens dat ik werd voorbereid om in Auschwitz voor mijn zus te kunnen zorgen. Alsof ik een plan uitvoerde dat God van te voren had bedacht. Mijn moeder, die ook geen idee had wat ons te wachten stond, zei in de trein die ons naar het concentratiekamp bracht: ‘Ze kunnen je alles afpakken, behalve je gedachten’. Daardoor zou ik me uiteindelijk vrijer voelen dan de bewakers die me gevangen hielden. Mijn vader begon als kleermaker, werd later couturier. Een echte charmeur. Hoge hoed, wandelstok, tot in de puntjes verzorgd. Mijn vader zei altijd dat ik, met mijn figuur, op een dag het best geklede meisje van de stad zou zijn. Daarom koop nog steeds kleding van designers, voor hem. Kijk, dit is van Valentino. Zie je me papa? Ik draag het voor jou.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Mengele pakte me vast, zei: ‘Je ziet je moeder snel weer terug, ze gaat alleen maar even douchen’ en duwde me naar de rij van de mensen die hij nog iets langer in leven wilde houden. Diezelfde avond kwam hij naar onze barak en vroeg of er iemand was die iets kunstzinnigs voor hem kon doen. Een paar meisjes duwden me naar voren omdat ze wisten dat ik op balletles had gezeten en als veertienjarige nog voor Miklós Horthy, de regent van het koninkrijk van Hongarije, had opgetreden. Ik danste op de muziek van ‘An der schönen blauen Donau’, deed een grand battement, een pirouette en eindigde met een spagaat. Voor de moordenaar van mijn ouders. Ik heb ooit gedacht dat ik Mengele zou opsporen in Paraguay. Ik zou me voordoen als een serieus journalist en helemaal aan het einde van het gesprek zou ik hem – doodschieten? Nee, ik wil geen moordenaar zijn. Ik twijfel er zelfs aan of ik zijn verblijfplaats zou verraden. Ik geloof in rechtvaardigheid, maar ik geloof niet dat God de bedoeling had om me op nazi’s te laten jagen. Ik ben hier om onvoorwaardelijke liefde te geven, om een plek te creëren waar mensen zich veilig voelen: bij mij mag je zijn wie je bent, voelen wat je voelt, wat overigens niet betekent dat ik het eens ben met alles wat je hebt gedaan. Je moet het ‘doen’ altijd scheiden van het ‘zijn’. Therapie gaat nooit over wat er is gebeurd, maar juist over wat er niét is gebeurd. Over de jeugd die je niet hebt gehad, over het kind dat je nooit kon zijn. Dat gevoel gaan we niet analyseren, geneeskundig behandelen of veroordelen – je hoeft het alleen maar te voelen. Ga terug, vind het kind en vertel hem of haar dat de vraag, ondanks alles, nooit is ‘Waarom ik?’ maar: ‘Wat nu?'”

VII Gij zult niet echtbreken

“Voor de oorlog had ik een vriendje, Eric. Wij zouden later trouwen. Ik was heel erg verliefd. Eric was betrokken bij Betar, de zionistische Joodse jeugdvereniging, en hoewel ik helemaal niet zo militant was, gaf ik me – heel ouderwets – helemaal aan hem over en had ik er al mee ingestemd dat we in Palestina zouden gaan wonen. In het voorjaar van 1944, vlak voordat mijn ouders, mijn zus Magda en ik werden gedeporteerd, zei Eric tegen me dat hij zich altijd mijn mooie handen en mijn mooie ogen zou herinneren. Ik plantte deze gedachte, als een mantra, in mijn hoofd: als ik vandaag overleef, zal ik Eric morgen terug zien. Dan zullen we samen een gezin gaan stichten. De oorlog ging voorbij, we werden in mei ’45 bevrijd – een Amerikaanse soldaat van het 71ste Infanteriebataljon trok me, meer dood dan levend, uit een stapel lijken – maar toen ik eindelijk thuiskwam, hoorde ik dat Eric een dag voor de bevrijding was doodgeschoten. Ik ontmoette Béla. Béla kocht salami voor me. En Zwitserse kaas. Ik was een schipbreukeling, klampte me aan hem vast. Ik had nooit gedacht dat ik nog een normaal leven zou kunnen leiden. Niet veel later trouwden we, ik raakte zwanger en liep trots over straat. Een echtgenote, een aanstaande moeder. Het was geen romantiek, maar wel een gevoel van euforie: ik telde weer mee in deze wereld. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik, door met Béla te trouwen, Eric had verraden. Het was een andere tijd, een andere gemoedstoestand. Ik ben Eric nooit vergeten, maar het is me gelukt om hem te plaatsen waar ik Auschwitz ook had opgeborgen, als een cherised wound, een gekoesterde wond, als iets wat ik nog wel voel maar niet altijd meer zo verschrikkelijk zeer doet.”

VIII Gij zult niet stelen

“Natuurlijk heb ik wel eens gestolen! Als kind, geen idee wat, maar moeten we het daar echt over hebben? Laten we liever praten over living life to fullest, met goede en minder goede kanten, met alles wat erbij hoort. En wie bepaalt of en wanneer je iets wel of niet mag doen? Naar welke wetten moet ik luisteren, wiens regels moet ik volgen? Als ik in Duitsland was geboren, zou ik van een uitspraak als ‘Vandaag Duitsland, morgen de hele wereld!’ waarschijnlijk heel erg onder de indruk zijn geweest en had ik me meteen bij de Hitlerjugend aangesloten. Daarom is goed onderwijs zo belangrijk. We moeten onze kinderen niet brainwashen, niet vertellen wát ze moeten denken maar juist hóe ze moeten denken. Denk na over hoe je nadenkt. Geef aandacht aan de dingen die je aandacht geeft.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Op een dag mocht ik niet langer meedoen op de balletschool omdat ik Joods was. ‘Maar ik ben helemaal niet Joods!’ riep ik wanhopig. Niet meer te mogen dansen was het ergste wat ik op dat moment kon bedenken. Het liegen, of eerder: het ontkennen, maakte al op jonge leeftijd deel uit van mijn leven. Het was pure angst. Angst om ontdekt te worden. Joods zijn is slecht. Ik ging naar een Joodse school. Zodra ik naar buiten liep, werd ik bespuugd en voor christusmoordenaar uitgemaakt. Het enige wat ik wilde was niet opvallen, assimileren, altijd, overal… ik gaf mijn ‘ware ik’ op om in het plaatje te passen, ik veranderde voortdurend in wie anderen wilden dat ik zou zijn tot ik eindigde in het concentratiekamp waar mijn bestaan voorgoed moest worden weggewist… Na de bevrijding had ik enorm veel last van survivor guilt. Ik emigreerde naar Amerika en probeerde op te gaan in de massa door een echte yankee doodle dandy te worden. Ik verzweeg mijn verleden, zelfs voor mijn drie kinderen. Maar weet je wat er gebeurt als je pijn probeert weg te duwen? Het wordt alleen maar erger. De omslag kwam toen ik op mijn 48ste psychologie ging studeren en bepaalde gebeurtenissen wel onder ogen móest komen, maar ik vond mezelf pas echt weer terug toen ik in 1990 Auschwitz bezocht. Het was een ontzagwekkende herontdekking, het was de schaduw waar Jung over spreekt: als je in staat bent om het donker in te gaan, zul je mogelijkheden ontdekken die je nog niet eerder hebt benut. Terug in Auschwitz. Magda, mijn moeder en ik. Mijn vader is al afgevoerd. Heb ik nog naar hem gezwaaid? Ik zie een man, die ik later zou leren kennen als Joseph Mengele, voor me staan. Heldere ogen, een spleetje tussen zijn tanden. Hij wijst naar mama en vraagt: ‘Is dit je moeder of je zus?’ ‘Mijn moeder’, zeg ik en ze wordt meteen van ons gescheiden, naar de rij geduwd die klaar staat om te worden vergast. Ik had moeten zeggen dat ze mijn oudere zus was. Zou ze dan…? Met die twijfel heb ik jarenlang rondgelopen. Pas toen ik weer op diezelfde plek stond, terug was in de tijd, kon ik inzien dat ik mezelf met die gedachte had willen straffen. En dat ik haar helemaal niet had kúnnen redden. Ik ben niet schuldig. Ik ben vrij.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“God schonk ons verleiding. Weet je waarom? Omdat we daardoor leren hoe we van onze keuzevrijheid gebruik kunnen maken. Als je een kind vraagt: wat wil je? Dan zegt het: alles. Een volwassene heeft nog steeds overal zin in, maar handelt daar niet meer naar. Goede ouders leren hun kinderen hoe ze het leven aankunnen zonder hen, hoe ze hun eigen vader of moeder worden. Dependency breeds depression, afhankelijkheid maakt je depressief. Je moet durven loslaten. Om te beginnen: het verlangen naar de goedkeuring van anderen. Ik was laatst te gast bij Ophrah Winfrey en deed, op mijn 91ste, nog steeds mijn best om indruk te maken, om het hoogst mogelijke cijfer te halen. Zie je? Ook ik ben nog niet uitgeleerd. Ik leef in het heden en ik denk jong. Over de dood denk ik maar zelden na… Alhoewel: een jaar geleden was ik heel erg ziek. Ze brachten in het ziekenhuis zo’n buis aan via mijn mond, dus ook mijn handen moesten worden vastgemaakt om te voorkomen dat ik dat ding eruit zou proberen te trekken. Toen ik beter werd, schreef ik – voor het geval ik nog eens in zo’n situatie zou komen – ‘I want to die happy’ op een briefje en gaf het aan mijn dochter. Zo gaat het gebeuren: ik zal vrolijk doodgaan. Dankbaar en tevreden.”

Dit interview, gehouden in San Diego, Californië, de woonplaats van dr. Edith Eger, kwam mede tot stand dankzij de bemiddeling van Expertisecentrum Omgaan met Verlies/School voor Transitie en een financiële bijdrage van uitgeverij Bruna.

Edith Eva Eger

Edith Eva Eger (Kosice, voormalig Hongarije, 1927) is psychotherapeute en schrijfster van ‘De keuze – leven in vrijheid’, uitgegeven door Bruna. Eerder deze week gaf dr. Eger op uitnodiging van de School voor Transitie en het Expertisecentrum Omgaan met Verlies een masterclass.

Vanavond is in Carré de voorstelling ‘De dans ontsprongen’ te zien. De voorstelling is gebaseerd op haar levensverhaal.

Zonder waarom

Interview Welmoed Vlieger

OLF DE BRUIN
Filosoof Welmoed Vlieger ( 42 ) kreeg vat op het leven dankzij oude denkers. Hun grootste les? Leef vol overgave, zonder alles te bevragen. Zo krijgt een burn-out geen kans.
Welmoed Vlieger (1976, Denekamp) werkt als buitenpromovendus aan een onderzoek over innerlijkheid en politiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Ze studeerde godsdienstwetenschap en wijsbegeerte. Vlieger woont met haar gezin in Amsterdam en heeft twee kinderen van 8 en 15. Ze schrijft columns, geeft lezingen en organiseert filosofiedagen en -weekenden.
De vader van Welmoed Vlieger was dominee. Ze is de jongste van vier kinderen en verhuisde veel in haar jeugd. ‘Ik ben niet kerkelijk dogmatisch opgevoed. Wel hebben mijn ouders me bronnen aangereikt. Maar dat behoedt je dus niet voor een crisis, het komt erop aan je eigen bronnen te vinden. Daar gaat het om: ontdekken wat jou inspireert. Dat is een enorme zoektocht.’

Elk mens doorloopt een zoektocht om zichzelf te leren kennen en vat te krijgen op wat het leven is. Die route is voor ieder mens anders. Het probleem aan de basis van veel psychische klachten – ook bij een burn-out – is volgens filosoof Welmoed Vlieger (42) dat de meeste jonge mensen de zoektocht niet eens aangaan. Begrijpelijk, in een wereld waarin likes sneller te krijgen zijn dan een antwoord op je eigen waarom, maar weerbaar worden we er niet van.

Alles moet tegenwoordig van buiten komen, observeert Vlieger, gezeten aan de houten keukentafel in haar appartement. Er gaat iets kalmerends uit van haar aanwezigheid. Ze is rustig, ingetogen. Formuleert voorzichtig, zoekt nauwkeurig naar woorden, alsof ze gaandeweg het gesprek tot inzichten komt.

Ze gebruikt oude woorden, van dode denkers: innerlijkheid, ziel. Niet verwonderlijk, voor een filosoof die na een flinke dwaaltocht haar eigen inspirator vond in een middeleeuwse mysticus, Meester Eckhart.

Om de kern van ons mens-zijn te illustreren, gebruikt Vlieger een beeld van een andere wijsgeer, Plato. Die beschrijft de menselijke ziel als een paardenspan. Op de bok zit een wagenmenner, het verstand. Met slechts één taak: de boel een beetje in het gareel houden. Want de twee paarden in het span verkiezen elk een eigen route. Het ene paard wil het leuk hebben, zoekt vertier, verstrooiing en genot, het andere zoekt zingeving, liefde, vriendschap en een goede manier van leven. De tweestrijd tussen die neigingen, tussen afleiding en stilstaan, korte termijn en diepe waarden, dát is volgens Vlieger het menselijk bestaan.

De mens hoort te worstelen, zegt u?

‘We zijn niet zomaar een persoon met een aantal eigenschappen die samen onze identiteit vormen. Uniek voor de mens is dat we samengestelde wezens zijn. De worsteling tussen onze twee kanten, de tegenstrijdigheid in ons wezen is door de eeuwen heen beschreven in de filosofie. De mens maakt voortdurend schijnbewegingen om maar niet de confrontatie met zichzelf aan te gaan.’

U schrijft over jonge mensen die de weg kwijt zijn. Wat bedoelt u daarmee?

‘Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie heeft eenderde van alle jongeren een mentale aandoening en worden het er alleen maar meer. Daarbij gaat het om depressie, verslaving, burn-out. Vooral het aandeel van jonge vrouwen is groot. Ik probeer te begrijpen wat er gebeurt en heb het vermoeden dat er vaak een zingevingsprobleem achter schuilgaat. De huidige tijd is best moeilijk om in op te groeien. Met de tirannie van de perfectie en de druk om leuk, mooi en geslaagd te zijn. Terwijl het juist de kunst is om te gaan met tegenstrijdigheden – aan alles zit een rafelrandje.

‘Ik ben voorzichtig, ik zeg niet dat het dé oorzaak is, maar in gesprekken met jongeren merk ik vaak dat ze een existentiële leegte ervaren.’

Wat is dat?

‘Gevoelens van doelloosheid. Zinloosheid. En daaronder: angst. De Deense denker Kierkegaard weet dat als geen ander te verwoorden. Hij laat zien hoe mensen kunnen vastlopen in angst en vertwijfeling. Vooral in tijden van tegenslag, verlies en rouw. Op dat soort momenten doemen existentiële vragen op: waarom overkomt mij dit, hoe moet ik hiermee omgaan? De verbanden van kerk en gemeenschap zijn weg en we zijn teruggeworpen op onszelf, als het gaat om dit soort levensvragen.

‘Ik merk dat jongeren meer en meer naar buiten gericht zijn. Dat maakt dat je je minder verhoudt tot je binnenwereld, waarin tegenstrijdigheden woekeren. Innerlijkheid is voor mij een belangrijk onderwerp. Dat woord dreigt helemaal te verdwijnen in deze tijd, net als het woord ziel.’

Wat bedoelt u met innerlijkheid?

‘Het landschap in jezelf met angsten, leegte en kanten die je niet kent: hoe verhoud je je tot jezelf en tot de wereld? Innerlijkheid raakt aan termen als ziel en geweten. Een beetje ouderwetse woorden, met een lange geschiedenis. Grote denkers hebben ze gebruikt.

‘Ik denk dat het belangrijk is dat je probeert die binnenwereld te leren kennen. Dat je niet voortdurend op zoek blijft naar afleiding, maar dat je alleen kunt zijn. Om in tijden van tegenslag – die iedereen meemaakt – op jezelf te kunnen terugvallen. Als je je eigenwaarde afhankelijk maakt van de buitenwereld, ben je afhankelijk van het toeval en het grillige lot – en ja, dan kan alles makkelijk instorten. Als je eigenwaarde van binnenuit komt, heb je een dragende grond.’

Kunnen jonge mensen niet alleen zijn?

‘Alleen zijn is beangstigend. Omdat het diepe vragen oproept. Toen ik lesgaf aan studenten, hoorde ik telkens: ik weet niet wat ik met mezelf moet. Terwijl juist dát zo belangrijk is.

‘Die angst, daar moeten we niet vanaf. Daar moeten we doorheen, je moet de dialoog aangaan met jezelf, om vertrouwen te krijgen in het bestaan. Want dat bestaan is een volstrekt oncontroleerbaar iets. Dat proberen we voortdurend onder controle te krijgen. Althans, we denken dat te kunnen, maar dat kán niet. Een uitspraak als ‘het gaat goed met mij’ staat daar model voor. Alsof je kunt zeggen: het is klaar, ik heb het voor elkaar.

‘Dat is een verkrampte manier om met het leven om te gaan. Omdat heel veel onzeker is. We moeten ons verhouden tot die onzekerheid.’

We werken steeds meer met ons hoofd. Denkt u dat we daarom massaal aan mentale uitputting lijden?

‘Nee. Het zijn vragen als: kan ik dit wel, wil ik dit wel of doe ik dit omdat anderen het van me verwachten? Dáár worden mensen moe van. Dat vraagt om zelfonderzoek: eerlijk jezelf onder ogen zien. Dat los je niet op met een weekendje Parijs.

‘En, dat vind ik belangrijk om te benadrukken, het is geen navelstaarderij. Want door jezelf te leren kennen – ook je donkere kanten – kan er ook ruimte voor anderen ontstaan. Je kunt je makkelijker verhouden tot anderen, hen accepteren zoals ze zijn.

‘Ik zie vaak jonge vrouwen op sociale media die letterlijk om likes en hartjes vragen, als ze in de put zitten. Dat vind ik echt zorgelijk. Er is geen weerbaarheid. Het maakt je enorm vatbaar voor teleurstelling en afwijzing van buitenaf. Die moet je dan weer compenseren met bevestiging van buitenaf.’

We hebben het tamelijk goed voor elkaar, zijn welvarend en volgens enquêtes ook gelukkig.

‘Als je zeven dagen per week op het land ploetert, is het leven vanzelfsprekend zwaar. Mensen werden vroeger meer beproefd, er was meer dood, verlies, honger. Dat doet iets met je als mens, het bepaalt je.

‘Ik denk dat welvaart ons ook minder weerbaar heeft gemaakt. Een afwijzing komt snel aan als een mokerslag. Van vrienden, op ons werk. We maken ons gauw zorgen, denken: het gaat niet goed met me, wat nu? We zijn niet gewend aan tegenslag. We willen controle, preventie. Alles bedwingen. Wat niet perfect is, moet opgelost. Voelen we leegte of angst? Daar moeten we vanaf.

‘Het rafelige, het lelijke, het angstige: we moffelen het weg. Ook de dood. Het moet allemaal uit het zicht en dat maakt ons juist kwetsbaar. Want dood, ziekte en verlies van dierbaren blijven bestaan. Omgaan met zulke ervaringen wordt lastig als je een wereld creëert waarin die zaken afwezig lijken te zijn.’

Mensen krijgen een burn-out omdat ze niet weerbaar genoeg zijn?

‘Ik vermoed dat angst ten grondslag ligt aan een burn-out. Angst kan veel weerstand oproepen, we willen er niet aan. Terwijl angst wezenlijk is, hij hoort bij de mens, we moeten daar iets mee. Daarvoor is reflectie nodig. Doe je daar niet aan, dan duikt hij op de meest onmogelijke momenten op. En dat beangstigt nog meer, benadrukt nog meer het oncontroleerbare.

‘Ik denk dat we onderscheid moeten maken tussen psychische en geestelijke klachten. Die laatste zijn heel menselijke, existentiële problemen waar iedereen tegenaan loopt. Het is de vraag of je daarvoor bij een psycholoog aan het juiste adres bent.

‘Filosofen spreken van een dialoog: je kunt pas tot zelfinzicht komen in contact met iets anders. Vroeger kon dat God zijn. We verlangen naar een kritische vriend, een sparringpartner. Die behoefte vervullen we nu vaak door naar een psycholoog te gaan.’

Wat is het alternatief, denkt u?

‘Jonge mensen hebben ruimte en aanmoediging nodig om op zoek te gaan naar bronnen die hen innerlijk voeden. Wat raakt je, wat inspireert je, waaraan trek je je op? Bronnen komen in allerlei gedaanten: in muziek, poëzie, literatuur, kunst, religie, het krijgen van kinderen. Als het de innerlijke dialoog maar op gang brengt. Alleen op die manier kun je je eigen angsten en onzekerheden aanschouwen.

‘Bovendien, en dat is minstens zo belangrijk: die bronnen maken dat je jezelf kunt zien als deel van iets groters. Die laten je zien dat je niet alleen staat in de wereld. Mooie teksten of kunst kunnen zo veel zin geven. Je laten beseffen dat je een bepaalde rol hebt, een verantwoordelijkheid.’

Hoe ging dat bij u, het vinden van een bron?

‘Ik heb een moeizame middelbareschooltijd gehad. De stof raakte me niet, ik sleepte me door de dagen. Ik had moeite met het schoolsysteem, verzette me ertegen, was een opstandige puber. Ik voelde me verdwaald, angstig, wist niet wat ik moest.

‘Via een lange omweg heb ik uiteindelijk mijn havodiploma gehaald en mocht ik toelatingsexamen doen voor de universiteit. Daar ging een wereld voor me open. Of nou ja, aanvankelijk voelde ik me verloren in een zee van denkers.

‘Het zijn bepaalde docenten geweest die me richting gaven, die zeiden: lees dit eens, of dat. Zo kwam ik Meester Eckhart tegen, een filosoof uit de 13de, 14de eeuw. Wat hij beschreef, herkende ik. Ik voelde: ik sta niet alleen, maar in een traditie van denkers die op eenzelfde manier naar de wereld kijken.’

En welke manier van kijken is dat?

‘Hij spreekt over leven vanuit je eigen bestaansgrond, zonder waarom. Ik leef omdat ik leef, omdat ik niet anders kan, vol overgave. Ik geef lezingen over dat thema en die uitspraak, ‘leven zonder waarom’, trekt veel mensen aan. Juist omdat zij continu vol vragen zijn: waarom dit, waarom dat? Mensen verlangen naar een leven waarin ze niet continu het nut van alles bevragen. Rust vinden in wat er is. Het zijnde laten zijn, zegt Heidegger. Niet voortdurend de controle willen hebben. Want precies dát is vermoeiend en geeft onrust, stress en druk.’

Wat is die ‘grond’ voor u?

‘Het zijn vooral religieuze auteurs die mij raken, zoals Kierkegaard en Dostojevski. Me opgenomen weten in iets groters, de ervaring dat het leven in de grond zin heeft. Er zijn mensen vóór ons geweest en er komen mensen na ons voor wie wij verantwoordelijkheid dragen. Dat besef maakt je los van narcisme, van bezig zijn met je eigen leventje. Het geeft zin en betekenis aan je bestaan.’

Bent u daarmee beschermd tegen een burn-out?

‘Dat weet je nooit. Ik werk hard, heel hard. Ik heb twee kinderen. Mijn promotie staat centraal, maar ik doe ook columns, lezingen, weekenden. Ik ben gelukkig met wat ik doe. Maar je hoort vaak: plotseling kon ik helemaal niets meer. Het komt bij iedereen onverwachts.

‘Ik ervaar weinig stress, gek genoeg. Ik ben veel alleen. Dat vind ik fijn, heb ik ontdekt. Maar dan nog. Er is geen enkele garantie in het leven.’

Lees meer over burn-outs op volkskrant.nl/burnout

Jan Rotmans: “Het zit in onszelf: Als je zelf wezenlijk wilt veranderen moet je je eigen weerstand overwinnen”

Transities zijn mensenwerk. Meer en meer is professor transitiekunde Jan Rotmans tot het inzicht gekomen dat mensen het verloop van transities bepalen. Als onderdeel van en in wisselwerking met een complex web van technologie, markten, instituties, beleid en cultuur uiteraard. Maar als puntje bij paaltje komt, vraagt een systeemverandering om een persoonlijke verandering. Reflexiviteit, angst en vertrouwen zijn dan ook sleutelwoorden in Rotmans nieuwe boek Omwenteling.

Iedereen lijkt verandermoe. Overal om je heen hoor je dat mensen bezig zijn met veranderen. Organisaties zijn aan het veranderen. De samenleving is aan het veranderen. Professor Jan Rotmans, die al meer dan dertig jaar transities bestudeert, noemt dat ‘gewone’ verandering en die is volgens hem van alle tijden. Incrementele veranderingen, waarbij het gaat over een beetje veranderen,  slimmer worden of efficiënter zijn. In het beste geval leidt dat tot het optimaliseren van wat er al is, meent hij.

Nee, als de Rotterdammer het over verandering heeft, heeft hij het over transformatieve verandering. Dat is diepe verandering. Onomkeerbare verandering. Wezenlijk anders denken. Anders handelen en organiseren. Kortom, een radicale verandering, waarbij alles wat vanzelfsprekend is ter discussie komt te staan.

Over je eigen schaduw heen stappen

Er mag dan grote verandermoeheid zijn onder mensen, de behoefte aan diepe verandering is alom aanwezig, zo schrijft Rotmans in zijn nieuwste boek Omwenteling. Steeds meer mensen voelen zich niet meer thuis in de huidige samenleving. Ze missen de warmte, saamhorigheid, barmhartigheid en het vertrouwen in een samenleving die draait om geld, rendement en efficiency. Waarin systemen en cijfers belangrijker zijn geworden dan mensen. Zo’n samenleving kan rationeel goed marcheren, maar is in feite ziek en maakt mensen ziek.

Het punt dat Rotmans wil maken, is dat we die systemen zelf hebben gebouwd. En hoewel ze ons lang hebben geholpen, keren ze zich nu tegen ons. We hebben echter het vermogen om die systemen te transformeren, meent hij, omdat wij zelf het systeem zijn.

“Steeds meer mensen voelen zich niet meer thuis in de huidige samenleving. Waarin systemen en cijfers belangrijker zijn geworden dan mensen.

En daar komt de aap uit de mouw: dat systeem veranderen, lukt niet met een ‘gewone’ verandering. Dat vraagt een transformatieve verandering en die is veel ingrijpender, moeilijker en bedreigender dan ‘gewoon’ veranderen. Het vraagt het bijna onmogelijke: loslaten wat we hebben geleerd en tot nu toe hebben gedacht en gedaan. Over je eigen schaduw heen stappen, vindt hij daarvoor een mooie metafoor.  Van nature doen wij dat liever niet: ons brein is vanuit de evolutionaire ontwikkeling gericht op stabiliteit en continuïteit. Maar eens in de zoveel tijd is het nodig.

Jan Rotmans - Omwenteling - Cover.jpg

Nu is zo’n tijd van omwenteling. In drie delen gaat de hoogleraar in Omwenteling in op de maatschappelijke, organisatorische en menselijke omwenteling waar we midden in zitten. Die maatschappelijke omwenteling, waarbij de maatschappij, economie en machtsverhoudingen kantelen, behandelde hij uitvoerig in zijn vorige boek Verandering van Tijdperk (2014). Er is sprake van een verandering van tijdperk als de veranderingen fundamenteel van aard zijn, op vrijwel alle terreinen voorkomen en elkaar in eenzelfde richting versterken.

Zoiets komt niet vaak voor. De laatste keer was in de tweede helft van de negentiende eeuw, de tijd van de maatschappelijke modernisering, industriële revolutie en machtswisseling van adel naar bourgeoisie.  Het meemaken van zo’n omwenteling is een unicum dat slechts weinig generaties is gegeven. Spannender dan dit tijdsgewricht kan het nauwelijks worden, stelt Rotmans.

Nog tien jaar chaos en instabiliteit

Die omwenteling gaat gepaard met chaos en instabiliteit. Omdat het zo ontwrichtend is en ontzettend veel energie van mensen, systemen, de samenleving en economie vraagt, kan zo’n periode van chaos en instabiliteit niet te lang duren. Hoe ver staan we dan vandaag met de maatschappelijke en organisatorische omwenteling, vraag ik hem.

Rotmans: “We zitten nu midden in die chaosfase, waarbij heel veel mensen zien dat het anders moet en kan. Dat het oude niet meer zo goed werkt. We zitten in een fase waarin ook veel nieuws ontstaat, maar het is allemaal nog fragiel. En de oude instituten willen nog niet wijken.

Wat opvalt, is dat de complexiteit van maatschappelijke stelsels als de zorg, het onderwijs en de arbeidsmarkt in de 19de eeuw nog te overzien was. Die complexiteit is nu vele malen groter. In die zin is er ook geen precedent, wat kan betekenen dat de chaosfase veel langer duurt dan vroeger.

verschil-transitie-19-21-33uw.png

Ik verwacht dat het nog wel tien jaar kan duren. Niet dat het dan opgelost is, maar dan zien mensen in ieder geval welke richting het opgaat. Nu zien heel veel mensen geeneens een richting. Het lijkt alle kanten op te gaan. Ik denk dat er over een aantal jaren een meer duidelijke maatschappijvisie komt die richting geeft.”

“Ik verwacht dat die periode van chaos en instabiliteit nog wel tien jaar kan duren. Nu zien heel veel mensen geeneens een richting. Het lijkt alle kanten op te gaan. Ik denk dat er over een aantal jaren een meer duidelijke maatschappijvisie komt die richting geeft.

Concreet verwacht Rotmans, zo schrijft hij in Omwenteling, chaos en maatschappelijke onrust geworteld in de hervorming van onze maatschappelijke stelsels (pensioenstelsel, arbeidsmarkt, belastingstelsel, zorg en onderwijs), de kwetsbare economie waar zich binnen tien jaar een volgende financiële crisis aandient en de gevolgen van digitalisering, automatisering en robotisering voor de arbeidsmarkt, die vooral de middenklasse zal treffen.

Rotmans: “Het is maar goed dat de meeste mensen dat nog niet beseffen, denk ik wel eens. Anders zouden ze er waarschijnlijk van wakker liggen. Tegelijkertijd hoop ik wel dat steeds meer mensen hun ogen daarvoor openen. Anders word je elke dag verrast in de komende decennia. En je wil niet elke dag verrast worden, want dan leid je een heel onrustig bestaan.”

De meest wendbare bedrijven overleven

In het tweede deel van zijn boek staat de organisatorische omwenteling voor bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties centraal. Ook daar ziet Rotmans dat het besef dat het anders moet, nog vaak ontbreekt. Of je nu groot, middelgroot of klein bent, of je nu succesvol bent en goed draait of niet, je kunt er niet omheen. Er komt een orkaan op je af, zo voorspelt hij.

Rotmans: “Als burgers, klanten, consumenten én de omgeving aan het transformeren zijn, moet je je als bedrijf, overheid of maatschappelijke organisatie anders gaan verhouden tot die orkaan die op je afkomt. Je moet jezelf opnieuw uitvinden.”

“Het zijn dan ook niet de grootste en slimste bedrijven die overleven, maar de meest wendbare bedrijven.

Maar veel organisaties zijn daar nog helemaal niet mee bezig blijkt uit onderzoek van DRIFT, het Dutch Research Institute For Transitions waaraan Jan Rotmans als hoogleraar is verbonden. Minder dan 5 procent van de bedrijven behoort tot de categorie van transformatieve bedrijven, bedrijven die nieuwe wegen inslaan. Het overgrote deel is reactief of actief, en zo’n 10 procent is proactief en anticipeert voortdurend op de veranderingen om hen heen.

Rotmans: “De nieuwe tijd vraagt om een ander type organisatie: niet verticaal maar horizontaal, niet hiërarchisch maar organisch, en niet log maar wendbaar. Vaak zijn het bedrijven die een tijdje voorop hebben gelopen en heilig geloven in hun verdienmodel, die onvoldoende wendbaar zijn. Ze vallen terug en doen dan nog één laatste poging om het toch nog terug te pakken. Dat mislukt bijna altijd. Het zijn dan ook niet de grootste en slimste bedrijven die overleven, maar de meest wendbare bedrijven.

Voor die organisatorische omwenteling reikt de transitiespecialist op basis van jarenlange ervaring vijf verandersleutels aan: neem de tijd, creëer smal en diep draagvlak, ontwikkel een veranderstrategie, creëer experimenteerruimte en bied mensen  een veilige omgeving.

Grootste uitdaging is vertrouwen opbouwen

Die relatief veilige omgeving is hard nodig binnen de onrust en chaos van een organisatie in transitie. Vooral het aspect ‘vertrouwen’ is daarbij een heikel punt. Bij veel organisaties zit wantrouwen diepgeworteld in de cultuur. Elke organisatie die werkt vanuit wantrouwen is ziek en is op termijn gedoemd ten onder te gaan, schrijft Rotmans.

De grootste uitdaging zit hem dan ook in het wegnemen van angst en wantrouwen, en in het opbouwen van vertrouwen. Maar vertrouwen hebben in anderen kan alleen als je ook op jezelf durft te vertrouwen. Als je wezenlijk wilt veranderen zoek je het niet in regels en procedures, want dan leg je het buiten jezelf neer. Wie wezenlijk wil veranderen, zoekt het in zichzelf.

“Als je wezenlijk wilt veranderen zoek je het niet in regels en procedures, want dan leg je het buiten jezelf neer. Wie wezenlijk wil veranderen, zoekt het in zichzelf. In die persoonlijke transformatie staat het overwinnen van angst centraal. De angst erkennen, is de lastigste fase. Dat lijkt een zwaktebod, maar dat is het niet. Het is veel zwakker als je je angst ontkent.

Over die wezenlijke menselijke omwenteling gaat het derde en meest confronterende deel van zijn boek. In die persoonlijke transformatie staat het overwinnen van angst centraal. Die wezenlijke angst voor verandering is normaal. Er staat veel op het spel: je weet wat je achterlaat, maar niet wat daarvoor in de plaats komt. Die angst loslaten, is dus essentieel, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

“Klopt.” zegt de professor, “wat veel mensen doen, is om die angst heen gaan. In die eerste fase van die persoonlijke transitie ontken je het vaak en geef je het ook geen plaats. Maar het heeft alleen maar zin door het toe te geven. Dat lijkt een zwaktebod, maar dat is het niet. Het is veel zwakker als je je angst ontkent.

De angst erkennen, is de lastigste fase. Op het moment dat je dat eenmaal doet, kom je tot zelfinzicht en kun je proberen die angst in positieve energie om te zetten. Dan is de stap niet zo heel groot meer naar werkelijk springen.  Maar op het moment dat je het durft, wordt het niet makkelijker. Het wordt vaak zelfs moeilijker, maar ik heb nog nooit iemand meegemaakt die daar spijt van had en terug wilde. Dat is de hoop die ik mensen wil meegeven.”

Eerst iets ergs gebeuren

In de eerste ontkenningsfase van een persoonlijke transitie is men zich nog onvoldoende bewust van de noodzaak om wezenlijk te veranderen. De urgentie ontbreekt nog. Terwijl, als mensen de urgentie leren voelen, ze juist de traagheid van transities kunnen versnellen. Uit de verhalen van mensen die Rotmans in zijn boek vertelt, hemzelf incluis, lijkt het dat daar bijna altijd eerst iets ergs moet gebeuren voordat die persoonlijke omwenteling kan plaatsvinden.

Rotmans: “Net zo goed als je bij systemen een crisis nodig hebt, heb je in je persoonlijke leven ook wel zo’n kantelmoment nodig. Ik durf niet te beweren dat het een noodzakelijke voorwaarde is, maar ik heb de afgelopen tien jaar toch wel honderden mensen gesproken die ook hele heftige dingen hebben meegemaakt en daardoor intrinsiek veranderden.”

Al heel jong wist Jan Rotmans dat hij twee dingen wilde: iets met kennis en de wereld een beetje mooier kleuren: “Iedereen dacht: dat jongetje is gek geworden. Mijn moeder zei: ‘doe nou maar normaal, dat past niet bij ons’. Niemand thuis had die drang, ik wel. Het kan bijna niet anders, vanuit de seculariteit, dat dat ook met voorgaande levens te maken heeft. Maar ik heb me daar nog niet verder in verdiept.

Toen ik dertig was, werd ik professor. Na mijn fietsongeluk en de ziektes van mijn kinderen dacht ik: ik moet een grotere groep mensen bereiken, dan die vijfhonderd uit de wetenschap. Dan ben ik nog bewuster scientivist geworden, een activistische wetenschapper. Om de wereld mooier te kleuren. Ik ben daar wel dankbaar voor, eerlijk gezegd. Het is allemaal best wel heftig geweest, met ongelooflijk veel kritiek en weerstand. Maar ik prijs me gelukkig, dat ik dit kan doen, en mag zijn. Elke dag weer.”

Weerstand overwinnen

Jan Rotmans heeft van de weerstand leren genieten. Dat is volgens hem ook één van de verandersleutels voor een persoonlijke omwenteling. Als je zelf wezenlijk wilt veranderen moet je je eigen weerstand overwinnen. Dat is pijnlijk, maar als het lukt werkt het bevrijdend. En weerstand is niet negatief. Geen weerstand is geen contact en niets is erger dan genegeerd worden, schrijft hij.

Dat heeft hij zelf ook ondervonden. Als oprichter van Urgenda, dat een klimaatzaak tegen de Nederlandse staat voerde en won, trekt hij als scientivist ten strijde voor het klimaat. Met Nederland Kantelt maakt hij zichtbaar hoe groot, breed en positief de vernieuwingsbeweging in Nederland is. Maar ooit was dat wel anders.

Rotmans: “Ik heb jarenlang helemaal geen weerstand gehad. Mensen begrepen mijn transitiedenkbeelden niet. Dat is nog veel erger. Als je geen resonantie hebt, ben je echt alleen. Toen ik begon met klimaatverandering lachten mensen me uit en verklaarden me voor gek. Ik kreeg geen cum laude toen ik in 1990, zevenentwintig jaar geleden, promoveerde, omdat die commissie zei dat het klimaatprobleem over vijfentwintig jaar misschien wel helemaal niet zou blijken te bestaan. ‘Dan heeft u een fascinerend onderzoek gedaan naar een niet bestaand probleem’, zeiden ze.

Dan voel je je wel alleen, niet eenzaam maar toch wel alleen. Langzaam is dat gekeerd en kwam de erkenning. Met de erkenning kwam ook de weerstand en kritiek, maar daar geniet ik eigenlijk wel van.”

Chrono shredder.jpg

Chrono Shredder van Susanna Hertrich in expositie Kairos Castle door Joke Hermsen in het Kasteel van Gaasbeek in Lennik (België)

Geestelijk en lichamelijk tot stilstand komen

Persoonlijke transformatie vraagt moed, lef en leiderschap. En moed is niet de afwezigheid van angst, maar het besef dat iets anders belangrijker is dan angst. Het loslaten van je diepere angst om die angst te kunnen overwinnen is moeilijk.

De zoektocht naar je innerlijke kompas kost tijd en ruimte, leerde de professor van filosofe Joke J. Hermsen. Ze gaat met hem in gesprek als hij eind deze maand in De Balie in Amsterdam zijn boek presenteert. Geen gewone chronostijd, maar kairostijd, schrijft Rotmans verwijzend naar Hermsens essaybundel Kairos. Kairos is de tijd van het juiste moment en concentratie. Wie wezenlijk wil veranderen, moet eerst geestelijk en lichamelijk tot stilstand komen en heeft dus kairostijd nodig.

“Persoonlijke transformatie vraagt moed, lef en leiderschap. En moed is niet de afwezigheid van angst, maar het besef dat iets anders belangrijker is dan angst. Het loslaten van je diepere angst om die angst te kunnen overwinnen is moeilijk. Wie wezenlijk wil veranderen, moet eerst geestelijk en lichamelijk tot stilstand komen en heeft dus kairostijd nodig.

Ik denk, zeg ik tegen Rotmans, dat in een samenleving die racet tegen de kloktijd veel mensen zullen zeggen: ‘Stilstaan? Ja sorry hoor. Dat is allemaal wel mooi, maar daar heb ik geen tijd voor’.
Rotmans: “Ja, dat heb ik ook lang gedacht. Als er iemand doorholde, was ik het wel. Na mijn fietsongeluk werd ik gedwongen om stil te staan. Dat was mijn kairosperiode en dan kom je tot dieper inzicht. Los van de ongemakken en de pijn van het ongeluk gun ik dat iedereen. Ik heb toen geleerd, en ik kan dat ook wel systemisch aangeven, dat je jezelf niet wezenlijk kunt veranderen als je alsmaar doorholt. Dat is gewoon onmogelijk.

Als je kijkt naar de meest voorkomende ziekten in deze tijd, dat zijn angststoornissen en depressies. Ook steeds meer bij jongeren. Je ziet die mensen in nood komen, en dan is het helder: of het lichaam reageert en straft dat af. Of de geest doet dat. Ik heb in mijn voorgaande boeken de Belgische psychiater Paul Verhaeghe aangehaald, die zegt dat we onze identiteit verliezen in deze verweven wereld. Als je, zo zegt hij, niet de tijd neemt om je daarin te verdiepen, dan word je letterlijk ziek.”

Het verschil tussen ‘doen wat je wil’ en ‘willen wat je doet’

In Omwenteling houdt Rotmans de lezer daarom ook een spiegel voor: ‘Iemand die zijn innerlijke kompas volgt, doet wat hij wil. Veel mensen doen echter niet wat ze willen, maar willen wat ze doen’.

“Op het moment dat jij niet in verbinding staat met jezelf, doe je ook niet echt wat je wil, maar je doet wel alsof je dat wil. Maar als je een persoonlijke transitie wil doormaken, dan moet je je innerlijk kompas volgen en gaan doen wat je wil. Dat is de kern.

Rotmans: “Ook dat heb ik geleerd van Joke, ze heeft best wel invloed gehad op mij. Ik las over het verschil tussen ‘doen wat je wil’ en ‘willen wat je doet’ en Joke legde het me uit. Op het moment dat jij niet in verbinding staat met jezelf, doe je ook niet echt wat je wil, maar je doet wel alsof je dat wil.

Ik ken toch wel heel veel mensen die niet in verbinding staan met zichzelf. Ik denk dat het overgrote deel van de mensen niet werkelijk doet wat ze willen. Terwijl ze zichzelf dat wel wijsmaken. Maar als je een persoonlijke transitie wil doormaken, dan moet je je innerlijk kompas volgen en gaan doen wat je wil. Dat is de kern.”

Heelheid

Maar je innerlijk kompas volgen, is moeilijk betoog ik in lijn met hoe Frederic Laloux in Reinventing Organizations laat zien dat het in de huidige maatschappij niet de bedoeling is je hele zijn mee naar je werk te nemen.

total.jpg

Als werknemer kom je maar als 1/16 van jezelf op je werk. Illustratie door Etienne Appert uit Reinventing Organizations van Frederic Laloux (2016)  

Net als Rotmans spreekt Laloux over kantelpunten: elke overgang naar een nieuw menselijk bewustzijnsstadium is een kantelpunt. Een doorbraak daarbij is heelheid, waarbij organisaties ernaar streven collega’s niet alleen van hun rationele, professionele kant te zien, maar ook de emotionele, intuïtieve en spirituele kanten een plaats te geven.

“Kijk,” zegt Rotmans, die aangeeft met Laloux te hebben gesproken en al eens met hem een podium deelde, “over het algemeen is die werkomgeving daar ook helemaal niet op ingesteld. In de zorg en het onderwijs ziet men jou niet als geheel. Men kijkt vooral naar onderdelen en naar wat je wel en niet kan. En als je het niet kan, gaat men daar aan schaven. Maar men ziet niet vanuit een holistisch perspectief wie jij bent. Dat is, denk ik,  in al die systemen het grootste falen.

“Vroeger etaleerde ik vooral hoeveel ik wist en dan kom je niet in verbinding met mensen. Je creëert eerder afstand. Als je jezelf laat zien, met de kennis die je hebt, maar ook met de zwakheden die je nog hebt, dan kun je pas echt verbinding creëren met mensen, en daardoor kan ik ze ook meer in beweging laten komen.

Maar mensen nemen zelf ook te weinig tijd om zichzelf te zien. Dat vind ik wel mooi, die parallel tussen het systeemfalen en persoonlijk falen. Want mensen zijn natuurlijk ook systemen, vol samenhang. Misschien nog wel complexer dan de maatschappelijke systemen die wij kennen. Je hebt de fysieke heelheid, maar ook de mentale heelheid en dan ook nog de combinatie.”

Meer nog, vul ik hem aan, ook het energetische dat je eerder aanhaalde, het spirituele.
Rotmans: “Waar ik dus ook naar op weg ben, maar daar zit ook nog wel wat angst bij mij: wat laat je binnen en wat laat je los? Wordt dat wel geaccepteerd door de wetenschap? Ikzelf denk dat dat best samen kan gaan. Maar ik probeer mensen tegenwoordig ook te raken op een ander niveau. Ik merk steeds vaker na lezingen dat mensen emotioneel reageren, soms zelfs tot huilens toe. Dat ik mensen op zijnsniveau raak. Anders dan alleen maar het kennisniveau.

Vroeger etaleerde ik vooral hoeveel ik wist en dan kom je niet in verbinding met mensen. Je creëert eerder afstand. Als je jezelf laat zien, met de kennis die je hebt, maar ook met de zwakheden die je nog hebt, dan kun je pas echt verbinding creëren met mensen, en daardoor kan ik ze ook meer in beweging laten komen.”

Het zit in onszelf

De oorzaak van de grote maatschappelijke en economische vraagstukken waar wij nu mee geconfronteerd worden, gaat ver terug en ligt ten diepste in onszelf, concludeert Rotmans in Omwenteling. Om verder te komen als mens in je persoonlijke transformatie moet je dieper in jezelf graven en verbinding maken met je wezenlijke zelf. Daarvoor moeten we ons eerst los kunnen maken van ons ego dat zich bezighoudt met macht, status en bezit.

De angst omarmen en overwinnen kan alleen door dieper in onszelf te zoeken naar wie we werkelijk zijn. Pas dan maken we in onszelf de verbinding tussen hoofd en hart, en ontstaat een gevoel van eenheid.  In het realiseren van die verbindingen tussen hoofd en hart ligt de grote uitdaging voor ons allen. Op het moment dat die verbinding tussen hoofd en hart eenmaal tot stand is gekomen, is het proces onomkeerbaar.

literatuur – interview – Deze week verschijnt ‘Normale mensen’, de Nederlandse vertaling van de tweede roman van de Ierse schrijver Sally Rooney. 27 jaar nog maar en nu al een gelauwerd auteur. Rooney wordt geroemd om haar psychologisch inzicht. ‘Ik vind het interessant om te zien hoe sekse en klasse uitwerken in de kleinste interacties tussen mensen.’

Schrijver Sally Rooney is groot in Dublin. Of nu ja, groot. Het meisje dat op zaterdagochtend een toeristische rondleiding door de klassieke gebouwen van Trinity College verzorgt, Dublins universiteit waar Rooney eerder studeerde, en die enthousiast de studentenkamer van Oscar Wilde aanwijst, heeft wel van Rooney gehoord maar kan haar naam niet direct plaatsen. Maar in een bushokje hangt haar hoofd op een poster, en in de boekhandel ligt haar nu ook in het Nederlands verschenen roman ‘Normal People’ in hoge stapels op de hoek van de tafel.

Ook in buurland Engeland doet Rooney het goed. The Irish Times berichtte vorige week, toen bekend werd dat Rooney als jongste winnaar ooit de Costa Novel Award – een belangrijke Britse literaire prijs – had gewonnen, over affiches in Londense etalages met daarop de tekst: ‘Jazeker, we hebben Sally Rooney op voorraad.’ In een half jaar tijd verkocht ze van ‘Normal People’ in eigen land 20.000 en in Engeland 80.000 exemplaren.

Ze is Iers, maar Rooney legt meer de vinger op de tijdgeest dan dat ze nou in de lokale literaire traditie voortzet. Het draait in haar romans ‘Gesprekken met vrienden’ en ‘Normale mensen’ niet om de katholieke kerk of de Troubles, om armoede en grote gezinnen, maar om tieners en twintigers in Dublin. Rooney schrijft over onzekerheid, vriendschap, seks, eenzaamheid.

Over de bekende opgroeiproblemen, maar door Rooney zo sensibel en intelligent verwoord, dat je er na afloop toch iets meer van denkt te snappen, hoe dat is, jong zijn in de 21ste eeuw. Het is er in dit seksueel vrije maar hyperbewuste digitale tijdperk niet simpeler op geworden.

Jonge vrouwen

‘Normale mensen’ herinnert nog het meest aan het werk van Amerikaanse generatiegenoten als Greta Gerwig (van de films ‘Ladybird’ en ‘Frances Ha’) en schrijver Lena Dunham (‘Girls’). Rooney voelt zich gevleid met de vergelijking met Greta Gerwig (‘Zo’n goede observator van de ervaring van jonge vrouwen, ik vond ‘Ladybird’ heel goed’) maar met Lena Dunham voelt ze zich minder verwant. “Ik schrijf niet over millennials die zich niet weten te handhaven in de volwassen wereld. De problemen van mijn personages hebben te maken met de sociale en economische systemen waar ze deel van uitmaken.”

In een rumoerig hipstercafé in Dublin geeft Rooney gedecideerd en snel antwoord op vragen, vriendelijk maar gereserveerd, terwijl ze ondertussen haastig een broodje eet. Ze werkt aan een script van ‘Normale mensen’ voor een verfilming, maar ze wordt steeds gestoord door de prijzen die ze in ontvangst moet nemen en journalisten die haar willen interviewen. Af en toe stemt ze toe.

Optredens en interviews vindt Rooney ‘nogal stressvol’. Ze hecht aan haar privacy. ‘Schrijvers worden cultureel veel te belangrijk gemaakt’, tweette ze vlak voor verschijning van haar tweede roman om vervolgens tijdelijk van het twittertoneel te verdwijnen om de golf reacties op het boek voor te zijn.

Ethische kwestie

“Ik schrijf fictie. Mijn eigen leven is niet zo interessant”, antwoordt ze op de vraag of ze bewust tegen de stroom ingaat door literaire romans te schrijven in een tijd waarin juist de interesse in het levensverhaal van een schrijver zo groot is. “Het is ook een ethische kwestie voor me: mijn verhaal is niet alleen van mij maar ook van mijn vriend, ouders, familie, vrienden. Die zitten helemaal niet op een verschijning in een van mijn boeken te wachten. Bovendien: juist het verzinnen vind ik heerlijk. Die vrijheid om te spelen met personages. Ze zijn helemaal van mij.

“Ze moeten ook helemaal van mij zijn anders zouden ze me niet kunnen verrassen. Als ik een verzonnen figuur dingen laat doen dan kan ik zelf die figuur ook beter leren kennen. Schrijven is interessant omdat je een personage in verschillende situaties kan uitproberen. Bij mijn zus zou ik de antwoorden al weten. Plus: als ik non-fictie schreef zou ik mij door de waarheidsclaim veel meer geremd voelen. Ik kan mijn personages problemen bezorgen die ik wil dat ze hebben en ze ook weer wegnemen. Natuurlijk put ik daarbij ook uit mijn eigen leven, maar wie alleen maar geïnteresseerd is in mijn levensverhaal, ontkent het creatieve werk dat ik als schrijver doe, of ik nu iets deels uit de werkelijkheid haal of het helemaal verzin.”

En schrijven kan Rooney. Haar lezen is een ongemeen spannende ervaring. ‘Ze kruipt in je hoofd’, schreef het Amerikaanse tijdschrift The New Yorker in een recent profiel. Dat zit hem oppervlakkig gezien niet in de plot die lijkt op andere plots. ‘Normale mensen’ gaat over de knipperlichtrelatie, vriendschap-met-seks, tussen Marianne en Connell, twee millennials die er lang over doen tot ze door krijgen dat ze samen iets heel bijzonders hebben.

Marianne komt uit een kil rijk gezin (agressieve broer, onverschillige moeder die werkt als advocaat, vader dood) Connell uit een warm arm nest, crimineel angehauchte onderklasse, maar wel een liefhebbende alleenstaande moeder. Connells moeder maakt schoon bij die van Marianne. Op de middelbare school in de Ierse provincieplaats is de mooie, atletische Connell populair, en de nerdy Proust lezende, altijd te snel redenerende Marianne een buitenbeentje. Op het elitaire Trinity College in Dublin draaien de rollen om.

Klinkt dit als een schematisch coming-of-age- drama, Rooney’s originaliteit schuilt in haar sensitiviteit en inzicht. Ze floreert in dialogen waarin mensen nooit precies onder woorden brengen wat ze bedoelen en in het commentaar dat die wankele inborst subtiel openbaart.

Klasseverschil

Ze schrijft over mishandeling en verwaarlozing, over seksisme en klassenverschil, eenzaamheid en het gemis aan gemeenschapszin, alles op de vierkante millimeter, het politieke is intiem geworden. “Het gaat me erom hoe persoonlijke relaties gevormd worden door klasseverschil en gender”, zegt ze. “Ik vind het interessant om te zien hoe die verschillen uitwerken in de kleinste interacties tussen mensen”.

Haar empathie met kwetsbare scholieren leverde haar al de bijnaam ‘Salinger van de snapchat-generatie’ op maar dat vindt ze maar ten dele waar. “Ik zat zelf nooit op snapchat. Maar oké, ik zie wel een verwantschap: in psychologie, in de lange dialogen, die vingerafdruk is er zeker. Mijn personages zijn net als de zijne geletterd, jonge boekenwurmen, neurotisch, alleen ze wonen in provinciaal Ierland, niet in Manhattan. En mijn personages vechten niet tegen volwassen hypocrisie maar tegen systemen. Hun maatschappelijke onvrede is meer uitgesproken. Salingers personages doen nooit een politieke uitspraak.”

Gaan de jongeren in ‘Gesprekken met vrienden’ inderdaad met elkaar in discussie over Marx en feminisme, de personages in ‘Normale mensen’ zijn zeker geen activisten, eerder lezers en dromers. “Ze hebben nog geen besluit genomen over de rest van hun leven” zegt Rooney. “Er zijn in Ierland ook niet zoveel ingangen voor jongeren om deel te nemen aan het politieke leven.

“Er bestaat sowieso een grote kloof tussen de staat, de traditionele instituties – zo is 95 procent van de scholen nog steeds in handen van de katholieke kerk – aan de ene kant en de progressievere bevolking aan de andere kant. Dat bleek ook uit de uitkomsten van de referenda over de abortuswetgeving en het homohuwelijk.”

Engagement

Rooney zelf roert zich wel in het politieke debat in Ierland op uitgekiende momenten. Zo hield ze in de krant een hartstochtelijk pleidooi voor de nieuwe Ierse abortuswet die mei vorig jaar met grote meerderheid werd aangenomen. Het engagement heeft ze van huis uit meegekregen. Ze groeide op in een links gezin in County Mayo in West- Ierland, met (inmiddels gescheiden) ouders en twee zussen. Haar moeder was directeur van een cultureel centrum, haar vader ingenieur, allebei grote lezers. Het huis stond vol met boeken. Ze had een harmonieuze jeugd, behalve dat ze zich op de middelbare school enigszins een buitenstaander voelde.

“Mijn eigen ervaring op school leek wel op die van Marianne, ja, al werd ik wel goed behandeld door mijn klasgenoten. Maar ik voelde me toch niet aangesloten bij de sociale wereld daar. Ik snapte de regels niet. Ik zat op een katholieke meisjesschool, maar er was ook een jongensschool in de stad en de jongens waren heel belangrijk voor de meisjes.

“Alles draaide om wie met wie uitging en dat was een groot mysterie voor me. Ik had zelf geen enkele mannelijke vriend. Het was niet alsof er een wedstrijd aan de gang was en ik die verloor, ik deed gewoon niet mee aan de wedstrijd. Pas op de universiteit begon ik de sociale regels te begrijpen, hoe je eraan mee kon doen, welke mensen bovenaan de ladder staan.”

Als student op Trinity College doet Rooney mee aan debattoernooien, waar ze hypernerveus en ‘ star-struck’ aan begint, maar heel goed in wordt. Op haar 22ste is ze Europees debatkampioen. In 2015 beschrijft ze haar ervaringen in een essay in de Dublin Review. Populair worden is simpel in de debatgemeenschap: wie het debat wint krijgt de meeste aandacht.

“Populariteit is niet langer een mysterieuze schikking van persoonlijke loyaliteiten volgens een sociale code die ik niet begrijp”, schrijft Rooney. “Populariteit is gelijk aan succes.” Ze stopt als de rituele verdediging van allerlei standpunten haar tegen gaat staan en de overwinningen gaan vervelen. “Als je meedoet aan een spel leer je de anderen beter kennen, maar overwinningen geven je alleen maar meer inzicht in je zelf”.

Het fundament van haar schrijfcarrière is ondertussen wel gelegd. Na het essay wordt ze benaderd door een literair agent die meer van haar wil lezen en die ze het manuscript van ‘Gesprekken met vrienden’ geeft. De jarenlange oefening in de ‘geritualiseerde abstracte sociale agressie’ in het debat heeft haar vruchten afgeworpen. Dat blootleggen van de minieme machtsverschuivingen in het sociale verkeer vormt de kern van haar werk.

Neem bijvoorbeeld de scène waarin de onhandige Marianne in blote jurk ietwat ongemakkelijk maar toch ingenomen met zichzelf op een feestje belandt, verbaasd het effect registreert (‘de barman kijkt openlijk naar haar borsten terwijl hij tegen haar praat’), zich moed indrinkt, en vervolgens vernederd wordt door een agressieve feestganger die in haar borst knijpt.

Sociaal gemak

Of later, als de provinciale, conformistische Connell bij zijn eerste ontmoetingen op het meer geprivilegieerde Trinity College ieder sociaal gemak verloren heeft. “Vroeger thuis leek zijn verlegenheid nooit een echt obstakel voor zijn sociale leven, want iedereen wist al wie hij was en hij hoefde zich nooit voor te stellen of zijn persoonlijkheid te profileren”, schrijft Rooney.

“Als er al sprake van een persoonlijkheid was leek die iets wat buiten hemzelf stond en eerder werd bepaald door de mening van anderen dan door iets wat hij zelf deed of maakte. Nu heeft hij een gevoel van onzichtbaarheid, nietsheid, hij heeft geen reputatie die bij anderen tot aanbeveling kan strekken.”

Teder schrijft Rooney in ‘Normale mensen’ over het lichaam, over de eerste seksuele ervaringen; roerende observaties die je het gevoel geven een privéwereld binnen te gaan. “Ik moest onderzoeken wie deze mensen zijn en hoe ze zich uiten, zowel in gesprekken als in hun seksuele relatie”, vertelt ze.

“In het begin van het boek zijn ze nog maar kinderen. Ze weten niet wat ze doen. Ze worden overweldigd door hun gevoelens voor elkaar en ze missen het vocabulaire. Het was zeker lastig om die scènes te schrijven. Ik wilde de lezer het gevoel geven hoe machtig die ervaringen zijn. Het moest waarachtig zijn.”

Blij is ze met de enthousiaste ontvangst van haar romans. Al was er ook kritiek. Bij haar debuut werd er geklaagd over salonsocialisme van verwende jongeren. Na ‘Normale mensen’ kwam er kritiek dat ze te veel schreef over onzekerheden, over nuffige meisjes wier grootste verdriet het is dat een jongen ze niet leuk vindt. Hoe verhoudt zich dat tot haar feminisme?

Vrouwelijke leiders

Ze haalt haar schouders op. Rolmodellen interesseren haar niet, zegt ze. “Ik had niet iemand nodig om me erop te wijzen dat vrouwen goede leiders zijn en een belangrijke rol vervullen in het publieke leven. Mijn werkende moeder was de baas ergens. Het was nooit een vraag voor me of vrouwen niet capabel zouden want dat zijn ze en waren ze, al was ik me ook vrij snel bewust van de ongelijkheid in de samenleving.

“Ik schrijf vanuit het geloof dat er een betere wereld mogelijk is, dat mensen compassie kunnen voelen, genereus kunnen zijn. Maar ik schrijf mijn romans niet om iets te bewijzen. Het gaat me om te observeren hoe pijnlijk ervaringen voor jonge vrouwen, voor jonge mensen in het algemeen kunnen zijn. Het gaat me om de complexiteit en subtiliteit van die ervaringen.”

Iedere tijd kent haar keurslijf

psychologie

Het Victoriaanse tijdperk was erg, maar volgens Paul Verhaeghe werden we psychisch nooit zo onderdrukt als nu

Elk tijdsvak kent zijn eigen lijden. Psychische en fysieke klachten die in een bepaalde historische periode veel voorkomen, zijn symptomen van wat er dan mis is met die samenleving. Dat is kort gezegd de manier waarop de bekende Vlaamse psychoanalyticus, maatschappijcriticus en schrijver Paul Verhaeghe onze manier van leven analyseert. Dat deed hij eerst in boeken als ‘Identiteit’ en ‘Autoriteit’, en nu in ‘Intimiteit’.

In het Victoriaanse tijdperk, bijvoorbeeld, met zijn inperkende, strenge seksueel onderdrukkende moraal, zo stelt Verhaeghe, zagen psychoanalytici als Freud en de zijnen vooral seksueel verkrampte patiënten met hysterische klachten. Maar de seksuele revolutie en andere emancipatoire bewegingen maakten ons vrij. Tegenwoordig is er geen verkramping meer. Althans, dat denken we. In realiteit zitten we volgens Verhaeghe juist opgescheept met een zwaarder drukkend en complexer te hanteren keurslijf dan ooit.

Want de knellende banden van religie, huwelijk, of klasse mogen dan verdwenen zijn, we hebben nu de terreur van de schijnbaar bereikbare perfectie. Tegenwoordig, zo denken we, kunnen we worden wat we willen. Als we maar willen. Wie hard genoeg werkt, op kantoor en in de sportschool, wordt zo rijk en mooi als de onbereikbare ideaalbeelden uit de reclame.

En dit is precies waar de schoen knelt. Want als het ideaal nooit geheel bereikbaar is, wanneer is goed dan goed genoeg? Hoeveel moet ik wegen om mooi te zijn? Hoe weet ik of ik de perfecte partner heb of dat er een betere is? In onze op concurrentie draaiende markteconomie zijn we zelf een product geworden. Het aantal likes op Facebook of swipes op Tinder bepaalt onze marktwaarde. En wie faalt, is daar zelf verantwoordelijk voor.

Deze spanning, zegt Verhaeghe, maakt ons ziek. En eenzaam. Want er is volgens Verhaeghe nog een ander mechanisme aan het werk. Nu niet alleen eten, drinken maar bijvoorbeeld ook seks vrij verkrijgbaar is, is het Victoriaanse verbod op genot omgeslagen in het omgekeerde. Gij zult genieten. Maar, vraagt Verhaeghe, zich af, weten we nog wel hoe? Want met alle nadruk die we leggen op de instrumentele rede zijn we vervreemd geraakt van ons eigen lichaam.

In ‘Intimiteit’ neemt Verhaeghe weer stelling tegen onze huidige manier van leven. Wie bekend is met zijn werk komt dan ook niet voor verrassingen te staan. In zijn meest fundamentele boodschap – onze neoliberale zelfzucht en concurrentiestrijd leiden via zelfvervreemding tot ziekte en ongeluk – herhaalt hij zichzelf.

Ook kun je van alles vinden van zijn stelligheid. Verhaeghe schrijft zijn boeken immers vanuit een vooraf ingenomen standpunt. De vrag is of hij cijfers niet te zeer naar zich toe interpreteert. Welke getallen moeten we bijvoorbeeld gebruiken als maat voor ons welzijn? Het feit dat zowel Nederland als België in geluksonderzoeken steevast tot de hoogst scorende landen behoren? Of het aantal gediagnosticeerde depressies dat nog nooit zo groot is geweest? Verhaeghe zegt: de laatste.

Maar of je het eens bent met Verhaeghe of niet, feit is dat hij wederom een rijk, gelaagd en erudiet boek heeft geschreven. Een typische Verhaeghe. En ‘Intimiteit’ zet ons weer aan het denken. Nu we om de oren worden geslagen met boeken over de relatie tussen veilige hechting en het vermogen tot intimiteit is Verhaeghe’s stem een waardevolle aanvulling, veelzijdig en wars van simplificaties. Verhaeghe graaft dieper dan de meeste psychologen die schrijven voor een breed publiek.

Bijvoorbeeld in zijn nadruk op de verhouding tot ons lichaam. We worden geboren als een puur fysiek belevend wezen, stelt hij, bij wie de geest een steeds grotere rol gaat spelen. In navolging van denkers als Lacan noemt hij het risico dat ons verstand een splijtzwam wordt die ons van onszelf vervreemdt.

Daarom is het cruciaal, zegt Verhaeghe, dat we als kind de juiste verhouding tot ons lichaam leren innemen. Een goede ouder biedt niet alleen veiligheid maar helpt ons ook niet bang te zijn voor wat er in ons binnenste leeft. Voor onze driften en emoties. Die ouder helpt ons de signalen die ons lichaam geeft te erkennen en duiden. Zo worden we intiem met onszelf.

Pas als we dat kunnen, zegt Verhaeghe, kunnen we intiem zijn met elkaar.

Paul Verhaeghe

Intimiteit

Je vooroordelen doen jezelf soms versteld staan’

interview Iris sommer

Je moet steeds opnieuw moeite doen om je eigen waarneming te begrijpen, vindt psychiater Iris Sommer. Die is altijd een kwestie van interpretatie.

Je kunt jezelf ruimdenkend vinden, en progressief. Natuurlijk discrimineer je vrouwen niet, of homo’s, moslims of zwarten. Maar psychiater Iris Sommer heeft inmiddels wel gezien dat de mens die écht onbevangen is niet bestaat. Ze schreef er onlangs een boek over: ‘De zeven zintuigen. Over waarnemen en onwaarnemen’. “De hersenen voegen altijd iets toe aan je waarnemingen. Meestal een supersnelle, onbewuste associatie. Test je die associaties, dan sta je nog versteld van je eigen vooroordelen. Mijn liefste vrienden zijn homoseksueel, maar het kost me meer tijd homo’s met positieve woorden in verband te brengen dan hetero’s.”

In het ‘Hersencafé’ op de afdeling psychiatrie van het Universitair Medisch Centrum Utrecht klapt hoogleraar Sommer haar Apple open en vindt meteen een psychologische test van Harvard: implicit.harvard.edu. “Doe hem zelf maar eens”, spoort ze aan. De (voor iedereen toegankelijke) test die ze mij voorlegt gaat over de snelheid waarmee je bijvoorbeeld Arabische voornamen en Hollandse, Franse of Chinese voornamen in verband brengt met positieve woorden als ‘geluk’ of ‘blijdschap’ of met negatieve woorden als ‘somberheid’ of ‘boosheid’. Zoals Sommer al verwachtte, ontstaat ook bij mij verwarring tijdens de test: hoewel die eenvoudig is, kost het mij extra nadenktijd om het gunstige woord te koppelen aan een islamitische naam. Heb ik, onbewust, vooroordelen jegens moslims?

Ik schaam me! Wat zit er in mij dat zo bevooroordeeld is?

“Ook jouw hersenen maken onbewust een voorselectie van samenhangen die zo’n proces van associatie in werking zetten. Je kunt er weinig aan doen dat dit gebeurt. De thalamus filtert je waarnemingen, en de hippocampus maakt een afspiegeling van wat we denken dat er om ons heen gebeurt en vergelijkt die waarnemingen met wat we eerder opgevangen hebben. Waarneming is dus een combinatie van input vanuit de zintuigen, en een groot deel interpretatie, samenvatting en selectie vanuit de hersenen. De waarneming is subjectief, gekleurd en slordig. En soms behoorlijk bezijden de waarheid, voor zover je die al echt kunt vaststellen.”

Het begint allemaal met de zintuigen. Wat nemen wij wel en niet waar?

“De thalamus, een grote kern in het midden van de hersenen, filtert alle zintuigen, behalve de reuk. We mogen blij zijn met die filter, want je zou gek worden als je alles zou zien, horen, voelen of proeven. Alles wat niet nieuw, niet van betekenis en niet bedreigend is, nemen we niet bewust waar. In dit café kunnen wij met elkaar praten en ontgaat ons wat er aan de tafel hiernaast gezegd wordt. Dat kan jammer zijn, want misschien vertellen ze daar nog wel een veel mooier verhaal.

Het oog bijvoorbeeld, ziet dat dan niet alles wat er om ons heen gebeurt?

“Nee. Het oog is geen camera die plaatjes maakt. Onze ogen zien zelfs niks. Pas in de hersenen wordt betekenis gegeven aan de elektrische signalen die de lichtgevoelige cellen van het netvlies doorsturen. Zien doe je dus met de hersenen. Wat je ziet, is wat je geleerd hebt om te zien. Het is gebaseerd op kennis en ervaringen die je al een keer eerder hebt opgedaan. Wat je ziet blijft als het ware alleen hangen als er een haakje voor is. Zo had ik bijvoorbeeld vroeger geen haakje voor bomen. Ik zag ze als gewoon wat onbestemd gebladerte. Maar na mijn veertigste leerde ik van een vriend tijdens onze wandelingen bomen te herkennen. Hij heeft mij letterlijk de ogen geopend voor bomen. Nu zie ik ineens overal verschillende soorten. Een verrijking”

Maar dat onze waarneming sterk gefilterd wordt, wil toch nog niet zeggen dat we ook bevooroordeeld zijn?

“Aan de binnenkant van de slaapkwab in de hersenen ligt de hippocampus , ofwel het zeepaardje. Deze structuur maakt dat wij iets hebben dat andere dieren waarschijnlijk niet hebben: bewustzijn. De hippocampus maakt een afspiegeling van wat we denken dat er om ons heen gebeurt en probeert dat te vergelijken met wat we eerder zoal opgevangen hebben. We zijn altijd op zoek naar herkenbare patronen, naar verklaringen, naar oorzaak-gevolgrelaties. Zien we een poster van de SP, dan associëren we dat met staking, actie ” en Brabanders. Wanneer één element uit zo’n netwerk geactiveerd wordt, zien we vanzelf het hele netwerk. Die andere dingen, die meegeactiveerd worden, noemen we associaties.”

Maar die associaties deugen niet altijd?

“Vaak niet. De wereld is namelijk onvoorspelbaar en onbegrijpelijk, dus elke theorie gaat onherroepelijk mank. Maar je kunt wel wat doen om je eerste associaties bij te stellen. Het levenswerk van de Amerikaanse psycholoog Daniel Kahneman dat hem de Nobelprijs (overigens voor economie) heeft opgeleverd, biedt een goed inzicht in ons denken. Hij stelde dat wij denken op twee snelheden. Het eerste denksysteem (ook systeem 1 genoemd) is er eentje dat geen actieve aandacht kost, onbewust gaat en razendsnel werkt. Je ziet onder het werk iemand een appel eten en denkt even aan wat jij nog op je boodschappenlijstje moet zetten. Die gedachten schieten overal tussendoor. Iedere gefilterde waarneming zet jouw unieke bijpassende netwerk van associaties in werking. Denk maar aan dat voorbeeld van de SP. Dit denken gebeurt volgens mij niet in woorden, maar eerder in concepten of beelden. In een fractie van een seconde heb je een mening klaar of een plan van actie. Als je alleen denkt met systeem 1, dan gebruik je vooral je intuïtie. Of je onderbuikgevoel. Niet je goede verstand.

Dat ‘goede verstand’ helpt ons tegen dit onderbuikgevoel?

“Dat is wel mijn pleidooi. Kahneman noemt dat ‘denken met aandacht’, ofwel systeem 2. Dat denken gaat wel in woorden, en kost veel moeite. We kunnen dat niet de hele dag door. We moeten er onze volledige denkcapaciteit voor gebruiken: het slimme, rationele, logische denken. Dat gebeurt onder andere in de voorhoofdskwab, die juist bij de mens zo goed ontwikkeld is. Kijk, dat we vooroordelen hebben zit bij ons ingebakken omdat systeem 1 altijd en ongevraagd zijn werk doet. Je zag hoe jij zelf ongewild meer tijd nodig had om Arabische namen met positieve woorden in verband te brengen. Etnisch profileren doen we allemaal. Maar dat hoeft je nog niet tot een populist te maken. Het gaat erom of je er ook op vaart, of je de moeite doet om te denken met aandacht en logisch nadenkt over die associaties.

Kan een slim iemand makkelijker logisch nadenken over die onbewuste associaties dan iemand met minder intelligentie?

“Iedereen kan erop trainen. Het is net als naar de sportschool gaan. Ik vind het ook niet leuk om iedere avond buikspieroefeningen te doen, maar ik zet me er wel toe. En als je heel veel op iets traint, gaat dat op een gegeven moment makkelijker en uiteindelijk kan het zelfs onbewust en associatief gaan. Denk maar aan autorijden; waar de coördinatie met de koppeling en het gaspedaal eerst moeite kostte, doe je dat later zonder erbij na te denken. En een schaakgrootmeester overziet de spelsituaties zo snel, dat hij moeiteloos tegen 25 anderen schaakt die op hun beurt wel allemaal heel actief logisch aan het denken zijn. Zo’n schaakgrootmeester heeft dan ook al minstens tienduizend trainingsuren gemaakt. En wie voor het eerst in China komt, denkt misschien dat alle Chinezen op elkaar lijken. Maar als je er langer bent, en Chinezen eenmaal hebt leren onderscheiden met behulp van een hersengebiedje onder in de slaapkwab, gaat het vervolgens veel gemakkelijker.”

Zijn die associaties niet ook erg afhankelijk van je sociale omgeving?

“Jazeker. Opvoeding, cultuur en religie zijn enorm bepalend voor je intuïtie, of het onderbuikgevoel. Toen ik in India was, bemerkte ik bijvoorbeeld hoe anders ze daar omgaan met mensen die het in onze ogen slecht getroffen hebben. Een blinde bedelaar zal in de ogen van iedere Nederlander opvallen: dat komen we niet vaak tegen. Zo’n bedelaar wordt in onze waarneming niet weggefilterd, en we spiegelen die waarneming in onze hersenen aan onze culturele en religieuze opvattingen over hulpbehoevendheid of mededogen. Maar in India gaan ze ervan uit dat de blinde bedelaar, of anders zijn voorouders, dat lot zelf verdienden. Als hij in een vorig leven beter geleefd had, had hij nu niet hier gezeten. Dat maakt het heel anders kijken en denken.”

Wat doet religie met de waarneming?

“Religie kan helpen bij het invullen van een van de basisbehoeften van mensen: de behoefte aan veiligheid. We willen het leven beheersbaar en voorspelbaar houden. Overkomt ons iets noodlottigs, dan geeft het troost om te denken dat het nu eenmaal ‘de wil van God’ was. We hebben ook een sterke behoefte aan rechtvaardigheid. Als we bidden, offers brengen of ons goed gedragen, dan zullen we daarvoor beloond worden. We hopen zo onze onzekere toekomst te kunnen beïnvloeden. Maar dit is natuurlijk bijgeloof, en dat leidt soms tot onredelijkheid. Uit naam van religies zijn verschrikkelijke dingen gebeurd als heksenverbrandingen of het vermoorden van albino-kinderen omdat zij het boze oog zouden hebben.”

Zulke excessen hebben misschien te maken met bijgeloof, maar toch ook met angst?

“Zeker. Als we angstige gevoelens hebben voor anderen, of boos op hen zijn, gaat onze waarneming extra snel. Juist dan vindt sterke selectie en aanvulling plaats vanuit de hersenen en is kans op missers het grootst. In die situaties moet je er altijd vanuit gaan dat jouw kijk op de wereld slechts een van de vele mogelijkheden is.”

Hoe zou je wel in het leven moeten staan?

“Onbevangen in het leven staan kan niet. En dat hoeft ook niet erg te zijn, zolang je je daar maar van bewust bent. Wat op mij in India veel indruk maakte, is de leer van de sikhs en van hun eerste goeroe Nanak. Hij stelde zich op als leerling om zijn wereld te verruimen. Hij accepteerde het bestaan van vele verschillende geloven en tolereerde geen oordeel of onderdrukking op basis van godsdienst, kaste, huidskleur of geslacht. Denk overigens niet dat ik nu oosterse wijsheid wil aanprijzen. Het gaat mij als hersenwetenschapper vooral om die lerende houding: door je wereld uit te breiden, wordt je waarneming ruimer. Je ziet en hoort wat je weet. Weet je meer, dan zie en hoor je ook meer. Er gaat dan een wereld voor je open.” ”

Iris Sommer (1970) is neurowetenschapper aan het Universitair Medisch Centrum Groningen. Ze promoveerde in 2004 cum laude in Utrecht op het verband tussen ‘stemmen horen’ en hersenactiviteit bij schizofrenie. In 2009 werd ze hoogleraar aan Universitair Medisch Centrum Utrecht, waar ze nog steeds promovendi begeleidt. Ze schreef de bestseller ‘Haperende hersenen’, en verving Bert Keizer als columnist in Trouw.

Sommer ontwikkelt een nieuwe behandeling om mensen met cognitieve gebreken te ondersteunen tijdens hun herstel van medische, psychiatrische of neurologische aandoeningen.

Iris Sommer

De zeven zintuigen. Over waarnemen en onwaarnemen

VOLTOOID LEVEN – Wat kan er mis zijn met het idee dat je zelf bepaalt wanneer je wilt sterven? Een heleboel, meent filosoof en ethicus Paul van Tongeren.

Dood willen. Kan dat eigenlijk? Het idee dat je dood moet mógen willen, is zeker aan een opmars bezig. Wie zijn leven voltooid acht, moet – onder voorwaarden – uit dat leven kunnen stappen, zeggen de voorstanders in het voltooid-levendebat. Maar hoe kun je willen niet meer te willen, vraagt filosoof Paul van Tongeren. De dood heft elk willen op.

Met ‘Willen sterven’ mengt de emeritus hoogleraar zich op nogal schokkende wijze in het debat. Want de vraag wat dood-willen betekent, kan respectloos overkomen, erkent Van Tongeren. “Alleen al het stellen van de vraag lijkt een belediging voor degene die deze wens of wil kenbaar maakt”, schrijft hij. “Iemand die dood wil, wil immers gewoon dát: dood.”

Even voor alle duidelijkheid, vertelt hij, hij heeft het in zijn boek vooral over de kwestie voltooid leven. “Bij euthanasie gaat het in de eerste plaats om barmhartigheid: vermijden dat mensen ondraaglijk lijden. Bij voltooid leven gaat het erom dat mensen het recht zouden hebben over hun eigen dood te beschikken. En dus over hun eigen levenseinde.”

Hoogst problematisch

Hebben ze dat recht op zelfbeschikking dan niet? “Natuurlijk kan ik me voorstellen dat het zover komt dat je over je eigen dood wilt beslissen, dat je bijvoorbeeld het moment wilt kiezen”, geeft Paul van Tongeren toe. “Maar willen sterven blijft hoogst problematisch. Het is van een andere orde dan alles wat we verder willen of wensen.”

Dat filosofische bezwaar blijkt al uit één van de motto’s die aan Van Tongerens boek voorafgaan, van Ludwig Wittgenstein: ‘Je eigen vernietiging kún je helemaal niet willen.’ Dat is wat Van Tongeren ook betoogt. Je kunt wel zeggen dat je dood wilt, maar kun je ook echt willen niet meer te wíllen?

Dat lijkt nogal een academische kwestie, zoals Bert Keizer Van Tongeren al eens voorgehouden heeft. “Wat schieten we op met zo’n taalkundige exercitie?” repliceerde de arts-filosoof in een tweegesprek in Filosofie Magazine. Als iemand zegt ‘ik wil gewoon dood’, dan is het volgens Keizer “niet zo relevant dat jij die persoon gaat uitleggen waarom zijn wil helemaal niet zo gewoon is.”

Toch moet die vraag, wat het betekent dood te wíllen, gesteld worden, benadrukt Van Tongeren. Niet alleen omdat er achter het zelfgekozen einde vaak iets anders schuil gaat, bijvoorbeeld de angst niets meer waard te zijn als je dement en afhankelijk bent. Zulke onzekerheid kun je bestrijden door beter voor mensen te zorgen. Het gaat Van Tongeren om iets anders. “Dat de dood niet zomaar gewild kan worden, heeft te maken met een probleem dat aan de wil vastzit. De wil is in zichzelf verdeeld, zoals Augustinus zegt, en dat conflict wordt sterker als de keuze existentiëler wordt. Omdat de keuze voor de dood de meest existentiële is die er bestaat, merk je dat de wil hier sterk met zichzelf in conflict komt.”

“Dat wilsconflict zie je ook optreden bij mensen die hebben besloten zelf hun einde te bepalen. Ze weten vaak niet precies wanneer ze eraan toe zijn de dood in gang te zetten. Is dít nou het moment of niet? Overigens zit in die wil om te sterven ook vaak een proteststem, wat wordt bevestigd door Bert Keizer. De doodswil lijkt vaak een opflakkering van de behoefte zelf de baas te willen blijven, juist omdát de levenswil afneemt.”

De regie hebben

“Dan kun je natuurlijk zeggen: nou én? Als mensen het gevoel hebben met zo’n pil de regie terug te krijgen, waarom zou je ze dat gevoel dan misgunnen? Maar als de doodswens gecompliceerd is, heeft dat wel degelijk gevolgen voor de vraag wat de samenleving daarmee aanmoet. Het betekent in elk geval dat je die doodswens niet zomaar moet inwilligen.”

Wat kun je dan wel doen? Helpen, zegt van Tongeren. Hoe dan? Door te leren zelf als hulpverlener hulpeloosheid te voelen. “Want dat is wat je bij een sterfbed voelt. Je kunt aandacht geven, je kunt op bezoek gaan, maar je kunt die nood niet wegnemen. De bereidheid er te zijn, terwijl je niets kunt doen, dat wordt in onze tijd verschrikkelijk moeilijk gevonden. We willen wel helpen, maar dan moet het wel effect hebben. We willen problemen oplossen. Maar de dood is een probleem dat je niet kunt oplossen. Daarom is het te kort door de bocht te zeggen dat mensen met een doodswens gewoon meer aandacht nodig hebben of betere verzorging. Hoe waar dat ook is, dat lost het probleem niet op.”

Blijft de vraag waarom dit onderwerp de emeritus-hoogleraar zo interesseert. “Dat heb ik mezelf natuurlijk ook afgevraagd”, bekent Van Tongeren. “Het gaat me allereerst om de analyse van de wil, maar dat staat tegen de achtergrond van iets dat zich aan de ratio onttrekt, iets dat je cultuurstichtend zou kunnen noemen: het taboe van de grens tussen leven en dood. Daar stap je niet zomaar overheen.”

“Het rare aan een taboe is alleen dat je het niet echt kunt verdedigen. Het heerst, dat wil zeggen: ik kan niet precies uitleggen waarom ik het erg vind dat de grens tussen leven en dood vervaagt, maar ik vínd het erg – en ik ben niet de enige. Waarom gebruiken zoveel mensen anders nog steeds het woord zelfmoord en niet zelfdoding – zelfs mensen die zelfbeschikking verdedigen? Dat lijkt me een symptoom van het heersende taboe dat daar iets gebeurt, wat eigenlijk niet kan: het bewust overschrijden van een grens waar we binnen horen te blijven.”

Zo’n pil geeft rust

“Na een lezing kwam iemand naar me toe en zei: ‘Ik ben het helemaal met u eens, maar ik ben toch blij dat ik de middelen in huis heb.’ Dat herken ik. Ik kan me heel goed voorstellen dat zo’n pil rust geeft. En tegelijk klopt er iets niet. We doen alsof we iets in de hand hebben dat we níet in de hand hebben. Niet omdat iemand anders over ons beslist, maar omdat de eigen dood geen wilsbesluit kan zijn. Het is niet één van de keuzes die je in je leven kunt maken. De dood is van een radicaal andere orde.”

“Natuurlijk zijn er ook mensen die dat taboe op de dood niet ervaren. Dat mág, ik vind het niet de taak van de ethicus iemand iets te verbieden. Dat doe ik ook niet. Maar als filosoof stel ik vast dat mensen soms iets doen wat eigenlijk niet kan, hoe arrogant dat ook klinkt. Zoals je dingen kunt zeggen die niet kloppen, zo kun je ook dingen doen die niet kloppen. Het zou vreemd zijn mensen wettelijk het recht te geven daarbij hulp te ontvangen.”

Paul van Tongeren: Willen sterven. Over de autonomie en het voltooide leven. Uitgeverij Kok, 126 blz. € 11,99.

Stephen Fry beschrijft de levens van Griekse goden als de perikelen van een dysfunctionele familie, vindt Abdelkader Benali

Stephen Fry
Mythos. De Griekse mythen herverteld

Pareltje is Amor en Psyche, met echo’s van Monty Python en Shakespeare

T oen mijn vrouw, Saida, en ik in het huwelijksbootje stapten, besloten we de trouwdag op te luisteren met traditionele Marokkaanse muziek. Een bont gezelschap van in geitehuiden geklede artiesten speelde op houten fluiten de hoge, nasale tonen van het Rif-gebergte, waar de wortels van onze voorouders liggen.

Deze van oorsprong herdersmuziek werd in de jaren zeventig door de Rolling Stones bij een van bezoeken aan de havenstad Tanger ontdekt. De opzwepende, hypnotiserende tonen trok ze aan. Bandlid Brian Jones raakte onder de indruk van de trance-achtige muziek en maakte er een plaatopname van die bekend werd als de Master Musicians of Joujouka.

De Amerikaanse schrijver William Burroughs bracht de opvallende verschijning van de artiesten als half-mens en half-geit in verband met de cultusverering van Pan bij de oude Romeinen. Pan was een echte vruchtbaarheidsgod; de opgewekte herder ging vergezeld van een fluit, vermaakte zichzelf en anderen en waar schone dames lonkten, sloeg hij zijn slag.

Ik wil best geloven dat voor de komst van de islam deze oude, heidense riten ook in Noord-Afrika bestonden. Het Romeinse imperium, erfgenaam van de Griekse beschaving, had ook handelsposten in Mauretania (huidig Noord-Afrika). Een van de grote mythenverzamelaars, Apuleius, was een Berber en kwam uit dit gebied. Aan hem hebben we het prachtige verhaal van Amor en Psyche te danken. Uit de Levant (nu Libanon) kwamen de mythische goden mee, zoals Afrodite. De gedachte dat mijn islamitische familie en schoonfamilie hadden gedanst op de heidense muziek van Pan bezorgde me een glimlach.

Een goede ondertitel van Stephen Fry’s ‘Mythos’ zou ‘Familieperikelen’ zijn. Na ons ingeleid te hebben in ontstaansgeschiedenis van het Griekse universum, begint Fry aan een kroniek van een paar honderd pagina’s waarin gezinsuitbreiding op gezinsuitbreiding volgt. En zoals in elke dysfunctionele, grote familie staat iedereen elkaar naar het leven. En liefde komt met een prijs. Die duizelingwekkende verwikkelingen noden tot langzamer lezen, ook omdat elke god of halfgod die zich toegang verschaft tot de Olympus, een oorsprongsverhaal heeft dat verklaart waarom we de landbouw hebben, sommige eilanden vervloekt zijn of Europa naar een Libanese prinses is vernoemd.

Het zijn opvallend vaak de verheven goden die zich niet van hun beste kant laten zien. Daarnaast kan de Griekse god wel almachtig zijn, als het op relaties aankomt laat hij of zij heel veel steekjes vallen. Hooggestemde idealen moeten vechten tegen lage instincten. Vooral Zeus – de oermacho – heeft er een handje van om alle ethiek aan zijn laars te lappen wanneer het gaat om zijn zucht naar onmiddellijke bevrediging. Hij is mister #Metoo.

Fry wil de verhalen vertellen zonder oordeel te vellen. Hij dekt zich aan het begin in door niet te willen pretenderen een academicus te zijn. Dat is valse bescheidenheid. Hij is uitstekend geschikt voor deze taak omdat hij een geboren verhalenverteller is. Meer dan in de Nederlandstalige wereld, zijn de mythen in de Angelsaksische wereld gepopulariseerd door hervertellingen voor een breed publiek. Dat de Grieken bij ons geassocieerd worden met het elitaire gymnasium heeft de verhalen bij ons weggehouden en dat is jammer. Dit boek kan hier goed werk verrichten.

Deze mythes vertellen dat de wereld waarin we leven op vele manieren tot stand is gekomen. Onze werkelijkheid is er een van oneindige verscheidenheid. Daarom is dit boek geen goedkope fantasy, maar blijf je erin doorlezen. Want we leven nu op een bepaalde manier weer in Griekse tijden, waarin we moet leren omgaan met heel veel soorten mensen met verschillende talenten. In die kruisbestuiving ontstaan nieuwe manieren van denken en doen. De mythen laten zien hoe families en volkeren continu in staat van verandering verkeren.

Fry vertelt mooi over Hermafroditus, kind van Hermes en Afrodite, die beide geslachtskenmerken draagt. In een voetnoot onthult Fry dat Britse musea beelden van Hermafroditus tot kort geleden verborgen hielden. Het publieke oog was niet klaar voor de gedachte dat mensen man noch vrouw zijn. De Griekse goden waren vele malen progressiever dan wij zijn.

De oneindige charme van deze mythen is welke originele vondsten de verhalenvertellers uit de hoge hoed wisten te toveren om alles te verklaren; van aardbevingen tot de oorsprong van Tijd, van jaloezie tot het beroep van smid. En hun kracht is dat ze het ontzettend goed lukt om die wereld aan de hand van verhalen diepe inhoud te geven. We weten inmiddels dat het graan niet door Demeter – de godin van de vruchtbaarheid – omhoog wordt geduwd, maar wat blijft is de magie van de vertelling.

Fry vertelt hoe wij mensen door de schrandere Prometheus het vuur kregen – letterlijk de vonk van onze beschaving . Zeus verveelde zich en kwam op het idee om kleiachtige wezens te maken. Het was Prometheus die ze het vuur bracht zodat de mens de goddelijke vonk zelf kon vooroorzaken. Er zit een impliciete geschiedenisles in dit verhaal verstopt, over hoe de domesticatie van het vuur, het ijzersmeden en daarop gebaseerde culturen tot ontwikkeling kwamen. Vooral wanneer Fry uitgebreid de tijd neemt om te vertellen, gebruikmakend van alle moderne verteltechnieken, komen de goden tot hun recht. Pareltje is het verhaal van Cupido en Psyche, waarin echo’s van Shakespeare en Monty Python in doorklinken.

Fry schroomt niet om bruggetjes te maken naar de hedendaagse beschaving. Wat hij niet kwijt kan in het verhaal, wordt met een voetnoot bijgelicht, en die zijn op z’n minst interessant. Zo wist ik niet dat zowel Bosporus, Oxford, Ossendrecht als Coevorden één en hetzelfde woord zijn voor runderoversteekplaats.

Aan het einde van het boek relativeert Fry de Griekse wereld: ook die was verre van perfect. Dat is een overbodige toevoeging, wellicht ingefluisterd door een overijverige redacteur die bang is dat het boek wordt begrepen als bescherming van de superieure, westerse cultuur. Het had van mij niet gehoeven. Wie de verhalen leest, beseft al snel dat er niet zoiets bestaat als een superieure beschaving. Wel was er een beschaving waarin geen perfecte goden bestonden – ze waren net zo zoekende als de mensen zelf. De Griekse Goden waanden zich superieur, maar wanneer hun emoties de overhand kregen, waren ze niet veel beter dan een dysfunctionele familie in een oververhitte soap.

Hun kwetsbaarheid is me heilig.

Griekse mythologie

Stephen fry

De ziel Carolien van Welij

filosoof, neerlandicus

Is de ziel ons diepste gevoel of een rationeel zelf? Grote denkers en schrijvers over de kern van de mens.

 

Homerus (800-750 v.Chr.)

Wat gebeurt er met ons na de dood? Homerus’ begrip ‘psyche’ in de Ilias en de Odyssee is een antwoord op die vraag. Bij de dood scheiden lichaam (soma) en ziel (psyche) zich van elkaar. Psyche betekent ‘adem’ of ‘levensadem’ en kun je ook vertalen met ‘leven’. Bij de dood verlaat de psyche het lichaam als een uitademing. Deze ziel is een schaduwziel: een schaduw van het zelf, een soort dubbelganger van de overledene, die naar het dodenrijk van Hades reist. Voor Homerus hoort de ziel niet bij het leven, maar manifesteert die zich pas na de dood. 

Als Odysseus tijdens zijn reis de onderwereld binnenkomt, ontmoet hij de schaduw van zijn moeder. Hij probeert haar te omarmen, maar dat lukt niet. Zij vertelt hem dat bij de dood de pezen niet meer ‘het vlees en gebeente’ vasthouden: ‘zodra het leven de witte beenderen verlaat’ vliegt de ziel weg ‘als een droom en fladdert in ‘t rond.’

 

ZIEL en God Hoog in de Noorse bergen zoeken naar de ziel
 
Hoog in de Noorse bergen zoeken naar de ziel
 
innerlijk – Met de ontkerkelijking lijkt ook het begrip ‘de ziel’ uit onze cultuur verdwenen. Eeuwig zonde, vindt de Noorse cultuurhistoricus Ole Martin Høystad.
LEONIE BREEBAART
 
Zes jaar lang zat Ole Martin Høystad (1947) in een Noorse berghut te studeren op Aristoteles en Augustinus, Montaigne en Kierkegaard, Dante en Freud – om maar een paar pleisterplaatsen te noemen in zijn uitgebreide, net in het Nederlands vertaalde cultuurgeschiedenis van de ziel. Doel van zijn monnikenwerk: het ongrijpbaarste begrip in de westerse cultuur doorgronden. Wat is de ziel? Hoe kan ze onsterfelijk zijn? En als ze dat niet is, hebben we haar dan nog nodig?
 
Vooral die laatste vraag houdt Høystad bezig. Want hoewel onze taal met woorden als ‘zielsgelukkig’, ‘zielsverwant’ en ‘iemand op de ziel trappen’ nog herinnert aan het belang dat we ooit aan onze ziel hechtten, hoor je weinig mensen meer praten over hun zielenheil. Ook niet in de kerk? Volgens Høystad niet. “Moderne christenen zien de ziel ook als probleem – het is een taboeonderwerp. Ze associëren het onmiddellijk met hel en verdoemenis. De hel heeft de ziel in verlegenheid gebracht.”
 
De vriendelijke Noorse emeritus hoogleraar, die al eerder een succesvolle cultuurgeschiedenis van het hart schreef, is op bezoek bij zijn Nederlandse uitgever en blikt tevreden naar de fraaie Nederlandse uitgave van zijn boek. Hét antwoord op de vraag wat de ziel is, kan hij daarin niet leveren. Zes jaar studie overtuigden hem er wél van dat de Europese mens in het woord ‘ziel’ heeft uitgedrukt wat het betekent om mens te zijn. En dat is niet steeds hetzelfde geweest.
 
Ook naar het boeddhisme en naar de islam maakt Høystad overigens een uitstapje, maar hij concentreert zich op de westerse traditie – met regelmatige verwijzing naar moderne fenomenen als Harry Potter en islamitisch terrorisme. “Ik hoop dat ik het begrijpelijk heb opgeschreven. Want de ziel gaat iedereen aan.”
 
U noemt de Middeleeuwen als onbetwist hoogtepunt in de geschiedenis van de ziel. Dat is ook de tijd dat christenen doodsbang waren in de hel te komen.
 
“Het christendom is over de ziel heel dubbel. Voor je zielenheil moet je tijdens je leven zorgen, maar tegelijkertijd is de ziel onsterfelijk. Dat laatste is voor moderne mensen moeilijk te begrijpen, net zoals we ons de hel en het paradijs lastig kunnen voorstellen. Maar het interessante is, dat de ziel zulke scepsis, die in de Renaissance al opkomt, overleeft. Als het bovennatuurlijke minder belangrijk wordt, wordt werken aan je ziel iets wat je voor dít leven doet.
 
“Je ziet dat duidelijk bij de Franse essayist Montaigne. Hij zet zich af tegen de Middeleeuwen. Hij is een echte scepticus, maar wel een constructieve scepticus: hij wil uitvinden hoe het zit! En bij dat onderzoek gebruikt hij zichzelf als voorbeeld. Zo ontdekt hij al schrijvend dat hij een complex innerlijk heeft, bestaande uit dromen, verlav ngens, gevoelens. De ziel blijkt ongrijpbaar. Maar toch: we wéten dat we een lichaam hebben, we wéten dat we kunnen denken. Maar er zit iets tussenin: onze gevoelens en onze wil. Dat is ons innerlijk. Om dat te kunnen hanteren hebben we een concept nodig en dat is de ziel. Voor Montaigne is de ziel iets dynamisch, dat je lezend en schrijvend kunt ontwikkelen.”
 
Met die humanistische houding maakte Montaigne ook een einde aan het zondebesef waarmee Augustinus de christelijke ziel had opgezadeld. Begeerte maakt de mens tot dier, de ziel moest steeds vechten tegen zulke duivelse machten.
 
“Dat staat ook in de Bijbel natuurlijk. Maar het idee dat het lot van onze ziel op het spel staat, dat heeft Augustinus inderdaad op de kaart gezet. Ik vind dat niet negatief: Augustinus is groots, echt groots. Hij is zo eerlijk over zijn innerlijk leven. Met zijn talent zichzelf te doorgronden, zijn psychologische methode, was hij zijn tijd ver vooruit. Pas in de hoge Middeleeuwen wordt die aandacht voor het innerlijk leven weer opgepakt. Ze leidt niet alleen tot zondebesef, maar ook tot de cultuur van het hart, van de minnezangen, de riddercultuur, de romantische liefde. Het hart wordt de plek waar de ziel zetelt.”
 
En daar begint het gedonder – en de twijfel. Als de ziel bestaat, moet ze ook ergens zetelen of zitten. En dat valt natuurlijk nooit te bewijzen.
 
“Het probleem was eerst vooral wáár de ziel zat. Anders dan de christenen, dacht Leonardo da Vinci dat ze in de hersenen zat – en niet in het hart, dat volgens deze renaissancemens niet kon denken. Dat was een cruciaal verschil. En omdat dit ook het tijdperk was van anatomische experimenten, werd in de hersenen ook naar die ziel gezocht. Nederland stond bekend om zulke snij-exercities. En Descartes, grondlegger van de moderne wijsbegeerte, deed daar aan mee, hij wist er ook veel vanaf. Als de ziel ergens zat, concludeerde hij, dan moest ze zitten in de pijnappelklier, die lichaam en bewustzijn verbindt. Dat was natuurlijk heel ketters. Maar ook fataal voor de ziel, omdat die nu verbonden raakte met het denken.”
 
Waarom fataal?
 
“Als de ziel net zoiets is als denken, dan kun je haar gewoon opheffen. Je hebt het concept niet meer nodig. Geloof in de ziel wordt na de Renaissance, vooral na de aanvallen van Hobbes, Locke en Hume dan ook gereduceerd tot een religieus concept. Ze is een kwestie van geloof – iets voor christenen. Zo zien veel mensen het nog steeds. Laatst vertelde ik de Duitse filosoof Gernot Böhme dat ik bezig was met een boek over de ziel. ‘Oh, dat christelijke idee?’ zei hij meteen. Dat is typerend. Natuurlijk is de ziel een religieus concept, maar niet alléén religieus. Dat wil ik eigenlijk zeggen.”
 
Beschouwt u zichzelf als christelijk?
 
“Meer als cultuurchristen. Noren zijn erg pragmatisch en realistisch – het land is sterk geseculariseerd. We volgen de feesten en rituelen, en natuurlijk heeft het christendom ons wel gevormd, maar eigenlijk is de natuur onze kathedraal. Dat geldt voor mij ook: mijn kerk zijn de bergen. Daar zoek ik de eenzaamheid op, waar ik kan lezen en schrijven.”
 
Net zoals Montaigne zich terugtrok in zijn toren om essays te schrijven. Maar hoe ging dat verder ná Descartes en Montaigne? Keerden de grote filosofen zich nu massaal van de ziel af?
 
“Integendeel, zelfs de grote verlichtingsdenker Immanuel Kant probeerde de ziel te redden, al was dat lastig binnen zijn universalistische denken. Want de ziel is juist iets heel individueels. Pas in de Romantiek krijgt de ziel weer écht de hoofdrol. Bijvoorbeeld in Goethe’s toneelstuk ‘Faust’, waarin de hoofdpersoon zijn ziel verkoopt aan de duivel. Tenslotte redt hij zijn ziel toch weer door zijn liefde voor Gretchen. In de Romantiek ligt de nadruk opnieuw op ons innerlijk leven. Denk ook aan de romans van Jane Austen. Die hebben onze ideeën over liefde en individualisme gevormd. Volg je hart, want daar is ook de ziel.”
 
Dat klinkt erg individualistisch. U beklemtoont in uw boek juist dat we onze ziel alleen kunnen redden als we oog houden voor anderen – in wie je eventueel God kunt herkennen.
 
“Daarom eindig ik met Hannah Arendts beschrijving van Adolf Eichmann, de architect van de Holocaust. Eichmann is hét voorbeeld van een man zonder ziel. Hij dacht wel na, maar liet zich niet raken door het lot van anderen. Het schijnt dat hij bij de veewagons die zijn slachtoffers naar de vernietiging reden op zeker moment een blik van een van hen dreigde op te vangen – en toen snel weg stapte. Had hij dus toch een ziel? Hij had de mogelijkheid ertoe, zoals wij allemaal. Hij koos ervoor die niet te ontwikkelen. Hij was alleen maar oppervlakte.”
 
Aan je ziel of je innerlijk kun je dus werken. Maar wat helpt ons daarbij?
 
“We hebben symbolen nodig om ons aan ons innerlijk te herinneren.
Tegenwoordig zoeken we die vaak bij andere spirituele tradities, oosterse bijvoorbeeld. Maar kunst of de natuur kunnen ook symbolen verschaffen. Ze herinneren ons eraan dat we talige wezens zijn. Het is de vraag wat we daarmee doen. Hoe drukken we ons innerlijk uit?”
 
Dat is ook de vraag van Wittgenstein, een filosoof die de ziel volgens u kan bevrijden uit het traditionele idee dat ze objectief bestaat of aangeboren is.
 
“Wittgenstein ontdekte dat de grenzen van onze werkelijkheid de grenzen zijn van onze taal. Dat was een echte filosofische revolutie. Als we iets nieuws ontdekken, schrijft Wittgenstein, is dat omdat we er een woord voor hebben – of een mathematische formule, want dat is ook een soort taal. Sommige mensen vinden dat je de ziel reducevert, als je haar terugbrengt tot een concept. Maar wat zijn wij mensen als we niet onze woorden zijn? Denk het woord ‘ziel’ weg uit onze cultuur en je denkt de mens weg. We ervaren nu eenmaal iets dat we niet terug kunnen brengen tot verstand of tot psyche. Iets als integriteit en de mogelijkheid daarin gekwetst te worden. Dat iets, dat noemen we de ziel.”
 
Ole Martin Høystad: ‘De ziel. Een cultuurgeschiedenis.’ Vertaald door Wouter de Jong. Uitgeverij Athenaeum, Polak & Van Gennep, Amsterdam; 525 blz. €29,99
Van Dale:
Ziel (meervoud: zielen) 1: het niet-stoffelijk gedeelte vanwaaruit de mens leeft; (religie) onsterfelijk deel van de mens.
 
Ter ziele gaan (a) sterven; (b) ophouden te bestaan.
 
God hebbe zijn ziel; gezegd van een overledene.
 
Met zijn ziel onder zijn arm lopen; doelloos en zich vervelend.
 
Zich met hart en ziel aan iets wijden; met zijn hele wezen.
 
Iemand op zijn ziel trappen; hem krenken, beledigen.
 
2: persoon, mens.
 
Hoe meer zielen hoe meer vreugd; hoe meer gasten hoe prettiger. Zieltjes winnen; bekeerlingen maken.
ILLUSTRATIE CLAUDIE DE CLEEN
Wetenschap heeft de westerse wereld groot gemaakt. Toch kunnen we, betoogt Rosanne Hertzberger, ook te veel op de wetenschap vertrouwen.

ROSANNE HERTZBERGER: HET GROTE NIETS – WAAROM WE TE VEEL VERTROUWEN HEBBEN IN DE WETENSCHAP

Als ik bij een lezing of ander optreden mag kiezen tussen mezelf presenteren als wetenschapper of NRC Handelsblad-columnist, kies ik vaak voor wetenschapper. Dat is strategisch handig, daarmee heeft het publiek wat meer vertrouwen in mij. Ons vertrouwen in wetenschappers is namelijk hoog.

Volgens een driejaarlijks rapport van het Nederlandse Rathenau Instituut (2018) krijgt het vertrouwen een 7,1. Bijna vier op de vijf Nederlanders denken dat wetenschappers zorgvuldig werken, deskundig onderzoek uitvoeren en te vertrouwen zijn. Twee op de drie Nederlanders denken dat wetenschappers objectief zijn en onafhankelijk werken. Minder dan een kwart van de gepeilde Nederlanders denkt dat wetenschappers onderzoek aanpassen om de antwoorden te krijgen die ze willen hebben. Nederlanders hebben meer vertrouwen in de wetenschap dan in elk ander instituut dat van oudsher enige autoriteit uitoefende: de pers, de vakbonden, het parlement, de regering en de rechtspraak.

Sinds 2018 zijn in Nederland de mensen die zichzelf tot een religieuze stroming rekenen in de minderheid. Dat is voor het eerst. En wat is ervoor in de plaats gekomen? Wie laten we nu bepalen wat waar is, of goed, of verstandig? Voor een groeiende groep mensen is dat de wetenschap.

Op het eerste gezicht lijkt dat een positieve ontwikkeling: als iets een betrouwbare bron van kennis is, is het de empirische wetenschap wel (de tak van wetenschap die experimenten uitvoert). Wetenschap heeft de westerse wereld groot gemaakt.

Toch kunnen we ook te veel vertrouwen op de wetenschap. De wetenschappelijke methode is het krachtigste gereedschap dat we hebben om tot kennis te komen, maar tegelijkertijd wordt het gebruikt door een wezen, Homo sapiens, dat nog steeds buitengewoon irrationeel is. En de methode is ook kwetsbaar, en kan eenvoudig misbruikt worden. De wetenschap is buitengewoon flexibel en kun je alles laten zeggen wat je wilt. Je kunt resultaten uit bewerkelijke experimenten inzetten om jouw gelijk te bewijzen. Je kunt met behulp van slecht gecontroleerde misleidende studies jouw nogal irrationele overtuigingen of je hobby of leefwijze tot wetenschappelijk verantwoord verklaren. Wetenschap kan ook als buikspreekpop fungeren.

En precies dat is zorgwekkend.

Ik zie een nieuwe generatie van westerse seculiere beleidsmakers, politici, bestuurders, denkers, schrijvers, ondernemers en leiders die wetenschap niet meer zien als gereedschap om kennis te genereren, maar als een nieuwe onfeilbare autoriteit; een alwetende rechter die oordeelt over goed en kwaad. Net als alle generaties die hun voorgingen hebben zij hun eigen ‘waarom’-vragen, maar geen God, geloof, of ideologie meer die die voor hen kan beantwoorden. Wetenschap moet die lacune opvullen en de vragen beantwoorden: waarom we eten wat we eten, waarom we onze kinderen opvoeden zoals we ze opvoeden, waarom we sporten zoals we sporten, waarom we leven hoe we leven. Iets is niet meer goed, deugdzaam, fijn, lekker, rechtvaardig, of moreel juist, maar ‘gezond’, ‘duurzaam’ of ‘veilig’.

In dat grote vertrouwen in de wetenschap zie ik ook nihilisme. Wetenschap is het favoriete gereedschap van de moderne nihilist, want met wetenschap in de hand kun je jouw – nog steeds behoorlijk toevallige – keuzes tot ‘evidence-based’ verklaren en dus superieur aan al het andere.

Het vertrouwen in wetenschap is een groot goed. Dat zeg ik als wetenschapper. En toch vind ik het hedendaags vertrouwen in de wetenschap vaak disproportioneel en het gebruik ervan misplaatst.

Het gaat mis op twee punten. Ten eerste is de wetenschap in theorie foolproof, maar in de praktijk bijzonder gevoelig voor manipulatie, fraude en ander misbruik, zeker wanneer het over populaire onderwerpen gaat als onderwijs, voedsel, sport en mindfulness.

Maar er is nog iets: de moderne, atheïstische westerling overschat zichzelf. De nieuwe mens lijkt er volstrekt van overtuigd dat hij de eerste is die rationeel, helder – dankzij wetenschap – de waarheid kent. In werkelijkheid hebben we nog steeds last van dezelfde vertroebelingen van de geest waar onze verre gelovige voorvaderen ook aan leden. Bij het onderzoek naar mindfulness bijvoorbeeld zijn eigenlijk alle risicofactoren voor slecht onderzoek aanwezig: een onderwerp met een enorm placebo-effect, een heleboel slecht gecontroleerde studies, een hoog ‘hype’-gehalte. Het is een recept voor mislukkingen.

De afgelopen jaren komen er steeds meer papers aan het licht waarvan de conclusies, na het herhalen van de experimenten, geen stand houden. Het zijn de eerste signalen van een crisis, een reproduceerbaarheidscrisis. Die reproduceerbaarheid is een van de eigenschappen van robuuste wetenschap. Wanneer een ander, een onafhankelijk lab of onafhankelijke onderzoeksgroep, dezelfde experimenten uitvoert of dezelfde analyse doet dan moeten daar dezelfde resultaten uitkomen. Maar bij een grote replicatiepoging van een aantal prestigieuze studies uit het kankeronderzoek bleek een flink aantal ervan volstrekt andere resultaten of resultaten die niet te interpreteren waren op te leveren. Er zijn nu dertien papers waarvan de experimenten door onafhankelijke laboratoria werden herhaald. Van vijf studies bleken de resultaten volstrekt anders of niet te interpreteren.

Om wetenschap zo scherp en effectief mogelijk te krijgen hebben we hervormingen nodig in de manier waarop we wetenschap beoefenen. De kwaliteitscontrole concentreert zich nu voornamelijk op het beoordelen van elkaars werk (peer review) maar die nadruk zou in de toekomst moeten verschuiven naar replicatie. Iets zou pas geloofwaardig moeten zijn als het in meerdere labs en door meerdere onderzoeksgroepen gevonden is. We zouden de incentives, de belangen van wetenschappers, moeten verleggen van publiceren naar gedegen wetenschap. We zouden meer moeten samenwerken en minder concurreren, en de transparantie moet omhoog.

Maar het liefst zou ik ook graag iets willen veranderen aan de plek die wetenschap inneemt in onze maatschappij en in onze levens. We zouden de wetenschap terug in haar hok moeten sturen. Naar de plek waar zij van waarde is: bij het genereren van kennis en het testen van hypothesen.

Een hoop van de bewijslast moet overboord. De wetenschap hoort hooguit op de achtergrond te zoemen, bij onze publieke debatten, figurant te zijn bij het bestuur van dit land, en bij de inrichting van onze persoonlijke levens. Daarbij kan zelfs de gewone mediterende burger helpen; die zou de wetenschap ook simpelweg met rust kunnen laten en andere bronnen van kennis en geloofwaardigheid kunnen aanboren om zijn mindfulnessbehoeftes mee te legitimeren. Zijn ‘innerlijke kennis’ misschien?

Of hij zou als vanouds weer een goeroe kunnen gaan volgen. Denk aan een influencer, een beroemdheid, een ondernemer of een moderne heilige. Men zou gewoon weer eens wat kunnen proberen te geloven, in plaats van het bewezen willen zien. Het zou van grote zelfkennis getuigen.

DEBAT

Dit is een voorpublicatie uit Het grote niets – Waarom we te veel vertrouwen hebben in de wetenschap van Rosanne Hertzberger dat deze week verschijnt. Hertzberger gaat erover in debat met Trudy Dehue (15 mei in het Academiegebouw, Rijksuniversiteit Groningen om 20.00 uur) en met Wim van Saarloos (KNAW), Victor Hoornweg en Rens Bod (17 mei in de Balie in Amsterdam, 20.00 uur).

NON-FICTIE

Rosanne Hertzberger: Het grote niets – Waarom we te veel vertrouwen hebben in de wetenschap

Prometheus / Nieuw Licht; 96 pagina’s; € 12,99.

Gevoelens van weerzin vormen vaak een basis voor politieke en rechterlijke beslissingen. Volgens psycholoog Debra Lieberman is die emotie echter een slechte raadgever. MARCO VISSCHER
Wij mensen hebben het vermogen om weerzin te voelen. Het borrelt omhoog als we worden geconfronteerd met rot fruit, of pus. Ook zijn er allerlei seksuele activiteiten waarvan we gruwen. Op die manier vervult walging een evolutionaire functie: het leert ons om op onze hoede te zijn. Maar het gaat verkeerd wanneer we ‘vies’ verwarren met ‘verkeerd’, zegt psycholoog Debra Lieberman.

Ze voegt daarmee een belangrijk moreel element toe aan het denken over weerzin. In ‘Objection’ betoogt Lieberman dat dit gevoel is doorgedrongen in het recht en de politiek: beleidsmakers gebruiken het om kwetsbare groepen uit te sluiten, aanklagers om verdachten te laten veroordelen, rechters om hun oordeel kracht bij te zetten. Weerzin is nuttig als iets wat onze kansen op overleving en voortplanting bedreigt, aldus Lieberman, maar we mogen ons niet door die primitive emotie laten leiden om handelingen te verbieden en mensen te bestraffen.

U stelt dat weerzin een rol speelt bij het maken van wetten.

‘”Lange tijd waren er wettelijke regels en bepalingen die homoseksualiteit strafbaar stelden. In veel landen is dat nog altijd het geval. Waarom? Alleen doordat weerzin tegen een sekspartner van het eigen geslacht zijn weg heeft gevonden in het strafboek.”

Dus kunnen we onze weerzin ook opzijschuiven; homoseksualiteit is in steeds meer landen geaccepteerd.

“Dat klopt. Vaak helpt het als een benadeelde groep groter en zichtbaarder wordt. Dat is gebeurd toen homo’s uit de kast kwamen. Opeens konden je collega’s of buren homoseksueel zijn. Zo’n besef kan in korte tijd leiden tot tolerantie. Ook veel conservatieve gelovigen die het idee van homoseksualiteit nog altijd afstotend vinden, vinden het geen bezwaar dat het wordt toegestaan.

“Zij hebben dan een stap vooruit gemaakt in hun denken. Voor hen is homoseksualiteit zoiets geworden als hoe anderen aankijken tegen gestoofde tomaten: je kunt gestoofde tomaten vies vinden, maar als er mensen zijn die ze wél lekker vinden, nou ja, dan ga je gestoofde tomaten niet verbieden en mensen bestraffen die ze eten. Legalisering van gestoofde tomaten, zo begrijpt iedereen, betekent ook niet dat iedereen ze ineens lekker moet vinden of gaat eten. En inderdaad, toen homoseksualiteit uit de criminele sfeer werd gehaald, stonden er ni et opeens hordes heteroheren klaar om eindelijk onbekommerd de herenliefde te gaan bedrijven. En datzelfde geldt natuurlijk voor incest.”

Pardon?

“Waarom is incest verboden als het gebeurt tussen twee volwassenen die het allebei willen?”

Ehm…, nou…

“Hier wordt het iets ongemakkelijker, hè? U en ik kunnen vinden dat homoseksualiteit niet in het strafrecht thuishoort, maar incest?!

“Kent u die geruchtmakende zaak in Duitsland? Een jongen werd geboren in een probleemgezin en al op jonge leeftijd geadopteerd, waarna hij opgroeide zonder contact met zijn biologische familie. Hij was 24 jaar toen zijn moeder overleed, waarna hij zijn zusje ontmoette dat hij nog nooit eerder had gezien. Ze kregen een relatie en daar kwamen vier kinderen uit voort. De man kreeg daarvoor een gevangenisstraf. Maar ik vraag u: waarom is de seksuele relatie tussen deze twee volwassen gezinsleden illegaal?”

Omdat er verhoogde kans is op afwijkend nageslacht?

“Maar mocht het dan wel als ze anticonceptiemiddelen hadden gebruikt? Twee van hun kinderen hadden inderdaad gezondheidsproblemen, waarschijnlijk door de genetische verwantschap met hun ouders, maar de andere twee niet. Trouwens, vindt u dat echt een geldig argument? Vrouwen boven de 40 hebben ook een verhoogde kans op afwijkingen bij hun kinderen. Mogen zij dan ook geen kinderen meer krijgen?” ”

Incest is altijd illegaal, want we voelen instinctief een sterke afschuw van seksueel contact met onze familieleden. Er is een diep besef dat we dit nooit mogen goedkeuren.

“Precies! Die afschuw is onderdeel van ons biologisch mechanisme om inteelt te voorkomen. Dat mechanisme zien we ook bij andere dieren, maar het is niet altijd waterdicht. Kennelijk gebeurt het soms dat we in ons volwassen leven seksueel opgewonden raken van een naast familielid, en niet alleen als ze vanaf de geboorte gescheiden zijn. We zien het bij vaders en dochters, maar het komt ook voor tussen broers en zussen, en soms tussen moeders en zonen.

“Als we horen over dergelijke gevallen doet het de meesten van ons gruwen. Het is dan ook heel gemakkelijk om te bepalen dat alle seksuele contacten tussen familieleden verkeerd en immoreel zijn en dat we het moeten bestraffen. Ik ben het daar niet mee eens wanneer het gaat om volwassenen die dat doen met beider instemming.”

Daar staat u vast alleen in.

“Nee, hoor. Naar aanleiding van deze zaak stelde de Duitse Ethische Raad destijds dat de criminalisering van seksuele relaties tussen volwassen broers en zussen ertoe leidt dat hun fundamentele vrijheden worden geschonden. De raad adviseerde om de wet te versoepelen.”

En waarom zou u dan pedofilie niet ook tolereren?

“Juridisch en psychologisch gezien zijn kinderen niet in staat om toestemming te geven. Ik heb het hier dus uitdrukkelijk níet over seksueel misbruik van kinderen of over dwang.”

Maar het verbod op incest tussen volwassen familieleden wilt u opheffen wanneer het plaatsvindt met wederzijdse toestemming?

“Inderdaad. Waarom zou je onder die voorwaarden welke seksuele relatie dan ook verbieden? Als we het schrappen uit het strafboek zullen broers en zussen heus niet massaal met elkaar het bed induiken.”

In haar boek bespreekt Debra Lieberman de neiging van politici om in te spelen op onze gevoelens van afschuw. Ze verwijst naar studies die aantonen dat het opwekken van gevoelens van weerzin een negatieve houding ten opzichte van immigranten stimuleert. Zoals een Nederlands onderzoek uit 2014, waarbij deelnemers foto’s zagen van maden op een stuk vlees of van een man wiens ingewanden openlagen na een ongeval. Hoe sterker de walging, hoe groter de kans om immigratie af te keuren. Dergelijke studies tonen volgens Lieberman dat het voor kwetsbare groepen gevaarlijk wordt zodra we ons afgrijzen meenemen in de politiek.

Hoe spelen politici in op ons gevoel van weerzin?

“President Trump sprak over immigranten uit shithole countries (‘strontgatlanden’). Dus om te zeggen dat mensen uit bepaalde landen afschuwelijk zijn, gebruikt hij zelfs afschuwelijke taal! Trump speelt in op het idee dat deze mensen gebruik zullen maken van onze middelen en voorzieningen. Daarmee doet hij hetzelfde als chimpansees. Bij chimpansees zie je de neiging om alert te zijn op indringers die de hiërarchie en rust kunnen verstoren. Zodra ze het idee hebben te worden bedreigd, slaan de mannetjes erop los.

“Wij zien datzelfde mechanisme in onze soort onbewust terug in onze neiging om wantrouwend te zijn als anderen aanspraak willen maken op onze rijkdom. Daarom bewaken we onze grenzen, zoals mannetjeschimpansees dat doen, en zodra we een gevaarlijke groep ontwaren, gaan we er achteraan. Welke groep is dan het eerst slachtoffer? Niet de eigen familie natuurlijk, en ook niet mensen met status en macht. Nee, het zijn de buitenstaanders of mensen met de laagste maatschappelijke waarde.”

Wat heeft weerzin hiermee te maken?

“Zelfs wanneer we ons louter ophouden met mensen met een lagere sociale waarde, kan onze eigen waarde dalen. Daarom laten we graag merken dat wij niet zijn zoals zij. Dat kan door weerzin op te wekken. Zo kun je aan anderen makkelijk laten blijken dat je niets met ze te maken hebt. Als de jacht op een groep is geopend en jou wordt gevraagd of jíj allochtoon bent, of homo, of ze vragen of jíj vlees eet of rookt, dan zeg jij: Wie, ik?! Oh, nee! Bah, natúúrlijk niet! Weerzin zorgt ervoor dat je je scherp kunt afzetten tegen een gemarginaliseerde groep die als zondebok wordt aangemerkt.

“Trump schetst immigranten dan ook als een bedreiging voor onze veiligheid en daarom moeten deze mensen buiten worden gehouden, terug in hun shithole countries waar ze horen. Trump heeft het brein van een holbewoner.”

Als bepaalde gedragingen of groeperingen zoveel afkeer oproepen bij een groot deel van de bevolking, waarom is het dan verkeerd om daartegen op te treden?

“Onze persoonlijke gevoelens van afkeer mogen een ander niet beperken in zijn vrijheid. Stel dat ik foie gras weerzinwekkend vind. Dan is het aan mij om geen foie gras te eten. Waarom zou ik dan mensen mobiliseren die foie gras eveneens afschuwelijk vinden om ervoor te strijden dat foie gras illegaal wordt, zodat niemand nog foie gras mag eten, zoals in sommige landen is gebeurd?”

Omdat eenden en ganzen op gruwelijke wijze worden vetgemest.

“Akkoord, wrede behandeling van dieren is een goed argument om bepaalde soorten voedsel niet te eten. Maar ik geloof dat je dan bepaalde praktijken in de voedingsindustrie moet verbieden, niet het voedsel.

“Afkeer kan nooit op zichzelf een goede reden zijn om mensen te bestraffen en hun vrijheid te ontnemen. We zullen aanvullende redenen moeten vinden om wetgeving of politieke actie te rechtvaardigen. Weerzin is een kwaadaardige emotie die tot doel heeft om anderen te criminaliseren. Bedenk dat niet heel lang geleden Duitsers massaal oordeelden dat Joden weerzinwekkend waren, en Bosnische Serviërs wilden een etnische zuivering van Kroaten, en in Myanmar worden moslims opgejaagd. Dat is waar breed gedeelde persoonlijke weerzin toe kan leiden zonder noodzaak van een rationele onderbouwing.”

Hoe moeten we dan reageren als iets onze afkeer oproept?

“Als je het walgelijk vindt om de lakens te delen met je broer of zus, doe het dan niet. Vind je het walgelijk om foie gras te eten, doe het dan niet. We zullen een aantal van onze wetten moeten herzien, zodat we toleranter en vrijer zijn.”

Hoe worden we toleranter?

“Door kennis te maken met gecriminaliseerde mensen, zoals is gebeurd bij homoseksuelen. Onderwijs is ook belangrijk. Op school kun je leren over andere ideeën en culturen, maar ook over hoe onze hersenen werken en waarom we zijn zoals we zijn. Dan leren we dat wij mensen beschikken over het vermogen om logisch na te denken, te redeneren en argumenten te vinden. We beschikken over een zee van kennis waarop we kunnen voortbouwen. Wij hoeven ons niet te laten leiden door biologische emoties en instincten, zoals afschuw, om onze samenleving vorm te geven. Dan leren we dat het verkeerd is om het wél te doen, omdat we weten dat walging vaak wordt gebruikt om anderen te marginaliseren, uit te sluiten en op te jagen.” ”

Psychologe dr. Debra Lieberman (45) doceert aan de Universiteit van Miami in Fort Lauderdale. Ze geeft daar leiding aan het Laboratorium voor Evolutie en Menselijk Gedrag. Ze bestudeert vooral verwantschap, emoties en moraliteit.

Met jurist Carlton Patrick schreef ze ‘Objection: Disgust, Morality and the Law’, volgens een recensent ‘een soms grof, maar altijd boeiend verslag’ van hoe weerzin zich heeft ontwikkeld van een psychologisch fenomeen tot onderdeel van onze ethiek.

Debra Lieberman Carlton Patrick

Objection. Disgust, Morality, and the Law

‘Ons hart dreigt een vreemde macht te worden’
Yuval Harari
Door biotech en kunstmatige intelligentie dreigt opsplitsing en manipulatie van de menselijke soort, waarschuwt historicus Yuval Harari. Mensen moeten zichzelf beter doorgronden, zegt hij. Door psychische weerbaarheid – én door meditatie.
Door onze redacteuren Wouter van Noort en Hendrik Spiering
Ooit was Yuval Noah Harari gewoon hoogleraar middeleeuwse geschiedenis. Maar nu lopen mensen als Bill Gates, Barack Obama en Mark Zuckerberg weg met zijn werk. Het wereldwijde succes van zijn boeken Sapiens en Homo Deus geeft de tengere geleerde ineens gemakkelijk toegang tot wereldleiders en CEO’s. En één ding is de hoogleraar van de Hebrew University (Jeruzalem) opgevallen in die nieuwe wereld, zo vertelde hij vorige week tijdens een gesprek op de bovenste verdieping van een Amsterdams hotel: „Ook mensen in die hoge regionen begrijpen niet echt veel van de wereld. Wereldleiders kennen geen geheimen over het leven die gewone mensen niet kennen. Hooguit weten ze iets over het Israëlische atoomprogramma dat ik niet weet.”
En gemakkelijker zullen onze leiders de waarheid ook niet leren, aldus Harari. „In feite zijn ze slechter af dan wij om de wereld te begrijpen, omdat ze meestal geen tijd hebben om na te denken. En het is voor hen erg moeilijk te vertrouwen op wat mensen hen vertellen. Iedereen wil iets van ze. Alsof ze midden in een zwart gat zitten dat alles om hen heen vervormt. Macht verplettert de waarheid, dát heb ik daar gezien.”
Harari is in Nederland voor twee besloten bijeenkomsten met topmanagers. Hij spreekt sinds het succes van zijn boeken wereldwijd wel vaker voor grote zalen met invloedrijke mensen. „Ik maak ongeveer 200 vluchten per jaar”, zegt hij enigszins gelaten. Harari oogt rustig, draagt een casual broek en sportschoenen. Vriendelijk en beleefd biedt hij iets te drinken aan.
Het hoort er allemaal bij, sinds hij doorbrak met boeken over verleden en toekomst van de mensheid. Daarin beschrijft hij krachtig de evolutie en geschiedenis van de mens. In Sapiens (2014) ging het over hoe de mensheid culturen, beschavingen, naties en bedrijven opbouwde door het uitzonderlijke vermogen om in gezamenlijke ideeën en concepten te geloven, of ze nou waar zijn of niet.
En in Homo Deus (2016) schetst Harari hoe de recente vooruitgang in kunstmatige intelligentie en biotechnologie het menselijk leven totaal zal veranderen, in de komende 200 jaar. Verlies van autonomie door perfecte surveillance en beïnvloeding door algoritmen, én splitsing van de mensheid in een genetisch verbeterde elite en een onbelangrijke, economisch overbodig geworden massa – dat zijn Harari’s belangrijkste waarschuwingen. Ons nu 200 jaar oude humanistische wereldbeeld van vrijheid en gelijkheid zal er waarschijnlijk bij ten onder gaan, zo beredeneert hij. In augustus verschijnt een nieuw boek: ‘21 lessen voor de 21ste eeuw’. „Dat gaat dus over het heden”, zegt Harari met een knipoog.
U spreekt toch vooral over de toekomst van de mensheid. Hoe relevant is dan uw achtergrond als mediëvist nog?
„Ik denk dat de Middeleeuwen iedere dag relevanter worden. De moderne tijd loopt ten einde, er komt iets nieuws aan. We zullen niet het feodalisme terugkrijgen, maar de Middeleeuwen tonen wel hoe het is om niet modern te zijn. Neem de politiek. Het moderne politieke ideaal is de wereld in natiestaten te verdelen, scherp afgebakend maar intern helemaal homogeen: zelfde taal, zelfde geld, alles. In de Middeleeuwen was dat totaal anders. Grenzen tussen koninkrijken stelden weinig voor en juist binnen zo’n koninkrijk waren veel onderverdelingen, zelfs op het niveau van een enkele stad. Voor alle groepen golden aparte wetten: monniken, boeren, edellieden, joden. Het moderne ideaal van gelijkheid voor de wet klinkt idioot in middeleeuwse oren.
„Naar die situatie gaan we weer terug: grenzen worden minder belangrijk, de interne verdelingen worden groter. Kijk naar leden van de wereld-elite. Als ze in Amsterdam leven hebben ze meer gemeen met hun peers in Shanghai. Die mensen zijn nauwer met elkaar verbonden dan met iemand die een kilometer verderop woont. Het hele idee van een nationale gemeenschap valt uit elkaar.”
Wij dachten juist dat we een opleving van het nationalisme meemaakten.
„Oké, maar dat nationalisme is zwak als je het vergelijkt met een eeuw geleden, toen Europeanen elkaar met miljoenen tegelijk uitmoordden uit nationale naijver. Kijk nu naar de Brexit, het Schotse referendum, Catalonië: wat ontzettend vreedzaam! Ja, in de Brexitcampagne is één persoon vermoord door een extremist. Maar als je een paar honderd jaar geleden Schotland los wilde maken van Groot-Brittannië kostte je dat een enorme oorlog en brandende steden. Nu ga je gewoon stemmen. Er is Schots nationalisme, maar niemand lijkt bereid er voor te doden of gedood te worden. Dat is een bewijs van humanistische beschaving, maar niet van nationalisme. Ik denk dat er meer mensen bereid zijn om gedood te worden voor Manchester United dan voor de onafhankelijkheid van Schotland of Vlaanderen.”
Maar met Trump lijkt het Amerikaanse nationalisme toch groter dan ooit?
„Ik weet niet wat hij volgende week gaat doen, maar als het gaat om Amerikaans nationalisme en imperialisme zijn z’n ideeën niets vergeleken met twee eeuwen geleden. Hij zal bijvoorbeeld nooit, zoals in 1846 gebeurde, Mexico binnenvallen. Trump past wel in een wereldtrend waarin het politieke systeem geen visie meer op de toekomst heeft en daarom maar betekenis haalt uit nostalgische fantasieën over het verleden. Je ziet het ook bij Poetin, India met het hindoe-nationalisme, Turkije, IS en natuurlijk Israël.”
Is de wereldwijde wapenwedloop in AI en biotech, waarvoor u waarschuwt in Homo Deus, ooit te stoppen?
„Technologieën kunnen zowel zorgen voor centralisatie als decentralisatie van macht en middelen. De totalitaire regimes van de sovjets en de nazi’s profiteerden enorm van de nieuwe technologieën van de treinen, de radio, die werkten zeer centraliserend. Dat geldt ook voor artificial intelligence : hoe meer data, hoe meer macht. Maar toch wonnen de afgelopen eeuw liberale democratieën, omdat zij efficiënter waren met hun meer decentrale besluitvormingsprocessen, die veel meer innovatie mogelijk maakten. Een centraliserende technologie wint niet altijd.
„En je kunt natuurlijk gewoon regels maken. Ik geloof niet in technologisch determinisme, dat technologie alles bepaalt. We hebben bijvoorbeeld de technologie om een internationale markt in donororganen te creëren, met body-farms in arme landen, een enorme winstmogelijkheid. Toch bestaat dat niet, omdat het verboden is. En zelfs bij machtige wapens, zoals killerrobots, is strenge regulering mogelijk.”
Is meer regulering één van uw lessen voor de 21ste eeuw?
„Ja, in zekere zin. Dat boek gaat over heel veel verschillende onderwerpen hoor.”
Wat is dan uw simpelste oplossing voor een groot probleem?
„De simpelste!? Tja, die noem ik niet eens in mijn boek. Terrorisme is het makkelijkst op te lossen: door er veel minder aandacht aan te besteden. Terroristen kapen onze fantasie en dat vergroot het gevaar op absurde wijze uit. Terroristen doden een paar mensen en miljoenen mensen zijn bang hun leven te verliezen. Gewoon negeren. Daar heb je geen wereldregering voor nodig.”
En wat is uw advies voor afwending van de grootste gevaren uit Homo Deus: autonomieverlies en opsplitsing van de mensheid door AI en biotechnologie?
„Sommige van die dingen moet je niet afwachten. Zoals de ongelijkheid. Als de ongelijkheid in onze samenleving blijft groeien en als biotechnologie steeds meer manipulatie van ons lichaam en brein mogelijk gaat maken, dan kan dat inderdaad gaan leiden tot splitsing van onze soort. Economische ongelijkheid wordt dan biologische ongelijkheid.
„Waar we ook niet mee moet afwachten is onderwijs. Kinderen die nu naar school gaan zullen hopelijk nog leven aan het begin van de 22ste eeuw. Wat moet je hen nu leren voor die totaal andere wereld?”
Meer sociologie, of juist meer biologie en programmeren?
„Nee, nee. Het belangrijkste is geestelijk evenwicht en emotionele intelligentie. Hiermee kunnen de kinderen zichzelf later telkens opnieuw uitvinden in een heel veranderlijke wereld. Dadelijk moet je zelfs gaan kiezen wat voor lichaam je wilt en wat voor brein.”
Maar hoe onderwijs je dat?
„Dat is de grote vraag. Hoe leer je mensen veerkracht aan, zelfs in de omgang met hun eigen identiteit? Niemand weet het. Je kunt de kinderen vrijheid geven om alles zelf te ontdekken, maar ze hebben ook leiding nodig, een gids. In de Middeleeuwen bestond het flexibele meester-leerlingsysteem. In feite leerden jonge mensen aan de hand van hun meestertimmerman het hele leven kennen. Daar kunnen we nu niet naar terug, want wie kan nu nog zo’n meester zijn? Ik zie het als inspiratie. Toen was er nog niet de diepe kloof tussen school waarin alles opgedeeld is in stukjes, en het echte leven. Een moderne leraar gidst je niet door het leven, hij leert je alleen geschiedenis.”
Nou, laat de algoritmes dat dan doen.
„Dat zou best kunnen, een artificiële intelligentie die altijd bij je is: een persoonlijke digitale mentor die je enorm goed leert kennen en je begeleidt in een meester-leerling-verhouding. En helemaal op jou toegesneden, zonder nog eens 40 kinderen waar-ie aandacht voor moet hebben. Maar er zijn ook gevaren. Het zou gehackt kunnen worden door de Russen, terwijl het al je zwakheden en krachten kent. Dat geeft een macht die geen enkel onderwijssysteem ooit had. Het kent al je trucs. En het zou je helemaal kunnen misvormen. Het kan ook een instrument van een totalitair systeem worden.”
Waar is dan nog het onverwachte, het individuele? Wordt dit het einde van het humanisme met het individu centraal?
„Het humanisme moet sowieso veranderen. Dat is nu nog gebaseerd op de aanname dat er authenticiteit is van gevoelens. Die bestaat niet meer. Kijk naar al die verkiezingen die door Cambridge Analytica gemanipuleerd zijn. Verkiezingen gaan over gevoel, maar dat kan allemaal gemanipuleerd worden op een schaal die vroeger ondenkbaar was. Dat luisteren naar je gevoelens was leuk in de negentiende eeuw. Nu zeggen dat je naar je hart moet luisteren is echt een verkeerd advies. Want je hart kan nu best gekaapt zijn door Vladimir Poetin, die via allerlei algoritmes heel goed weet hoe hij bij jou op de angst- en haatknop moet drukken. Wanneer je dan naar je hart luistert, luister je in feite naar een vreemde macht.”
Vroeger was er toch ook propaganda?
„Ja, maar Hitler moest één radiospeech afvuren op vijftig miljoen Duitsers tegelijk. Daarom had hij ook een geheime politie nodig. Als je de boodschap individueel kunt afleveren, hoeft dat niet meer. Dan wordt je hart de geheime politie!”
Waarop kun je dan nog vertrouwen?
„We zullen veel meer moeite moeten doen om ons bewustzijn te begrijpen. Het oudste advies dat er bestaat: ken uzelve! Mensen zijn vooral zo makkelijk te manipuleren omdat ze zichzelf niet goed kennen. Ze vertrouwen op alles wat in hun geest omhoog plopt. Als we ons bewustzijn beter begrijpen wordt dat moeilijker. Als je je bewust bent van je haat en je angsten is het makkelijker om afstand te nemen van fake-news dat daarop wil inspelen.”
De meeste mensen verbinden juist hun gevoel van identiteit aan die gevoelens.
„Ja, dat is het probleem. Bij links en bij rechts. Linkse mensen kun je ook van alles wijsmaken over achterlijke religieuze mensen in Louisiana. Ze zijn zich niet bewust van hun eigen vooroordelen.”
Dus iedereen moet gaan denken als een wetenschapper?
„Ja, dat zou al helpen. Meditatie is ook een oplossing. Ikzelf investeer heel veel tijd in meditatie. Twee uur per dag, om mijn eigen geest en gevoelens te leren kennen. Het werkt. Maar het is erg moeilijk. Ik ga ook ieder jaar één of twee maanden naar een meditatie-retraite, zonder telefoon of computer. En niet praten. Ik praat de rest van het jaar zó veel! Ik heb die rust en helderheid nodig. Het moeilijkste is: je gaat dan heel veel dingen zien die je niet bevallen. Als je je ware zelf ziet is dat echt geen Disney-film!”
Yuval Noah Harari (1976) werd geboren in Haifa en is opgeleid als middeleeuws historicus in Jeruzalem en Oxford. Hij houdt zich nu bezig met wereldgeschiedenis. Hij is veganist en mediteert in de Vipassana-traditie. In 2002 trouwde hij met Itzik Yahav, die nu ook zijn persoonlijk manager is. Harari noemde zijn echtgenoot in The Guardian ‘ my Internet-of-all-Things ’.
________________________________________

Godhelm

Bezoekers van Lowlands kregen een ‘godhelm’ op waardoor ze bovennatuurlijke ervaringen zouden krijgen en die kregen ze ook. Over deze helm van neurowetenschapper David Maij schreef Willem Schoonen op 26 maart in Trouw. Die helm is nep, een variant op de placebo, en we weten inmiddels hoe goed de placebo kan werken.

Maij wil weten waarom mensen geloven. Mensen zien overal bedoelingen, en dat biedt een evolutionair voordeel, met toeval valt namelijk slecht te leven. Maar dat verklaart nog niet de neiging tot geloven.

Het brein heeft verwachtingen, zegt Maij, die verwachtingen komen niet uit, soms stelt het brein de verwachtingen dan niet bij en daar ontstaat ruimte voor ‘bovennatuurlijke’ ervaringen.

Maar hoe ontstaan die verwachtingen? Door taal. Mensen zijn talige wezens en hebben toegang tot de werkelijkheid door taal en andere tekens. Het vermogen te geloven is een neveneffect van het gebruik van taal. Het woord verleidt ons.

28-03-2018
Zes aforismen van Nietzsche die je gelezen moet hebben
Paul van Tongeren, filosoof, hoogleraar

We vroegen Nietzsche-kenner Paul van Tongeren om zijn favoriete aforismen te kiezen uit Nietzsche’s ‘De vrolijke wetenschap’. Na wikken en wegen zijn dit de zes waar hij op uit kwam.
Het is voor een Nietzsche-kenner als Paul van Tongeren eigenlijk een onmogelijke vraag: wat zijn nou de aforismen uit ‘De vrolijke wetenschap’ die je echt nooit zou willen missen? In de nieuwe, nu al bejubelde vertaling van de vorig jaar overleden vertaler Hans Driessen, geeft Van Tongeren in een nawoord wenken bij het lezen van de aforistische boeken van Nietzsche. Aforismen zijn korte uitspraken of gedachten. Nietzsche bracht zijn aforismen bijeen in boeken, zonder het onderlinge verband uit te leggen.
De lezer zoekt onvermijdelijk een verband dat hem of haar houvast geeft. ‘Lezen’ betekent immers ‘verzamelen’ en ‘ordenen’, schijft Van Tongeren in het nawoord. ‘Nietzsches teksten maken het extreem moeilijk een dergelijk verband te vinden en confronteren ons juist daardoor met onze behoefte eraan. Die behoefte aan houvast staat tegenover het avontuur van de denker die zich op een volstrekt open zee of in een duister labyrint waagt.’
Welk verband de lezer ook aanbrengt, het mag volgens Van Tongeren niet de aandacht afleiden van de kwaliteit van de afzonderlijke teksten. Want ook als de aforismen niet in enige lijn of constructie passen, bevatten ze bijna zonder uitzondering prachtige observaties of gedachten.
Lees hieronder zes voorbeelden die Paul van Tongeren persoonlijk het meest dierbaar zijn – over vriendschap die voorbij is, over wat we van kunstenaars kunnen leren, over de overeenkomsten tussen de menselijke wil en de golven in een branding; en geef je over aan Nietzsche’s experiment. ‘Als Nietzsche gelijk had toen hij schreef dat hij met zijn teksten over het nihilisme de geschiedenis van de komende tweehonderd jaar beschreef, dan toont hij hier de conditie waarin wij ons bevinden. In hoeverre verdraagt de waarheid het dat ze vlees en bloed wordt? Dat is de vraag, dat is het experiment.’

[279] Sterrenvriendschap
We zijn vrienden geweest en van elkaar vervreemd geraakt. Maar
dat is goed zo, en laten we er geen geheim van maken en het
niet wegstoppen alsof we ons ervoor zouden moeten schamen.
We zijn twee schepen waarvan elk zijn eigen bestemming heeft
en zijn koers ernaartoe; we kunnen elkaar wel kruisen en samen
feesten, zoals we ook hebben gedaan – en toen lagen die goede
schepen zo rustig in één haven en in één zon, dat het was alsof
ze hun bestemming al hadden bereikt en één bestemming hadden
gehad. Maar vervolgens dreef de oppermachtige kracht van
onze opdracht ons weer uiteen, naar verschillende zeeën en zonnestreken,
en wellicht zien we elkaar nooit meer terug – of we
zien elkaar wel terug, maar herkennen elkaar niet meer: de verschillende
zeeën en zonnen hebben ons veranderd! Dat we
vreemden voor elkaar moeten worden, is de wet die over ons regeert:
juist daardoor moeten we meer respect voor elkaar krijgen!
Juist daardoor moet de gedachte aan onze vroegere vriendschap
heiliger worden! Wie weet bestaat er een kolossale,
onzichtbare boog en sterrenbaan waarin onze zo uiteenlopende
wegen en bestemmingen als kleine trajecten zijn opgenomen
laten we ons tot deze gedachte verheffen! Maar ons leven is te
kort en ons gezichtsvermogen te gering om meer te kunnen zijn
dan vrienden in de zin van die verheven mogelijkheid. – Laten
we dus in onze sterrenvriendschap geloven, zelfs als we elkaars
|aardse vijanden zouden moeten zijn.

[299] Wat men van de kunstenaars moet leren
Over welke middelen beschikken we om de dingen mooi, aantrekkelijk
en begerenswaardig voor ons te maken als ze dat niet
zijn? – en ik denk dat ze het op zichzelf nooit zijn! Op dit gebied
kunnen we iets leren van de artsen, die bijvoorbeeld het bittere
verdunnen of wijn en suiker in de mengkroes doen, maar meer
nog van de kunstenaars, die er eigenlijk altijd op uit zijn zulke
uitvindingen en kunststukken te verrichten. Zich van de dingen
verwijderen totdat men veel ervan niet meer ziet en er veel bij
moet denken om ze nog te zien – of de dingen vanuit een hoekje
beloeren of als het ware in een uitsnede zien – of ze zo neerzetten
dat ze zich gedeeltelijk anders voordoen en alleen perspectivische
doorkijkjes bieden – of ze bekijken door gekleurd glas of
in het licht van het avondrood – of ze een oppervlak en een huid
geven die niet helemaal transparant is: dat alles moeten we van
de kunstenaars leren en voor het overige moeten we wijzer zijn
dan zij. Want bij hen houdt dit subtiel vermogen gewoonlijk op
wanneer de kunst ophoudt en het leven begint, maar wij willen
de dichters van ons leven zijn, te beginnen met het kleinste en
meest alledaagse.

[310] Wil en golf
Hoe gulzig komt deze golf aanrollen, alsof er iets te bereiken
viel! Hoe kruipt ze met vervaarlijke haast de binnenste hoeken
van rotsachtige spleten in! Het lijkt wel alsof ze iemand vóór wil
zijn; het lijkt wel alsof daar iets van waarde, grote waarde is verstopt.
– En nu komt ze terug, iets trager, nog helemaal wit van|
opwinding, – is ze teleurgesteld? Heeft ze gevonden wat ze
zocht? Veinst ze teleurstelling? – Maar spoedig nadert een andere
golf, nog gulziger en wilder dan de eerste, en ook haar ziel
lijkt vol geheimen te zijn en belust op het graven naar schatten.
Zo leven de golven – zo leven wij, de willenden! – meer zeg ik
niet. – Wat? Jullie wantrouwen mij? Jullie zijn boos op mij,
mooie ondieren die je bent? Zijn jullie bang dat ik je geheim
volledig verraad? Best! Wees maar boos op me, richt jullie
groene, gevaarlijke lijven maar op, zo hoog als je kunt, bouw
|maar een muur tussen mij en de zon – zoals nu! Heus, van de
wereld is al niets meer over dan groene schemer en groene bliksemschichten.
Doe maar wat je wilt, jullie overmoedigen, brul
maar van wellust en boosheid – duik maar weer onder, werp jullie
smaragden maar weg, de diepste diepte in, schud jullie eindeloze
witte lokken van schuim en gebruis erover uit – ik vind|het allemaal best, want alles staat jullie zo goed en ik ben jullie in|alles zo goed gezind: waarom zou ik jullie verraden! Want –
luister goed! – ik ken jullie en je geheim, ik ken jullie soort!
Jullie en ik, wij stammen immers van één soort! – Jullie en ik,
wij delen immers één geheim! 

[312] Mijn hond
Ik heb mijn pijn een naam gegeven en noem hem ‘hond’, – hij is
net zo trouw, net zo opdringerig en schaamteloos, net zo onderhoudend,
net zo slim als elke andere hond – en ik kan hem
toesnauwen en mijn slechte buien op hem afreageren: zoals anderen
met hun honden, bedienden en vrouwen doen. 

[378] ‘En worden weer helder’
Wij die vrijgevig en geestrijk zijn, wij die als open waterputten
langs de straat liggen en het niemand willen verbieden dat hij
uit ons put: wij zijn helaas niet in staat ons te verzetten, als we
het zouden willen, we kunnen met geen mogelijkheid verhinderen
dat men ons troebel maakt, duister maakt – dat de tijd
waarin we leven zijn ‘meest aan tijd gebonden dingen’, dat zijn
vuile vogels hun uitwerpselen, jongens hun rommel en uitgeputte,
bij ons uitrustende wandelaars hun klein en groot leed
in ons smijten. Maar we zullen het doen zoals we altijd hebben
gedaan: we sleuren wat ze maar in ons smijten mee onze diepte
in – wij zijn immers diep, we vergeten niet – en worden weer helder… 

[380] ‘De wandelaar’ spreekt
|Om onze Europese moraliteit eens van een afstand te bezien,
om haar af te zetten tegen andere, vroegere of toekomstige moraliteiten,
daarvoor moet je doen wat een wandelaar doet die wil
weten hoe hoog de torens van een stad zijn: daarvoor gaat hij
weg uit die stad. Indien ‘gedachten over morele vooroordelen’
geen vooroordelen over vooroordelen willen zijn, gaan ze uit
van een plaats buiten de moraal, een plaats voorbij goed en
kwaad, waarnaar je moet klimmen, klauteren of vliegen – en in
het huidige geval, op zijn minst een plaats voorbij ons goed en
kwaad, een vrij-zijn van elk ‘Europa’, dat laatste opgevat als een
optelsom van commanderende waardeoordelen, die in ons vlees
en bloed zijn gaan zitten. Dat je juist die kant op, dáár naar
boven wilt, mag dan misschien een kleine onbesuisdheid zijn,
een zonderling, onredelijk ‘gij zult’ – want ook wij kennenden
hebben onze idiosyncrasieën van de ‘onvrije wil’ –; de vraag is
of je daar naar boven kunt. Dat kan afhangen van talrijke omstandigheden,
maar in hoofdzaak is het de vraag hoe licht of
zwaar we zijn, met andere woorden: het probleem van ons ‘soortelijk
gewicht’. Men moet heel licht zijn om de wil tot kennis zo
ver te voeren en als het ware boven zijn tijd uit te jagen, om zichzelf
|ogen te geven die millennia kunnen overzien – en in deze
|ogen ook nog een heldere hemel! Men moet zich hebben losgemaakt
van veel dingen die ons Europeanen-van-nu terneerdrukken,
hinderen, tegen de grond houden en zwaar maken. De
mens van zo’n andere wereld die de hoogste maatstaven van
zijn tijd zelf in het oog wil krijgen, moet daarvoor in de eerste
plaats deze tijd in zichzelf ‘overwinnen’ – het is zijn krachtproef
– en dus niet alleen zijn tijd, maar ook zijn tot nu toe geldende
weerzin van en oppositie tegen deze tijd, zijn lijden aan deze
tijd, zijn oneigentijdsheid, zijn romantiek…

Ik ben niet schuldig, ik ben vrij

4/5 mei – Ze overleefde het vernietigingskamp, waar ze danste voor Josef Mengele. De 91-jarige Edith Eva Eger wil vrolijk doodgaan, dankbaar, tevreden. Vandaag in De Tien Geboden een bijzonder gesprek met ‘de ballerina van Auschwitz’.

'Het enige wat ik wilde was niet opvallen, assimileren, altijd, overal. Ik veranderde voortdurend in wie anderen wilden dat ik zou zijn. Tot ik eindigde in het concentratiekamp waar mijn bestaan voorgoed moest worden weggewist'. foto Mark Kohn

‘HET ENIGE WAT IK WILDE WAS NIET OPVALLEN, ASSIMILEREN, ALTIJD, OVERAL. IK VERANDERDE VOORTDUREND IN WIE ANDEREN WILDEN DAT IK ZOU ZIJN. TOT IK EINDIGDE IN HET CONCENTRATIEKAMP WAAR MIJN BESTAAN VOORGOED MOEST WORDEN WEGGEWIST’. FOTO MARK KOHN

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Voor mij is God een beetje zoals Tinkelbel, het elfje uit ‘Peter Pan’: fladderend, fonkelend en happy. Een vrije geest. God was bij mij, in Auschwitz, toen ik voor dokter Mengele moest dansen en hij me als beloning een stuk brood toewierp… en ja, God was er ook toen mijn vader en moeder werden vergast. Geloof me, ik heb mijn vuist naar de hemel gebald, maar één ding is zeker: God heeft mijn ouders niet vermoord. Mensen hebben dat gedaan. En God zorgde er voor dat mijn woede omsloeg in medelijden. Niemand werd geboren om te haten. Ik koos voor liefde, in plaats van haat. Het is de liefde die me heeft gered. Het is de liefde die me in leven houdt.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Als hier ook mee wordt bedoeld dat je niet aan één ding te veel aandacht moet schenken, dan sluit ik me daar helemaal bij aan. Werken, liefhebben, spelen: probeer in alles de balans te bewaren. Word geen workaholic. Wees niet rigide. Blijf flexibel.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Hoe je dit gebod ook vertaalt: vloeken blijft toch een armoedige manier van duidelijk maken dat je ergens op tegen bent. Bij mij speelt het vooral op als ik met onwetendheid wordt geconfronteerd; als mensen gaan beweren dat de Holocaust nooit heeft plaatsgevonden of als iemand roept dat immigranten de welvaart en de veiligheid van Amerika bedreigen. De white supremacy-groep groeit nog elke dag, het fascisme maakt deel uit van de nieuwe werkelijkheid. De vijand staat helemaal niet aan de grens; de vijand is onder ons. Amerika is geen democratie meer, sterker nog: ik zou het eerder een oligarchie willen noemen omdat een kleine groep rijke, witte mensen hier de dienst uitmaakt. Nee, ik ben niet bang – angst en liefde gaan niet samen – maar ik ben wel bezorgd, en als hier een bijeenkomst wordt gehouden voor mensen die in de leugens van Trump en zijn aanhang willen geloven, zal ik van deur tot deur gaan om ervoor te zorgen dat de zaal leeg blijft. Kom vanavond maar naar mij, dan maak ik een heerlijke Hongaarse maaltijd voor jullie klaar.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“O ja, word geen workaholic, dat zei ik eerder hè? Maar mijn werk is mijn roeping. Ik heb heel lang enorm mijn best gedaan om mijn bestaan op aarde te rechtvaardigen – dat is de laatste tijd wel iets minder geworden. Ik heb mezelf toestemming gegeven om te zeggen dat wat ik doe goed genoeg is, dat het oké is om gemiddeld te zijn en in contact te komen met de alledaagsheid van mijn bestaan. Ik hoef het verleden niet altijd meer als een last met me mee te dragen. Natuurlijk schiet ik nog wel eens terug in de oude modus, maar ik weet mezelf sneller op te vangen. Dit is namelijk wat wij, mensen, doen: we beklimmen de berg, glijden soms uit, krabbelen overeind en klimmen dan weer verder. Ik zit al behoorlijk hoog, da’s waar, maar ik heb ook steeds meer plezier in het klimmen gekregen.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Het eerste woord dat in me opkomt als ik aan mijn moeder denk is melancholie. Haar moeder stierf toen zij negen jaar oud was. Ze lag ’s ochtends dood naast haar in bed en werd – volgens de joodse traditie – diezelfde dag, aan het einde van de middag begraven. Mijn moeder heeft de rest van haar leven gedacht dat mijn oma misschien in coma was geraakt en dat ze dus levend werd begraven… Precies zoals mijn zus Klara, die als enige van ons gezin aan de deportatie wist te ontkomen, zich in het hoofd had gehaald dat onze moeder was blijven leven als zíj ook mee naar Auschwitz was gegaan. Ik zie mijn moeders gezicht. Ze lacht niet. Ze lachte nooit. Ze maakte zich zorgen. ‘Je bent lelijk,’ zei ze tegen me, ‘maar gelukkig heeft God je een goed stel hersens meegegeven’. Ik nam het haar niet kwalijk, ik dacht er niet over na. Wat ze zei telde niet, wat ze deed was veel belangrijker: ze raakte me aan, ze zorgde voor me, ze heeft er alles aan gedaan om me in leven te houden. Ik was een verlegen, verdrietig meisje dat nauwelijks opviel. Ik denk wel eens dat ik werd voorbereid om in Auschwitz voor mijn zus te kunnen zorgen. Alsof ik een plan uitvoerde dat God van te voren had bedacht. Mijn moeder, die ook geen idee had wat ons te wachten stond, zei in de trein die ons naar het concentratiekamp bracht: ‘Ze kunnen je alles afpakken, behalve je gedachten’. Daardoor zou ik me uiteindelijk vrijer voelen dan de bewakers die me gevangen hielden. Mijn vader begon als kleermaker, werd later couturier. Een echte charmeur. Hoge hoed, wandelstok, tot in de puntjes verzorgd. Mijn vader zei altijd dat ik, met mijn figuur, op een dag het best geklede meisje van de stad zou zijn. Daarom koop nog steeds kleding van designers, voor hem. Kijk, dit is van Valentino. Zie je me papa? Ik draag het voor jou.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Mengele pakte me vast, zei: ‘Je ziet je moeder snel weer terug, ze gaat alleen maar even douchen’ en duwde me naar de rij van de mensen die hij nog iets langer in leven wilde houden. Diezelfde avond kwam hij naar onze barak en vroeg of er iemand was die iets kunstzinnigs voor hem kon doen. Een paar meisjes duwden me naar voren omdat ze wisten dat ik op balletles had gezeten en als veertienjarige nog voor Miklós Horthy, de regent van het koninkrijk van Hongarije, had opgetreden. Ik danste op de muziek van ‘An der schönen blauen Donau’, deed een grand battement, een pirouette en eindigde met een spagaat. Voor de moordenaar van mijn ouders. Ik heb ooit gedacht dat ik Mengele zou opsporen in Paraguay. Ik zou me voordoen als een serieus journalist en helemaal aan het einde van het gesprek zou ik hem – doodschieten? Nee, ik wil geen moordenaar zijn. Ik twijfel er zelfs aan of ik zijn verblijfplaats zou verraden. Ik geloof in rechtvaardigheid, maar ik geloof niet dat God de bedoeling had om me op nazi’s te laten jagen. Ik ben hier om onvoorwaardelijke liefde te geven, om een plek te creëren waar mensen zich veilig voelen: bij mij mag je zijn wie je bent, voelen wat je voelt, wat overigens niet betekent dat ik het eens ben met alles wat je hebt gedaan. Je moet het ‘doen’ altijd scheiden van het ‘zijn’. Therapie gaat nooit over wat er is gebeurd, maar juist over wat er niét is gebeurd. Over de jeugd die je niet hebt gehad, over het kind dat je nooit kon zijn. Dat gevoel gaan we niet analyseren, geneeskundig behandelen of veroordelen – je hoeft het alleen maar te voelen. Ga terug, vind het kind en vertel hem of haar dat de vraag, ondanks alles, nooit is ‘Waarom ik?’ maar: ‘Wat nu?'”

VII Gij zult niet echtbreken

“Voor de oorlog had ik een vriendje, Eric. Wij zouden later trouwen. Ik was heel erg verliefd. Eric was betrokken bij Betar, de zionistische Joodse jeugdvereniging, en hoewel ik helemaal niet zo militant was, gaf ik me – heel ouderwets – helemaal aan hem over en had ik er al mee ingestemd dat we in Palestina zouden gaan wonen. In het voorjaar van 1944, vlak voordat mijn ouders, mijn zus Magda en ik werden gedeporteerd, zei Eric tegen me dat hij zich altijd mijn mooie handen en mijn mooie ogen zou herinneren. Ik plantte deze gedachte, als een mantra, in mijn hoofd: als ik vandaag overleef, zal ik Eric morgen terug zien. Dan zullen we samen een gezin gaan stichten. De oorlog ging voorbij, we werden in mei ’45 bevrijd – een Amerikaanse soldaat van het 71ste Infanteriebataljon trok me, meer dood dan levend, uit een stapel lijken – maar toen ik eindelijk thuiskwam, hoorde ik dat Eric een dag voor de bevrijding was doodgeschoten. Ik ontmoette Béla. Béla kocht salami voor me. En Zwitserse kaas. Ik was een schipbreukeling, klampte me aan hem vast. Ik had nooit gedacht dat ik nog een normaal leven zou kunnen leiden. Niet veel later trouwden we, ik raakte zwanger en liep trots over straat. Een echtgenote, een aanstaande moeder. Het was geen romantiek, maar wel een gevoel van euforie: ik telde weer mee in deze wereld. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik, door met Béla te trouwen, Eric had verraden. Het was een andere tijd, een andere gemoedstoestand. Ik ben Eric nooit vergeten, maar het is me gelukt om hem te plaatsen waar ik Auschwitz ook had opgeborgen, als een cherised wound, een gekoesterde wond, als iets wat ik nog wel voel maar niet altijd meer zo verschrikkelijk zeer doet.”

VIII Gij zult niet stelen

“Natuurlijk heb ik wel eens gestolen! Als kind, geen idee wat, maar moeten we het daar echt over hebben? Laten we liever praten over living life to fullest, met goede en minder goede kanten, met alles wat erbij hoort. En wie bepaalt of en wanneer je iets wel of niet mag doen? Naar welke wetten moet ik luisteren, wiens regels moet ik volgen? Als ik in Duitsland was geboren, zou ik van een uitspraak als ‘Vandaag Duitsland, morgen de hele wereld!’ waarschijnlijk heel erg onder de indruk zijn geweest en had ik me meteen bij de Hitlerjugend aangesloten. Daarom is goed onderwijs zo belangrijk. We moeten onze kinderen niet brainwashen, niet vertellen wát ze moeten denken maar juist hóe ze moeten denken. Denk na over hoe je nadenkt. Geef aandacht aan de dingen die je aandacht geeft.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Op een dag mocht ik niet langer meedoen op de balletschool omdat ik Joods was. ‘Maar ik ben helemaal niet Joods!’ riep ik wanhopig. Niet meer te mogen dansen was het ergste wat ik op dat moment kon bedenken. Het liegen, of eerder: het ontkennen, maakte al op jonge leeftijd deel uit van mijn leven. Het was pure angst. Angst om ontdekt te worden. Joods zijn is slecht. Ik ging naar een Joodse school. Zodra ik naar buiten liep, werd ik bespuugd en voor christusmoordenaar uitgemaakt. Het enige wat ik wilde was niet opvallen, assimileren, altijd, overal… ik gaf mijn ‘ware ik’ op om in het plaatje te passen, ik veranderde voortdurend in wie anderen wilden dat ik zou zijn tot ik eindigde in het concentratiekamp waar mijn bestaan voorgoed moest worden weggewist… Na de bevrijding had ik enorm veel last van survivor guilt. Ik emigreerde naar Amerika en probeerde op te gaan in de massa door een echte yankee doodle dandy te worden. Ik verzweeg mijn verleden, zelfs voor mijn drie kinderen. Maar weet je wat er gebeurt als je pijn probeert weg te duwen? Het wordt alleen maar erger. De omslag kwam toen ik op mijn 48ste psychologie ging studeren en bepaalde gebeurtenissen wel onder ogen móest komen, maar ik vond mezelf pas echt weer terug toen ik in 1990 Auschwitz bezocht. Het was een ontzagwekkende herontdekking, het was de schaduw waar Jung over spreekt: als je in staat bent om het donker in te gaan, zul je mogelijkheden ontdekken die je nog niet eerder hebt benut. Terug in Auschwitz. Magda, mijn moeder en ik. Mijn vader is al afgevoerd. Heb ik nog naar hem gezwaaid? Ik zie een man, die ik later zou leren kennen als Joseph Mengele, voor me staan. Heldere ogen, een spleetje tussen zijn tanden. Hij wijst naar mama en vraagt: ‘Is dit je moeder of je zus?’ ‘Mijn moeder’, zeg ik en ze wordt meteen van ons gescheiden, naar de rij geduwd die klaar staat om te worden vergast. Ik had moeten zeggen dat ze mijn oudere zus was. Zou ze dan…? Met die twijfel heb ik jarenlang rondgelopen. Pas toen ik weer op diezelfde plek stond, terug was in de tijd, kon ik inzien dat ik mezelf met die gedachte had willen straffen. En dat ik haar helemaal niet had kúnnen redden. Ik ben niet schuldig. Ik ben vrij.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“God schonk ons verleiding. Weet je waarom? Omdat we daardoor leren hoe we van onze keuzevrijheid gebruik kunnen maken. Als je een kind vraagt: wat wil je? Dan zegt het: alles. Een volwassene heeft nog steeds overal zin in, maar handelt daar niet meer naar. Goede ouders leren hun kinderen hoe ze het leven aankunnen zonder hen, hoe ze hun eigen vader of moeder worden. Dependency breeds depression, afhankelijkheid maakt je depressief. Je moet durven loslaten. Om te beginnen: het verlangen naar de goedkeuring van anderen. Ik was laatst te gast bij Ophrah Winfrey en deed, op mijn 91ste, nog steeds mijn best om indruk te maken, om het hoogst mogelijke cijfer te halen. Zie je? Ook ik ben nog niet uitgeleerd. Ik leef in het heden en ik denk jong. Over de dood denk ik maar zelden na… Alhoewel: een jaar geleden was ik heel erg ziek. Ze brachten in het ziekenhuis zo’n buis aan via mijn mond, dus ook mijn handen moesten worden vastgemaakt om te voorkomen dat ik dat ding eruit zou proberen te trekken. Toen ik beter werd, schreef ik – voor het geval ik nog eens in zo’n situatie zou komen – ‘I want to die happy’ op een briefje en gaf het aan mijn dochter. Zo gaat het gebeuren: ik zal vrolijk doodgaan. Dankbaar en tevreden.”

Dit interview, gehouden in San Diego, Californië, de woonplaats van dr. Edith Eger, kwam mede tot stand dankzij de bemiddeling van Expertisecentrum Omgaan met Verlies/School voor Transitie en een financiële bijdrage van uitgeverij Bruna.

Edith Eva Eger

Edith Eva Eger (Kosice, voormalig Hongarije, 1927) is psychotherapeute en schrijfster van ‘De keuze – leven in vrijheid’, uitgegeven door Bruna. Eerder deze week gaf dr. Eger op uitnodiging van de School voor Transitie en het Expertisecentrum Omgaan met Verlies een masterclass.

Vanavond is in Carré de voorstelling ‘De dans ontsprongen’ te zien. De voorstelling is gebaseerd op haar levensverhaal.

Zonder waarom

Interview Welmoed Vlieger

OLF DE BRUIN
Filosoof Welmoed Vlieger ( 42 ) kreeg vat op het leven dankzij oude denkers. Hun grootste les? Leef vol overgave, zonder alles te bevragen. Zo krijgt een burn-out geen kans.
Welmoed Vlieger (1976, Denekamp) werkt als buitenpromovendus aan een onderzoek over innerlijkheid en politiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Ze studeerde godsdienstwetenschap en wijsbegeerte. Vlieger woont met haar gezin in Amsterdam en heeft twee kinderen van 8 en 15. Ze schrijft columns, geeft lezingen en organiseert filosofiedagen en -weekenden.
De vader van Welmoed Vlieger was dominee. Ze is de jongste van vier kinderen en verhuisde veel in haar jeugd. ‘Ik ben niet kerkelijk dogmatisch opgevoed. Wel hebben mijn ouders me bronnen aangereikt. Maar dat behoedt je dus niet voor een crisis, het komt erop aan je eigen bronnen te vinden. Daar gaat het om: ontdekken wat jou inspireert. Dat is een enorme zoektocht.’

Elk mens doorloopt een zoektocht om zichzelf te leren kennen en vat te krijgen op wat het leven is. Die route is voor ieder mens anders. Het probleem aan de basis van veel psychische klachten – ook bij een burn-out – is volgens filosoof Welmoed Vlieger (42) dat de meeste jonge mensen de zoektocht niet eens aangaan. Begrijpelijk, in een wereld waarin likes sneller te krijgen zijn dan een antwoord op je eigen waarom, maar weerbaar worden we er niet van.

Alles moet tegenwoordig van buiten komen, observeert Vlieger, gezeten aan de houten keukentafel in haar appartement. Er gaat iets kalmerends uit van haar aanwezigheid. Ze is rustig, ingetogen. Formuleert voorzichtig, zoekt nauwkeurig naar woorden, alsof ze gaandeweg het gesprek tot inzichten komt.

Ze gebruikt oude woorden, van dode denkers: innerlijkheid, ziel. Niet verwonderlijk, voor een filosoof die na een flinke dwaaltocht haar eigen inspirator vond in een middeleeuwse mysticus, Meester Eckhart.

Om de kern van ons mens-zijn te illustreren, gebruikt Vlieger een beeld van een andere wijsgeer, Plato. Die beschrijft de menselijke ziel als een paardenspan. Op de bok zit een wagenmenner, het verstand. Met slechts één taak: de boel een beetje in het gareel houden. Want de twee paarden in het span verkiezen elk een eigen route. Het ene paard wil het leuk hebben, zoekt vertier, verstrooiing en genot, het andere zoekt zingeving, liefde, vriendschap en een goede manier van leven. De tweestrijd tussen die neigingen, tussen afleiding en stilstaan, korte termijn en diepe waarden, dát is volgens Vlieger het menselijk bestaan.

De mens hoort te worstelen, zegt u?

‘We zijn niet zomaar een persoon met een aantal eigenschappen die samen onze identiteit vormen. Uniek voor de mens is dat we samengestelde wezens zijn. De worsteling tussen onze twee kanten, de tegenstrijdigheid in ons wezen is door de eeuwen heen beschreven in de filosofie. De mens maakt voortdurend schijnbewegingen om maar niet de confrontatie met zichzelf aan te gaan.’

U schrijft over jonge mensen die de weg kwijt zijn. Wat bedoelt u daarmee?

‘Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie heeft eenderde van alle jongeren een mentale aandoening en worden het er alleen maar meer. Daarbij gaat het om depressie, verslaving, burn-out. Vooral het aandeel van jonge vrouwen is groot. Ik probeer te begrijpen wat er gebeurt en heb het vermoeden dat er vaak een zingevingsprobleem achter schuilgaat. De huidige tijd is best moeilijk om in op te groeien. Met de tirannie van de perfectie en de druk om leuk, mooi en geslaagd te zijn. Terwijl het juist de kunst is om te gaan met tegenstrijdigheden – aan alles zit een rafelrandje.

‘Ik ben voorzichtig, ik zeg niet dat het dé oorzaak is, maar in gesprekken met jongeren merk ik vaak dat ze een existentiële leegte ervaren.’

Wat is dat?

‘Gevoelens van doelloosheid. Zinloosheid. En daaronder: angst. De Deense denker Kierkegaard weet dat als geen ander te verwoorden. Hij laat zien hoe mensen kunnen vastlopen in angst en vertwijfeling. Vooral in tijden van tegenslag, verlies en rouw. Op dat soort momenten doemen existentiële vragen op: waarom overkomt mij dit, hoe moet ik hiermee omgaan? De verbanden van kerk en gemeenschap zijn weg en we zijn teruggeworpen op onszelf, als het gaat om dit soort levensvragen.

‘Ik merk dat jongeren meer en meer naar buiten gericht zijn. Dat maakt dat je je minder verhoudt tot je binnenwereld, waarin tegenstrijdigheden woekeren. Innerlijkheid is voor mij een belangrijk onderwerp. Dat woord dreigt helemaal te verdwijnen in deze tijd, net als het woord ziel.’

Wat bedoelt u met innerlijkheid?

‘Het landschap in jezelf met angsten, leegte en kanten die je niet kent: hoe verhoud je je tot jezelf en tot de wereld? Innerlijkheid raakt aan termen als ziel en geweten. Een beetje ouderwetse woorden, met een lange geschiedenis. Grote denkers hebben ze gebruikt.

‘Ik denk dat het belangrijk is dat je probeert die binnenwereld te leren kennen. Dat je niet voortdurend op zoek blijft naar afleiding, maar dat je alleen kunt zijn. Om in tijden van tegenslag – die iedereen meemaakt – op jezelf te kunnen terugvallen. Als je je eigenwaarde afhankelijk maakt van de buitenwereld, ben je afhankelijk van het toeval en het grillige lot – en ja, dan kan alles makkelijk instorten. Als je eigenwaarde van binnenuit komt, heb je een dragende grond.’

Kunnen jonge mensen niet alleen zijn?

‘Alleen zijn is beangstigend. Omdat het diepe vragen oproept. Toen ik lesgaf aan studenten, hoorde ik telkens: ik weet niet wat ik met mezelf moet. Terwijl juist dát zo belangrijk is.

‘Die angst, daar moeten we niet vanaf. Daar moeten we doorheen, je moet de dialoog aangaan met jezelf, om vertrouwen te krijgen in het bestaan. Want dat bestaan is een volstrekt oncontroleerbaar iets. Dat proberen we voortdurend onder controle te krijgen. Althans, we denken dat te kunnen, maar dat kán niet. Een uitspraak als ‘het gaat goed met mij’ staat daar model voor. Alsof je kunt zeggen: het is klaar, ik heb het voor elkaar.

‘Dat is een verkrampte manier om met het leven om te gaan. Omdat heel veel onzeker is. We moeten ons verhouden tot die onzekerheid.’

We werken steeds meer met ons hoofd. Denkt u dat we daarom massaal aan mentale uitputting lijden?

‘Nee. Het zijn vragen als: kan ik dit wel, wil ik dit wel of doe ik dit omdat anderen het van me verwachten? Dáár worden mensen moe van. Dat vraagt om zelfonderzoek: eerlijk jezelf onder ogen zien. Dat los je niet op met een weekendje Parijs.

‘En, dat vind ik belangrijk om te benadrukken, het is geen navelstaarderij. Want door jezelf te leren kennen – ook je donkere kanten – kan er ook ruimte voor anderen ontstaan. Je kunt je makkelijker verhouden tot anderen, hen accepteren zoals ze zijn.

‘Ik zie vaak jonge vrouwen op sociale media die letterlijk om likes en hartjes vragen, als ze in de put zitten. Dat vind ik echt zorgelijk. Er is geen weerbaarheid. Het maakt je enorm vatbaar voor teleurstelling en afwijzing van buitenaf. Die moet je dan weer compenseren met bevestiging van buitenaf.’

We hebben het tamelijk goed voor elkaar, zijn welvarend en volgens enquêtes ook gelukkig.

‘Als je zeven dagen per week op het land ploetert, is het leven vanzelfsprekend zwaar. Mensen werden vroeger meer beproefd, er was meer dood, verlies, honger. Dat doet iets met je als mens, het bepaalt je.

‘Ik denk dat welvaart ons ook minder weerbaar heeft gemaakt. Een afwijzing komt snel aan als een mokerslag. Van vrienden, op ons werk. We maken ons gauw zorgen, denken: het gaat niet goed met me, wat nu? We zijn niet gewend aan tegenslag. We willen controle, preventie. Alles bedwingen. Wat niet perfect is, moet opgelost. Voelen we leegte of angst? Daar moeten we vanaf.

‘Het rafelige, het lelijke, het angstige: we moffelen het weg. Ook de dood. Het moet allemaal uit het zicht en dat maakt ons juist kwetsbaar. Want dood, ziekte en verlies van dierbaren blijven bestaan. Omgaan met zulke ervaringen wordt lastig als je een wereld creëert waarin die zaken afwezig lijken te zijn.’

Mensen krijgen een burn-out omdat ze niet weerbaar genoeg zijn?

‘Ik vermoed dat angst ten grondslag ligt aan een burn-out. Angst kan veel weerstand oproepen, we willen er niet aan. Terwijl angst wezenlijk is, hij hoort bij de mens, we moeten daar iets mee. Daarvoor is reflectie nodig. Doe je daar niet aan, dan duikt hij op de meest onmogelijke momenten op. En dat beangstigt nog meer, benadrukt nog meer het oncontroleerbare.

‘Ik denk dat we onderscheid moeten maken tussen psychische en geestelijke klachten. Die laatste zijn heel menselijke, existentiële problemen waar iedereen tegenaan loopt. Het is de vraag of je daarvoor bij een psycholoog aan het juiste adres bent.

‘Filosofen spreken van een dialoog: je kunt pas tot zelfinzicht komen in contact met iets anders. Vroeger kon dat God zijn. We verlangen naar een kritische vriend, een sparringpartner. Die behoefte vervullen we nu vaak door naar een psycholoog te gaan.’

Wat is het alternatief, denkt u?

‘Jonge mensen hebben ruimte en aanmoediging nodig om op zoek te gaan naar bronnen die hen innerlijk voeden. Wat raakt je, wat inspireert je, waaraan trek je je op? Bronnen komen in allerlei gedaanten: in muziek, poëzie, literatuur, kunst, religie, het krijgen van kinderen. Als het de innerlijke dialoog maar op gang brengt. Alleen op die manier kun je je eigen angsten en onzekerheden aanschouwen.

‘Bovendien, en dat is minstens zo belangrijk: die bronnen maken dat je jezelf kunt zien als deel van iets groters. Die laten je zien dat je niet alleen staat in de wereld. Mooie teksten of kunst kunnen zo veel zin geven. Je laten beseffen dat je een bepaalde rol hebt, een verantwoordelijkheid.’

Hoe ging dat bij u, het vinden van een bron?

‘Ik heb een moeizame middelbareschooltijd gehad. De stof raakte me niet, ik sleepte me door de dagen. Ik had moeite met het schoolsysteem, verzette me ertegen, was een opstandige puber. Ik voelde me verdwaald, angstig, wist niet wat ik moest.

‘Via een lange omweg heb ik uiteindelijk mijn havodiploma gehaald en mocht ik toelatingsexamen doen voor de universiteit. Daar ging een wereld voor me open. Of nou ja, aanvankelijk voelde ik me verloren in een zee van denkers.

‘Het zijn bepaalde docenten geweest die me richting gaven, die zeiden: lees dit eens, of dat. Zo kwam ik Meester Eckhart tegen, een filosoof uit de 13de, 14de eeuw. Wat hij beschreef, herkende ik. Ik voelde: ik sta niet alleen, maar in een traditie van denkers die op eenzelfde manier naar de wereld kijken.’

En welke manier van kijken is dat?

‘Hij spreekt over leven vanuit je eigen bestaansgrond, zonder waarom. Ik leef omdat ik leef, omdat ik niet anders kan, vol overgave. Ik geef lezingen over dat thema en die uitspraak, ‘leven zonder waarom’, trekt veel mensen aan. Juist omdat zij continu vol vragen zijn: waarom dit, waarom dat? Mensen verlangen naar een leven waarin ze niet continu het nut van alles bevragen. Rust vinden in wat er is. Het zijnde laten zijn, zegt Heidegger. Niet voortdurend de controle willen hebben. Want precies dát is vermoeiend en geeft onrust, stress en druk.’

Wat is die ‘grond’ voor u?

‘Het zijn vooral religieuze auteurs die mij raken, zoals Kierkegaard en Dostojevski. Me opgenomen weten in iets groters, de ervaring dat het leven in de grond zin heeft. Er zijn mensen vóór ons geweest en er komen mensen na ons voor wie wij verantwoordelijkheid dragen. Dat besef maakt je los van narcisme, van bezig zijn met je eigen leventje. Het geeft zin en betekenis aan je bestaan.’

Bent u daarmee beschermd tegen een burn-out?

‘Dat weet je nooit. Ik werk hard, heel hard. Ik heb twee kinderen. Mijn promotie staat centraal, maar ik doe ook columns, lezingen, weekenden. Ik ben gelukkig met wat ik doe. Maar je hoort vaak: plotseling kon ik helemaal niets meer. Het komt bij iedereen onverwachts.

‘Ik ervaar weinig stress, gek genoeg. Ik ben veel alleen. Dat vind ik fijn, heb ik ontdekt. Maar dan nog. Er is geen enkele garantie in het leven.’

Lees meer over burn-outs op volkskrant.nl/burnout

Jan Rotmans: “Het zit in onszelf: Als je zelf wezenlijk wilt veranderen moet je je eigen weerstand overwinnen”

Transities zijn mensenwerk. Meer en meer is professor transitiekunde Jan Rotmans tot het inzicht gekomen dat mensen het verloop van transities bepalen. Als onderdeel van en in wisselwerking met een complex web van technologie, markten, instituties, beleid en cultuur uiteraard. Maar als puntje bij paaltje komt, vraagt een systeemverandering om een persoonlijke verandering. Reflexiviteit, angst en vertrouwen zijn dan ook sleutelwoorden in Rotmans nieuwe boek Omwenteling.

Iedereen lijkt verandermoe. Overal om je heen hoor je dat mensen bezig zijn met veranderen. Organisaties zijn aan het veranderen. De samenleving is aan het veranderen. Professor Jan Rotmans, die al meer dan dertig jaar transities bestudeert, noemt dat ‘gewone’ verandering en die is volgens hem van alle tijden. Incrementele veranderingen, waarbij het gaat over een beetje veranderen,  slimmer worden of efficiënter zijn. In het beste geval leidt dat tot het optimaliseren van wat er al is, meent hij.

Nee, als de Rotterdammer het over verandering heeft, heeft hij het over transformatieve verandering. Dat is diepe verandering. Onomkeerbare verandering. Wezenlijk anders denken. Anders handelen en organiseren. Kortom, een radicale verandering, waarbij alles wat vanzelfsprekend is ter discussie komt te staan.

Over je eigen schaduw heen stappen

Er mag dan grote verandermoeheid zijn onder mensen, de behoefte aan diepe verandering is alom aanwezig, zo schrijft Rotmans in zijn nieuwste boek Omwenteling. Steeds meer mensen voelen zich niet meer thuis in de huidige samenleving. Ze missen de warmte, saamhorigheid, barmhartigheid en het vertrouwen in een samenleving die draait om geld, rendement en efficiency. Waarin systemen en cijfers belangrijker zijn geworden dan mensen. Zo’n samenleving kan rationeel goed marcheren, maar is in feite ziek en maakt mensen ziek.

Het punt dat Rotmans wil maken, is dat we die systemen zelf hebben gebouwd. En hoewel ze ons lang hebben geholpen, keren ze zich nu tegen ons. We hebben echter het vermogen om die systemen te transformeren, meent hij, omdat wij zelf het systeem zijn.

“Steeds meer mensen voelen zich niet meer thuis in de huidige samenleving. Waarin systemen en cijfers belangrijker zijn geworden dan mensen.

En daar komt de aap uit de mouw: dat systeem veranderen, lukt niet met een ‘gewone’ verandering. Dat vraagt een transformatieve verandering en die is veel ingrijpender, moeilijker en bedreigender dan ‘gewoon’ veranderen. Het vraagt het bijna onmogelijke: loslaten wat we hebben geleerd en tot nu toe hebben gedacht en gedaan. Over je eigen schaduw heen stappen, vindt hij daarvoor een mooie metafoor.  Van nature doen wij dat liever niet: ons brein is vanuit de evolutionaire ontwikkeling gericht op stabiliteit en continuïteit. Maar eens in de zoveel tijd is het nodig.

Jan Rotmans - Omwenteling - Cover.jpg

Nu is zo’n tijd van omwenteling. In drie delen gaat de hoogleraar in Omwenteling in op de maatschappelijke, organisatorische en menselijke omwenteling waar we midden in zitten. Die maatschappelijke omwenteling, waarbij de maatschappij, economie en machtsverhoudingen kantelen, behandelde hij uitvoerig in zijn vorige boek Verandering van Tijdperk (2014). Er is sprake van een verandering van tijdperk als de veranderingen fundamenteel van aard zijn, op vrijwel alle terreinen voorkomen en elkaar in eenzelfde richting versterken.

Zoiets komt niet vaak voor. De laatste keer was in de tweede helft van de negentiende eeuw, de tijd van de maatschappelijke modernisering, industriële revolutie en machtswisseling van adel naar bourgeoisie.  Het meemaken van zo’n omwenteling is een unicum dat slechts weinig generaties is gegeven. Spannender dan dit tijdsgewricht kan het nauwelijks worden, stelt Rotmans.

Nog tien jaar chaos en instabiliteit

Die omwenteling gaat gepaard met chaos en instabiliteit. Omdat het zo ontwrichtend is en ontzettend veel energie van mensen, systemen, de samenleving en economie vraagt, kan zo’n periode van chaos en instabiliteit niet te lang duren. Hoe ver staan we dan vandaag met de maatschappelijke en organisatorische omwenteling, vraag ik hem.

Rotmans: “We zitten nu midden in die chaosfase, waarbij heel veel mensen zien dat het anders moet en kan. Dat het oude niet meer zo goed werkt. We zitten in een fase waarin ook veel nieuws ontstaat, maar het is allemaal nog fragiel. En de oude instituten willen nog niet wijken.

Wat opvalt, is dat de complexiteit van maatschappelijke stelsels als de zorg, het onderwijs en de arbeidsmarkt in de 19de eeuw nog te overzien was. Die complexiteit is nu vele malen groter. In die zin is er ook geen precedent, wat kan betekenen dat de chaosfase veel langer duurt dan vroeger.

verschil-transitie-19-21-33uw.png

Ik verwacht dat het nog wel tien jaar kan duren. Niet dat het dan opgelost is, maar dan zien mensen in ieder geval welke richting het opgaat. Nu zien heel veel mensen geeneens een richting. Het lijkt alle kanten op te gaan. Ik denk dat er over een aantal jaren een meer duidelijke maatschappijvisie komt die richting geeft.”

“Ik verwacht dat die periode van chaos en instabiliteit nog wel tien jaar kan duren. Nu zien heel veel mensen geeneens een richting. Het lijkt alle kanten op te gaan. Ik denk dat er over een aantal jaren een meer duidelijke maatschappijvisie komt die richting geeft.

Concreet verwacht Rotmans, zo schrijft hij in Omwenteling, chaos en maatschappelijke onrust geworteld in de hervorming van onze maatschappelijke stelsels (pensioenstelsel, arbeidsmarkt, belastingstelsel, zorg en onderwijs), de kwetsbare economie waar zich binnen tien jaar een volgende financiële crisis aandient en de gevolgen van digitalisering, automatisering en robotisering voor de arbeidsmarkt, die vooral de middenklasse zal treffen.

Rotmans: “Het is maar goed dat de meeste mensen dat nog niet beseffen, denk ik wel eens. Anders zouden ze er waarschijnlijk van wakker liggen. Tegelijkertijd hoop ik wel dat steeds meer mensen hun ogen daarvoor openen. Anders word je elke dag verrast in de komende decennia. En je wil niet elke dag verrast worden, want dan leid je een heel onrustig bestaan.”

De meest wendbare bedrijven overleven

In het tweede deel van zijn boek staat de organisatorische omwenteling voor bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties centraal. Ook daar ziet Rotmans dat het besef dat het anders moet, nog vaak ontbreekt. Of je nu groot, middelgroot of klein bent, of je nu succesvol bent en goed draait of niet, je kunt er niet omheen. Er komt een orkaan op je af, zo voorspelt hij.

Rotmans: “Als burgers, klanten, consumenten én de omgeving aan het transformeren zijn, moet je je als bedrijf, overheid of maatschappelijke organisatie anders gaan verhouden tot die orkaan die op je afkomt. Je moet jezelf opnieuw uitvinden.”

“Het zijn dan ook niet de grootste en slimste bedrijven die overleven, maar de meest wendbare bedrijven.

Maar veel organisaties zijn daar nog helemaal niet mee bezig blijkt uit onderzoek van DRIFT, het Dutch Research Institute For Transitions waaraan Jan Rotmans als hoogleraar is verbonden. Minder dan 5 procent van de bedrijven behoort tot de categorie van transformatieve bedrijven, bedrijven die nieuwe wegen inslaan. Het overgrote deel is reactief of actief, en zo’n 10 procent is proactief en anticipeert voortdurend op de veranderingen om hen heen.

Rotmans: “De nieuwe tijd vraagt om een ander type organisatie: niet verticaal maar horizontaal, niet hiërarchisch maar organisch, en niet log maar wendbaar. Vaak zijn het bedrijven die een tijdje voorop hebben gelopen en heilig geloven in hun verdienmodel, die onvoldoende wendbaar zijn. Ze vallen terug en doen dan nog één laatste poging om het toch nog terug te pakken. Dat mislukt bijna altijd. Het zijn dan ook niet de grootste en slimste bedrijven die overleven, maar de meest wendbare bedrijven.

Voor die organisatorische omwenteling reikt de transitiespecialist op basis van jarenlange ervaring vijf verandersleutels aan: neem de tijd, creëer smal en diep draagvlak, ontwikkel een veranderstrategie, creëer experimenteerruimte en bied mensen  een veilige omgeving.

Grootste uitdaging is vertrouwen opbouwen

Die relatief veilige omgeving is hard nodig binnen de onrust en chaos van een organisatie in transitie. Vooral het aspect ‘vertrouwen’ is daarbij een heikel punt. Bij veel organisaties zit wantrouwen diepgeworteld in de cultuur. Elke organisatie die werkt vanuit wantrouwen is ziek en is op termijn gedoemd ten onder te gaan, schrijft Rotmans.

De grootste uitdaging zit hem dan ook in het wegnemen van angst en wantrouwen, en in het opbouwen van vertrouwen. Maar vertrouwen hebben in anderen kan alleen als je ook op jezelf durft te vertrouwen. Als je wezenlijk wilt veranderen zoek je het niet in regels en procedures, want dan leg je het buiten jezelf neer. Wie wezenlijk wil veranderen, zoekt het in zichzelf.

“Als je wezenlijk wilt veranderen zoek je het niet in regels en procedures, want dan leg je het buiten jezelf neer. Wie wezenlijk wil veranderen, zoekt het in zichzelf. In die persoonlijke transformatie staat het overwinnen van angst centraal. De angst erkennen, is de lastigste fase. Dat lijkt een zwaktebod, maar dat is het niet. Het is veel zwakker als je je angst ontkent.

Over die wezenlijke menselijke omwenteling gaat het derde en meest confronterende deel van zijn boek. In die persoonlijke transformatie staat het overwinnen van angst centraal. Die wezenlijke angst voor verandering is normaal. Er staat veel op het spel: je weet wat je achterlaat, maar niet wat daarvoor in de plaats komt. Die angst loslaten, is dus essentieel, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

“Klopt.” zegt de professor, “wat veel mensen doen, is om die angst heen gaan. In die eerste fase van die persoonlijke transitie ontken je het vaak en geef je het ook geen plaats. Maar het heeft alleen maar zin door het toe te geven. Dat lijkt een zwaktebod, maar dat is het niet. Het is veel zwakker als je je angst ontkent.

De angst erkennen, is de lastigste fase. Op het moment dat je dat eenmaal doet, kom je tot zelfinzicht en kun je proberen die angst in positieve energie om te zetten. Dan is de stap niet zo heel groot meer naar werkelijk springen.  Maar op het moment dat je het durft, wordt het niet makkelijker. Het wordt vaak zelfs moeilijker, maar ik heb nog nooit iemand meegemaakt die daar spijt van had en terug wilde. Dat is de hoop die ik mensen wil meegeven.”

Eerst iets ergs gebeuren

In de eerste ontkenningsfase van een persoonlijke transitie is men zich nog onvoldoende bewust van de noodzaak om wezenlijk te veranderen. De urgentie ontbreekt nog. Terwijl, als mensen de urgentie leren voelen, ze juist de traagheid van transities kunnen versnellen. Uit de verhalen van mensen die Rotmans in zijn boek vertelt, hemzelf incluis, lijkt het dat daar bijna altijd eerst iets ergs moet gebeuren voordat die persoonlijke omwenteling kan plaatsvinden.

Rotmans: “Net zo goed als je bij systemen een crisis nodig hebt, heb je in je persoonlijke leven ook wel zo’n kantelmoment nodig. Ik durf niet te beweren dat het een noodzakelijke voorwaarde is, maar ik heb de afgelopen tien jaar toch wel honderden mensen gesproken die ook hele heftige dingen hebben meegemaakt en daardoor intrinsiek veranderden.”

Al heel jong wist Jan Rotmans dat hij twee dingen wilde: iets met kennis en de wereld een beetje mooier kleuren: “Iedereen dacht: dat jongetje is gek geworden. Mijn moeder zei: ‘doe nou maar normaal, dat past niet bij ons’. Niemand thuis had die drang, ik wel. Het kan bijna niet anders, vanuit de seculariteit, dat dat ook met voorgaande levens te maken heeft. Maar ik heb me daar nog niet verder in verdiept.

Toen ik dertig was, werd ik professor. Na mijn fietsongeluk en de ziektes van mijn kinderen dacht ik: ik moet een grotere groep mensen bereiken, dan die vijfhonderd uit de wetenschap. Dan ben ik nog bewuster scientivist geworden, een activistische wetenschapper. Om de wereld mooier te kleuren. Ik ben daar wel dankbaar voor, eerlijk gezegd. Het is allemaal best wel heftig geweest, met ongelooflijk veel kritiek en weerstand. Maar ik prijs me gelukkig, dat ik dit kan doen, en mag zijn. Elke dag weer.”

Weerstand overwinnen

Jan Rotmans heeft van de weerstand leren genieten. Dat is volgens hem ook één van de verandersleutels voor een persoonlijke omwenteling. Als je zelf wezenlijk wilt veranderen moet je je eigen weerstand overwinnen. Dat is pijnlijk, maar als het lukt werkt het bevrijdend. En weerstand is niet negatief. Geen weerstand is geen contact en niets is erger dan genegeerd worden, schrijft hij.

Dat heeft hij zelf ook ondervonden. Als oprichter van Urgenda, dat een klimaatzaak tegen de Nederlandse staat voerde en won, trekt hij als scientivist ten strijde voor het klimaat. Met Nederland Kantelt maakt hij zichtbaar hoe groot, breed en positief de vernieuwingsbeweging in Nederland is. Maar ooit was dat wel anders.

Rotmans: “Ik heb jarenlang helemaal geen weerstand gehad. Mensen begrepen mijn transitiedenkbeelden niet. Dat is nog veel erger. Als je geen resonantie hebt, ben je echt alleen. Toen ik begon met klimaatverandering lachten mensen me uit en verklaarden me voor gek. Ik kreeg geen cum laude toen ik in 1990, zevenentwintig jaar geleden, promoveerde, omdat die commissie zei dat het klimaatprobleem over vijfentwintig jaar misschien wel helemaal niet zou blijken te bestaan. ‘Dan heeft u een fascinerend onderzoek gedaan naar een niet bestaand probleem’, zeiden ze.

Dan voel je je wel alleen, niet eenzaam maar toch wel alleen. Langzaam is dat gekeerd en kwam de erkenning. Met de erkenning kwam ook de weerstand en kritiek, maar daar geniet ik eigenlijk wel van.”

Chrono shredder.jpg

Chrono Shredder van Susanna Hertrich in expositie Kairos Castle door Joke Hermsen in het Kasteel van Gaasbeek in Lennik (België)

Geestelijk en lichamelijk tot stilstand komen

Persoonlijke transformatie vraagt moed, lef en leiderschap. En moed is niet de afwezigheid van angst, maar het besef dat iets anders belangrijker is dan angst. Het loslaten van je diepere angst om die angst te kunnen overwinnen is moeilijk.

De zoektocht naar je innerlijke kompas kost tijd en ruimte, leerde de professor van filosofe Joke J. Hermsen. Ze gaat met hem in gesprek als hij eind deze maand in De Balie in Amsterdam zijn boek presenteert. Geen gewone chronostijd, maar kairostijd, schrijft Rotmans verwijzend naar Hermsens essaybundel Kairos. Kairos is de tijd van het juiste moment en concentratie. Wie wezenlijk wil veranderen, moet eerst geestelijk en lichamelijk tot stilstand komen en heeft dus kairostijd nodig.

“Persoonlijke transformatie vraagt moed, lef en leiderschap. En moed is niet de afwezigheid van angst, maar het besef dat iets anders belangrijker is dan angst. Het loslaten van je diepere angst om die angst te kunnen overwinnen is moeilijk. Wie wezenlijk wil veranderen, moet eerst geestelijk en lichamelijk tot stilstand komen en heeft dus kairostijd nodig.

Ik denk, zeg ik tegen Rotmans, dat in een samenleving die racet tegen de kloktijd veel mensen zullen zeggen: ‘Stilstaan? Ja sorry hoor. Dat is allemaal wel mooi, maar daar heb ik geen tijd voor’.
Rotmans: “Ja, dat heb ik ook lang gedacht. Als er iemand doorholde, was ik het wel. Na mijn fietsongeluk werd ik gedwongen om stil te staan. Dat was mijn kairosperiode en dan kom je tot dieper inzicht. Los van de ongemakken en de pijn van het ongeluk gun ik dat iedereen. Ik heb toen geleerd, en ik kan dat ook wel systemisch aangeven, dat je jezelf niet wezenlijk kunt veranderen als je alsmaar doorholt. Dat is gewoon onmogelijk.

Als je kijkt naar de meest voorkomende ziekten in deze tijd, dat zijn angststoornissen en depressies. Ook steeds meer bij jongeren. Je ziet die mensen in nood komen, en dan is het helder: of het lichaam reageert en straft dat af. Of de geest doet dat. Ik heb in mijn voorgaande boeken de Belgische psychiater Paul Verhaeghe aangehaald, die zegt dat we onze identiteit verliezen in deze verweven wereld. Als je, zo zegt hij, niet de tijd neemt om je daarin te verdiepen, dan word je letterlijk ziek.”

Het verschil tussen ‘doen wat je wil’ en ‘willen wat je doet’

In Omwenteling houdt Rotmans de lezer daarom ook een spiegel voor: ‘Iemand die zijn innerlijke kompas volgt, doet wat hij wil. Veel mensen doen echter niet wat ze willen, maar willen wat ze doen’.

“Op het moment dat jij niet in verbinding staat met jezelf, doe je ook niet echt wat je wil, maar je doet wel alsof je dat wil. Maar als je een persoonlijke transitie wil doormaken, dan moet je je innerlijk kompas volgen en gaan doen wat je wil. Dat is de kern.

Rotmans: “Ook dat heb ik geleerd van Joke, ze heeft best wel invloed gehad op mij. Ik las over het verschil tussen ‘doen wat je wil’ en ‘willen wat je doet’ en Joke legde het me uit. Op het moment dat jij niet in verbinding staat met jezelf, doe je ook niet echt wat je wil, maar je doet wel alsof je dat wil.

Ik ken toch wel heel veel mensen die niet in verbinding staan met zichzelf. Ik denk dat het overgrote deel van de mensen niet werkelijk doet wat ze willen. Terwijl ze zichzelf dat wel wijsmaken. Maar als je een persoonlijke transitie wil doormaken, dan moet je je innerlijk kompas volgen en gaan doen wat je wil. Dat is de kern.”

Heelheid

Maar je innerlijk kompas volgen, is moeilijk betoog ik in lijn met hoe Frederic Laloux in Reinventing Organizations laat zien dat het in de huidige maatschappij niet de bedoeling is je hele zijn mee naar je werk te nemen.

total.jpg

Als werknemer kom je maar als 1/16 van jezelf op je werk. Illustratie door Etienne Appert uit Reinventing Organizations van Frederic Laloux (2016)  

Net als Rotmans spreekt Laloux over kantelpunten: elke overgang naar een nieuw menselijk bewustzijnsstadium is een kantelpunt. Een doorbraak daarbij is heelheid, waarbij organisaties ernaar streven collega’s niet alleen van hun rationele, professionele kant te zien, maar ook de emotionele, intuïtieve en spirituele kanten een plaats te geven.

“Kijk,” zegt Rotmans, die aangeeft met Laloux te hebben gesproken en al eens met hem een podium deelde, “over het algemeen is die werkomgeving daar ook helemaal niet op ingesteld. In de zorg en het onderwijs ziet men jou niet als geheel. Men kijkt vooral naar onderdelen en naar wat je wel en niet kan. En als je het niet kan, gaat men daar aan schaven. Maar men ziet niet vanuit een holistisch perspectief wie jij bent. Dat is, denk ik,  in al die systemen het grootste falen.

“Vroeger etaleerde ik vooral hoeveel ik wist en dan kom je niet in verbinding met mensen. Je creëert eerder afstand. Als je jezelf laat zien, met de kennis die je hebt, maar ook met de zwakheden die je nog hebt, dan kun je pas echt verbinding creëren met mensen, en daardoor kan ik ze ook meer in beweging laten komen.

Maar mensen nemen zelf ook te weinig tijd om zichzelf te zien. Dat vind ik wel mooi, die parallel tussen het systeemfalen en persoonlijk falen. Want mensen zijn natuurlijk ook systemen, vol samenhang. Misschien nog wel complexer dan de maatschappelijke systemen die wij kennen. Je hebt de fysieke heelheid, maar ook de mentale heelheid en dan ook nog de combinatie.”

Meer nog, vul ik hem aan, ook het energetische dat je eerder aanhaalde, het spirituele.
Rotmans: “Waar ik dus ook naar op weg ben, maar daar zit ook nog wel wat angst bij mij: wat laat je binnen en wat laat je los? Wordt dat wel geaccepteerd door de wetenschap? Ikzelf denk dat dat best samen kan gaan. Maar ik probeer mensen tegenwoordig ook te raken op een ander niveau. Ik merk steeds vaker na lezingen dat mensen emotioneel reageren, soms zelfs tot huilens toe. Dat ik mensen op zijnsniveau raak. Anders dan alleen maar het kennisniveau.

Vroeger etaleerde ik vooral hoeveel ik wist en dan kom je niet in verbinding met mensen. Je creëert eerder afstand. Als je jezelf laat zien, met de kennis die je hebt, maar ook met de zwakheden die je nog hebt, dan kun je pas echt verbinding creëren met mensen, en daardoor kan ik ze ook meer in beweging laten komen.”

Het zit in onszelf

De oorzaak van de grote maatschappelijke en economische vraagstukken waar wij nu mee geconfronteerd worden, gaat ver terug en ligt ten diepste in onszelf, concludeert Rotmans in Omwenteling. Om verder te komen als mens in je persoonlijke transformatie moet je dieper in jezelf graven en verbinding maken met je wezenlijke zelf. Daarvoor moeten we ons eerst los kunnen maken van ons ego dat zich bezighoudt met macht, status en bezit.

De angst omarmen en overwinnen kan alleen door dieper in onszelf te zoeken naar wie we werkelijk zijn. Pas dan maken we in onszelf de verbinding tussen hoofd en hart, en ontstaat een gevoel van eenheid.  In het realiseren van die verbindingen tussen hoofd en hart ligt de grote uitdaging voor ons allen. Op het moment dat die verbinding tussen hoofd en hart eenmaal tot stand is gekomen, is het proces onomkeerbaar.

literatuur – interview – Deze week verschijnt ‘Normale mensen’, de Nederlandse vertaling van de tweede roman van de Ierse schrijver Sally Rooney. 27 jaar nog maar en nu al een gelauwerd auteur. Rooney wordt geroemd om haar psychologisch inzicht. ‘Ik vind het interessant om te zien hoe sekse en klasse uitwerken in de kleinste interacties tussen mensen.’

Schrijver Sally Rooney is groot in Dublin. Of nu ja, groot. Het meisje dat op zaterdagochtend een toeristische rondleiding door de klassieke gebouwen van Trinity College verzorgt, Dublins universiteit waar Rooney eerder studeerde, en die enthousiast de studentenkamer van Oscar Wilde aanwijst, heeft wel van Rooney gehoord maar kan haar naam niet direct plaatsen. Maar in een bushokje hangt haar hoofd op een poster, en in de boekhandel ligt haar nu ook in het Nederlands verschenen roman ‘Normal People’ in hoge stapels op de hoek van de tafel.

Ook in buurland Engeland doet Rooney het goed. The Irish Times berichtte vorige week, toen bekend werd dat Rooney als jongste winnaar ooit de Costa Novel Award – een belangrijke Britse literaire prijs – had gewonnen, over affiches in Londense etalages met daarop de tekst: ‘Jazeker, we hebben Sally Rooney op voorraad.’ In een half jaar tijd verkocht ze van ‘Normal People’ in eigen land 20.000 en in Engeland 80.000 exemplaren.

Ze is Iers, maar Rooney legt meer de vinger op de tijdgeest dan dat ze nou in de lokale literaire traditie voortzet. Het draait in haar romans ‘Gesprekken met vrienden’ en ‘Normale mensen’ niet om de katholieke kerk of de Troubles, om armoede en grote gezinnen, maar om tieners en twintigers in Dublin. Rooney schrijft over onzekerheid, vriendschap, seks, eenzaamheid.

Over de bekende opgroeiproblemen, maar door Rooney zo sensibel en intelligent verwoord, dat je er na afloop toch iets meer van denkt te snappen, hoe dat is, jong zijn in de 21ste eeuw. Het is er in dit seksueel vrije maar hyperbewuste digitale tijdperk niet simpeler op geworden.

Jonge vrouwen

‘Normale mensen’ herinnert nog het meest aan het werk van Amerikaanse generatiegenoten als Greta Gerwig (van de films ‘Ladybird’ en ‘Frances Ha’) en schrijver Lena Dunham (‘Girls’). Rooney voelt zich gevleid met de vergelijking met Greta Gerwig (‘Zo’n goede observator van de ervaring van jonge vrouwen, ik vond ‘Ladybird’ heel goed’) maar met Lena Dunham voelt ze zich minder verwant. “Ik schrijf niet over millennials die zich niet weten te handhaven in de volwassen wereld. De problemen van mijn personages hebben te maken met de sociale en economische systemen waar ze deel van uitmaken.”

In een rumoerig hipstercafé in Dublin geeft Rooney gedecideerd en snel antwoord op vragen, vriendelijk maar gereserveerd, terwijl ze ondertussen haastig een broodje eet. Ze werkt aan een script van ‘Normale mensen’ voor een verfilming, maar ze wordt steeds gestoord door de prijzen die ze in ontvangst moet nemen en journalisten die haar willen interviewen. Af en toe stemt ze toe.

Optredens en interviews vindt Rooney ‘nogal stressvol’. Ze hecht aan haar privacy. ‘Schrijvers worden cultureel veel te belangrijk gemaakt’, tweette ze vlak voor verschijning van haar tweede roman om vervolgens tijdelijk van het twittertoneel te verdwijnen om de golf reacties op het boek voor te zijn.

Ethische kwestie

“Ik schrijf fictie. Mijn eigen leven is niet zo interessant”, antwoordt ze op de vraag of ze bewust tegen de stroom ingaat door literaire romans te schrijven in een tijd waarin juist de interesse in het levensverhaal van een schrijver zo groot is. “Het is ook een ethische kwestie voor me: mijn verhaal is niet alleen van mij maar ook van mijn vriend, ouders, familie, vrienden. Die zitten helemaal niet op een verschijning in een van mijn boeken te wachten. Bovendien: juist het verzinnen vind ik heerlijk. Die vrijheid om te spelen met personages. Ze zijn helemaal van mij.

“Ze moeten ook helemaal van mij zijn anders zouden ze me niet kunnen verrassen. Als ik een verzonnen figuur dingen laat doen dan kan ik zelf die figuur ook beter leren kennen. Schrijven is interessant omdat je een personage in verschillende situaties kan uitproberen. Bij mijn zus zou ik de antwoorden al weten. Plus: als ik non-fictie schreef zou ik mij door de waarheidsclaim veel meer geremd voelen. Ik kan mijn personages problemen bezorgen die ik wil dat ze hebben en ze ook weer wegnemen. Natuurlijk put ik daarbij ook uit mijn eigen leven, maar wie alleen maar geïnteresseerd is in mijn levensverhaal, ontkent het creatieve werk dat ik als schrijver doe, of ik nu iets deels uit de werkelijkheid haal of het helemaal verzin.”

En schrijven kan Rooney. Haar lezen is een ongemeen spannende ervaring. ‘Ze kruipt in je hoofd’, schreef het Amerikaanse tijdschrift The New Yorker in een recent profiel. Dat zit hem oppervlakkig gezien niet in de plot die lijkt op andere plots. ‘Normale mensen’ gaat over de knipperlichtrelatie, vriendschap-met-seks, tussen Marianne en Connell, twee millennials die er lang over doen tot ze door krijgen dat ze samen iets heel bijzonders hebben.

Marianne komt uit een kil rijk gezin (agressieve broer, onverschillige moeder die werkt als advocaat, vader dood) Connell uit een warm arm nest, crimineel angehauchte onderklasse, maar wel een liefhebbende alleenstaande moeder. Connells moeder maakt schoon bij die van Marianne. Op de middelbare school in de Ierse provincieplaats is de mooie, atletische Connell populair, en de nerdy Proust lezende, altijd te snel redenerende Marianne een buitenbeentje. Op het elitaire Trinity College in Dublin draaien de rollen om.

Klinkt dit als een schematisch coming-of-age- drama, Rooney’s originaliteit schuilt in haar sensitiviteit en inzicht. Ze floreert in dialogen waarin mensen nooit precies onder woorden brengen wat ze bedoelen en in het commentaar dat die wankele inborst subtiel openbaart.

Klasseverschil

Ze schrijft over mishandeling en verwaarlozing, over seksisme en klassenverschil, eenzaamheid en het gemis aan gemeenschapszin, alles op de vierkante millimeter, het politieke is intiem geworden. “Het gaat me erom hoe persoonlijke relaties gevormd worden door klasseverschil en gender”, zegt ze. “Ik vind het interessant om te zien hoe die verschillen uitwerken in de kleinste interacties tussen mensen”.

Haar empathie met kwetsbare scholieren leverde haar al de bijnaam ‘Salinger van de snapchat-generatie’ op maar dat vindt ze maar ten dele waar. “Ik zat zelf nooit op snapchat. Maar oké, ik zie wel een verwantschap: in psychologie, in de lange dialogen, die vingerafdruk is er zeker. Mijn personages zijn net als de zijne geletterd, jonge boekenwurmen, neurotisch, alleen ze wonen in provinciaal Ierland, niet in Manhattan. En mijn personages vechten niet tegen volwassen hypocrisie maar tegen systemen. Hun maatschappelijke onvrede is meer uitgesproken. Salingers personages doen nooit een politieke uitspraak.”

Gaan de jongeren in ‘Gesprekken met vrienden’ inderdaad met elkaar in discussie over Marx en feminisme, de personages in ‘Normale mensen’ zijn zeker geen activisten, eerder lezers en dromers. “Ze hebben nog geen besluit genomen over de rest van hun leven” zegt Rooney. “Er zijn in Ierland ook niet zoveel ingangen voor jongeren om deel te nemen aan het politieke leven.

“Er bestaat sowieso een grote kloof tussen de staat, de traditionele instituties – zo is 95 procent van de scholen nog steeds in handen van de katholieke kerk – aan de ene kant en de progressievere bevolking aan de andere kant. Dat bleek ook uit de uitkomsten van de referenda over de abortuswetgeving en het homohuwelijk.”

Engagement

Rooney zelf roert zich wel in het politieke debat in Ierland op uitgekiende momenten. Zo hield ze in de krant een hartstochtelijk pleidooi voor de nieuwe Ierse abortuswet die mei vorig jaar met grote meerderheid werd aangenomen. Het engagement heeft ze van huis uit meegekregen. Ze groeide op in een links gezin in County Mayo in West- Ierland, met (inmiddels gescheiden) ouders en twee zussen. Haar moeder was directeur van een cultureel centrum, haar vader ingenieur, allebei grote lezers. Het huis stond vol met boeken. Ze had een harmonieuze jeugd, behalve dat ze zich op de middelbare school enigszins een buitenstaander voelde.

“Mijn eigen ervaring op school leek wel op die van Marianne, ja, al werd ik wel goed behandeld door mijn klasgenoten. Maar ik voelde me toch niet aangesloten bij de sociale wereld daar. Ik snapte de regels niet. Ik zat op een katholieke meisjesschool, maar er was ook een jongensschool in de stad en de jongens waren heel belangrijk voor de meisjes.

“Alles draaide om wie met wie uitging en dat was een groot mysterie voor me. Ik had zelf geen enkele mannelijke vriend. Het was niet alsof er een wedstrijd aan de gang was en ik die verloor, ik deed gewoon niet mee aan de wedstrijd. Pas op de universiteit begon ik de sociale regels te begrijpen, hoe je eraan mee kon doen, welke mensen bovenaan de ladder staan.”

Als student op Trinity College doet Rooney mee aan debattoernooien, waar ze hypernerveus en ‘ star-struck’ aan begint, maar heel goed in wordt. Op haar 22ste is ze Europees debatkampioen. In 2015 beschrijft ze haar ervaringen in een essay in de Dublin Review. Populair worden is simpel in de debatgemeenschap: wie het debat wint krijgt de meeste aandacht.

“Populariteit is niet langer een mysterieuze schikking van persoonlijke loyaliteiten volgens een sociale code die ik niet begrijp”, schrijft Rooney. “Populariteit is gelijk aan succes.” Ze stopt als de rituele verdediging van allerlei standpunten haar tegen gaat staan en de overwinningen gaan vervelen. “Als je meedoet aan een spel leer je de anderen beter kennen, maar overwinningen geven je alleen maar meer inzicht in je zelf”.

Het fundament van haar schrijfcarrière is ondertussen wel gelegd. Na het essay wordt ze benaderd door een literair agent die meer van haar wil lezen en die ze het manuscript van ‘Gesprekken met vrienden’ geeft. De jarenlange oefening in de ‘geritualiseerde abstracte sociale agressie’ in het debat heeft haar vruchten afgeworpen. Dat blootleggen van de minieme machtsverschuivingen in het sociale verkeer vormt de kern van haar werk.

Neem bijvoorbeeld de scène waarin de onhandige Marianne in blote jurk ietwat ongemakkelijk maar toch ingenomen met zichzelf op een feestje belandt, verbaasd het effect registreert (‘de barman kijkt openlijk naar haar borsten terwijl hij tegen haar praat’), zich moed indrinkt, en vervolgens vernederd wordt door een agressieve feestganger die in haar borst knijpt.

Sociaal gemak

Of later, als de provinciale, conformistische Connell bij zijn eerste ontmoetingen op het meer geprivilegieerde Trinity College ieder sociaal gemak verloren heeft. “Vroeger thuis leek zijn verlegenheid nooit een echt obstakel voor zijn sociale leven, want iedereen wist al wie hij was en hij hoefde zich nooit voor te stellen of zijn persoonlijkheid te profileren”, schrijft Rooney.

“Als er al sprake van een persoonlijkheid was leek die iets wat buiten hemzelf stond en eerder werd bepaald door de mening van anderen dan door iets wat hij zelf deed of maakte. Nu heeft hij een gevoel van onzichtbaarheid, nietsheid, hij heeft geen reputatie die bij anderen tot aanbeveling kan strekken.”

Teder schrijft Rooney in ‘Normale mensen’ over het lichaam, over de eerste seksuele ervaringen; roerende observaties die je het gevoel geven een privéwereld binnen te gaan. “Ik moest onderzoeken wie deze mensen zijn en hoe ze zich uiten, zowel in gesprekken als in hun seksuele relatie”, vertelt ze.

“In het begin van het boek zijn ze nog maar kinderen. Ze weten niet wat ze doen. Ze worden overweldigd door hun gevoelens voor elkaar en ze missen het vocabulaire. Het was zeker lastig om die scènes te schrijven. Ik wilde de lezer het gevoel geven hoe machtig die ervaringen zijn. Het moest waarachtig zijn.”

Blij is ze met de enthousiaste ontvangst van haar romans. Al was er ook kritiek. Bij haar debuut werd er geklaagd over salonsocialisme van verwende jongeren. Na ‘Normale mensen’ kwam er kritiek dat ze te veel schreef over onzekerheden, over nuffige meisjes wier grootste verdriet het is dat een jongen ze niet leuk vindt. Hoe verhoudt zich dat tot haar feminisme?

Vrouwelijke leiders

Ze haalt haar schouders op. Rolmodellen interesseren haar niet, zegt ze. “Ik had niet iemand nodig om me erop te wijzen dat vrouwen goede leiders zijn en een belangrijke rol vervullen in het publieke leven. Mijn werkende moeder was de baas ergens. Het was nooit een vraag voor me of vrouwen niet capabel zouden want dat zijn ze en waren ze, al was ik me ook vrij snel bewust van de ongelijkheid in de samenleving.

“Ik schrijf vanuit het geloof dat er een betere wereld mogelijk is, dat mensen compassie kunnen voelen, genereus kunnen zijn. Maar ik schrijf mijn romans niet om iets te bewijzen. Het gaat me om te observeren hoe pijnlijk ervaringen voor jonge vrouwen, voor jonge mensen in het algemeen kunnen zijn. Het gaat me om de complexiteit en subtiliteit van die ervaringen.”

Iedere tijd kent haar keurslijf

psychologie

Het Victoriaanse tijdperk was erg, maar volgens Paul Verhaeghe werden we psychisch nooit zo onderdrukt als nu

Elk tijdsvak kent zijn eigen lijden. Psychische en fysieke klachten die in een bepaalde historische periode veel voorkomen, zijn symptomen van wat er dan mis is met die samenleving. Dat is kort gezegd de manier waarop de bekende Vlaamse psychoanalyticus, maatschappijcriticus en schrijver Paul Verhaeghe onze manier van leven analyseert. Dat deed hij eerst in boeken als ‘Identiteit’ en ‘Autoriteit’, en nu in ‘Intimiteit’.

In het Victoriaanse tijdperk, bijvoorbeeld, met zijn inperkende, strenge seksueel onderdrukkende moraal, zo stelt Verhaeghe, zagen psychoanalytici als Freud en de zijnen vooral seksueel verkrampte patiënten met hysterische klachten. Maar de seksuele revolutie en andere emancipatoire bewegingen maakten ons vrij. Tegenwoordig is er geen verkramping meer. Althans, dat denken we. In realiteit zitten we volgens Verhaeghe juist opgescheept met een zwaarder drukkend en complexer te hanteren keurslijf dan ooit.

Want de knellende banden van religie, huwelijk, of klasse mogen dan verdwenen zijn, we hebben nu de terreur van de schijnbaar bereikbare perfectie. Tegenwoordig, zo denken we, kunnen we worden wat we willen. Als we maar willen. Wie hard genoeg werkt, op kantoor en in de sportschool, wordt zo rijk en mooi als de onbereikbare ideaalbeelden uit de reclame.

En dit is precies waar de schoen knelt. Want als het ideaal nooit geheel bereikbaar is, wanneer is goed dan goed genoeg? Hoeveel moet ik wegen om mooi te zijn? Hoe weet ik of ik de perfecte partner heb of dat er een betere is? In onze op concurrentie draaiende markteconomie zijn we zelf een product geworden. Het aantal likes op Facebook of swipes op Tinder bepaalt onze marktwaarde. En wie faalt, is daar zelf verantwoordelijk voor.

Deze spanning, zegt Verhaeghe, maakt ons ziek. En eenzaam. Want er is volgens Verhaeghe nog een ander mechanisme aan het werk. Nu niet alleen eten, drinken maar bijvoorbeeld ook seks vrij verkrijgbaar is, is het Victoriaanse verbod op genot omgeslagen in het omgekeerde. Gij zult genieten. Maar, vraagt Verhaeghe, zich af, weten we nog wel hoe? Want met alle nadruk die we leggen op de instrumentele rede zijn we vervreemd geraakt van ons eigen lichaam.

In ‘Intimiteit’ neemt Verhaeghe weer stelling tegen onze huidige manier van leven. Wie bekend is met zijn werk komt dan ook niet voor verrassingen te staan. In zijn meest fundamentele boodschap – onze neoliberale zelfzucht en concurrentiestrijd leiden via zelfvervreemding tot ziekte en ongeluk – herhaalt hij zichzelf.

Ook kun je van alles vinden van zijn stelligheid. Verhaeghe schrijft zijn boeken immers vanuit een vooraf ingenomen standpunt. De vrag is of hij cijfers niet te zeer naar zich toe interpreteert. Welke getallen moeten we bijvoorbeeld gebruiken als maat voor ons welzijn? Het feit dat zowel Nederland als België in geluksonderzoeken steevast tot de hoogst scorende landen behoren? Of het aantal gediagnosticeerde depressies dat nog nooit zo groot is geweest? Verhaeghe zegt: de laatste.

Maar of je het eens bent met Verhaeghe of niet, feit is dat hij wederom een rijk, gelaagd en erudiet boek heeft geschreven. Een typische Verhaeghe. En ‘Intimiteit’ zet ons weer aan het denken. Nu we om de oren worden geslagen met boeken over de relatie tussen veilige hechting en het vermogen tot intimiteit is Verhaeghe’s stem een waardevolle aanvulling, veelzijdig en wars van simplificaties. Verhaeghe graaft dieper dan de meeste psychologen die schrijven voor een breed publiek.

Bijvoorbeeld in zijn nadruk op de verhouding tot ons lichaam. We worden geboren als een puur fysiek belevend wezen, stelt hij, bij wie de geest een steeds grotere rol gaat spelen. In navolging van denkers als Lacan noemt hij het risico dat ons verstand een splijtzwam wordt die ons van onszelf vervreemdt.

Daarom is het cruciaal, zegt Verhaeghe, dat we als kind de juiste verhouding tot ons lichaam leren innemen. Een goede ouder biedt niet alleen veiligheid maar helpt ons ook niet bang te zijn voor wat er in ons binnenste leeft. Voor onze driften en emoties. Die ouder helpt ons de signalen die ons lichaam geeft te erkennen en duiden. Zo worden we intiem met onszelf.

Pas als we dat kunnen, zegt Verhaeghe, kunnen we intiem zijn met elkaar.

Paul Verhaeghe

Intimiteit

Je vooroordelen doen jezelf soms versteld staan’

interview Iris sommer

Je moet steeds opnieuw moeite doen om je eigen waarneming te begrijpen, vindt psychiater Iris Sommer. Die is altijd een kwestie van interpretatie.

Je kunt jezelf ruimdenkend vinden, en progressief. Natuurlijk discrimineer je vrouwen niet, of homo’s, moslims of zwarten. Maar psychiater Iris Sommer heeft inmiddels wel gezien dat de mens die écht onbevangen is niet bestaat. Ze schreef er onlangs een boek over: ‘De zeven zintuigen. Over waarnemen en onwaarnemen’. “De hersenen voegen altijd iets toe aan je waarnemingen. Meestal een supersnelle, onbewuste associatie. Test je die associaties, dan sta je nog versteld van je eigen vooroordelen. Mijn liefste vrienden zijn homoseksueel, maar het kost me meer tijd homo’s met positieve woorden in verband te brengen dan hetero’s.”

In het ‘Hersencafé’ op de afdeling psychiatrie van het Universitair Medisch Centrum Utrecht klapt hoogleraar Sommer haar Apple open en vindt meteen een psychologische test van Harvard: implicit.harvard.edu. “Doe hem zelf maar eens”, spoort ze aan. De (voor iedereen toegankelijke) test die ze mij voorlegt gaat over de snelheid waarmee je bijvoorbeeld Arabische voornamen en Hollandse, Franse of Chinese voornamen in verband brengt met positieve woorden als ‘geluk’ of ‘blijdschap’ of met negatieve woorden als ‘somberheid’ of ‘boosheid’. Zoals Sommer al verwachtte, ontstaat ook bij mij verwarring tijdens de test: hoewel die eenvoudig is, kost het mij extra nadenktijd om het gunstige woord te koppelen aan een islamitische naam. Heb ik, onbewust, vooroordelen jegens moslims?

Ik schaam me! Wat zit er in mij dat zo bevooroordeeld is?

“Ook jouw hersenen maken onbewust een voorselectie van samenhangen die zo’n proces van associatie in werking zetten. Je kunt er weinig aan doen dat dit gebeurt. De thalamus filtert je waarnemingen, en de hippocampus maakt een afspiegeling van wat we denken dat er om ons heen gebeurt en vergelijkt die waarnemingen met wat we eerder opgevangen hebben. Waarneming is dus een combinatie van input vanuit de zintuigen, en een groot deel interpretatie, samenvatting en selectie vanuit de hersenen. De waarneming is subjectief, gekleurd en slordig. En soms behoorlijk bezijden de waarheid, voor zover je die al echt kunt vaststellen.”

Het begint allemaal met de zintuigen. Wat nemen wij wel en niet waar?

“De thalamus, een grote kern in het midden van de hersenen, filtert alle zintuigen, behalve de reuk. We mogen blij zijn met die filter, want je zou gek worden als je alles zou zien, horen, voelen of proeven. Alles wat niet nieuw, niet van betekenis en niet bedreigend is, nemen we niet bewust waar. In dit café kunnen wij met elkaar praten en ontgaat ons wat er aan de tafel hiernaast gezegd wordt. Dat kan jammer zijn, want misschien vertellen ze daar nog wel een veel mooier verhaal.

Het oog bijvoorbeeld, ziet dat dan niet alles wat er om ons heen gebeurt?

“Nee. Het oog is geen camera die plaatjes maakt. Onze ogen zien zelfs niks. Pas in de hersenen wordt betekenis gegeven aan de elektrische signalen die de lichtgevoelige cellen van het netvlies doorsturen. Zien doe je dus met de hersenen. Wat je ziet, is wat je geleerd hebt om te zien. Het is gebaseerd op kennis en ervaringen die je al een keer eerder hebt opgedaan. Wat je ziet blijft als het ware alleen hangen als er een haakje voor is. Zo had ik bijvoorbeeld vroeger geen haakje voor bomen. Ik zag ze als gewoon wat onbestemd gebladerte. Maar na mijn veertigste leerde ik van een vriend tijdens onze wandelingen bomen te herkennen. Hij heeft mij letterlijk de ogen geopend voor bomen. Nu zie ik ineens overal verschillende soorten. Een verrijking”

Maar dat onze waarneming sterk gefilterd wordt, wil toch nog niet zeggen dat we ook bevooroordeeld zijn?

“Aan de binnenkant van de slaapkwab in de hersenen ligt de hippocampus , ofwel het zeepaardje. Deze structuur maakt dat wij iets hebben dat andere dieren waarschijnlijk niet hebben: bewustzijn. De hippocampus maakt een afspiegeling van wat we denken dat er om ons heen gebeurt en probeert dat te vergelijken met wat we eerder zoal opgevangen hebben. We zijn altijd op zoek naar herkenbare patronen, naar verklaringen, naar oorzaak-gevolgrelaties. Zien we een poster van de SP, dan associëren we dat met staking, actie ” en Brabanders. Wanneer één element uit zo’n netwerk geactiveerd wordt, zien we vanzelf het hele netwerk. Die andere dingen, die meegeactiveerd worden, noemen we associaties.”

Maar die associaties deugen niet altijd?

“Vaak niet. De wereld is namelijk onvoorspelbaar en onbegrijpelijk, dus elke theorie gaat onherroepelijk mank. Maar je kunt wel wat doen om je eerste associaties bij te stellen. Het levenswerk van de Amerikaanse psycholoog Daniel Kahneman dat hem de Nobelprijs (overigens voor economie) heeft opgeleverd, biedt een goed inzicht in ons denken. Hij stelde dat wij denken op twee snelheden. Het eerste denksysteem (ook systeem 1 genoemd) is er eentje dat geen actieve aandacht kost, onbewust gaat en razendsnel werkt. Je ziet onder het werk iemand een appel eten en denkt even aan wat jij nog op je boodschappenlijstje moet zetten. Die gedachten schieten overal tussendoor. Iedere gefilterde waarneming zet jouw unieke bijpassende netwerk van associaties in werking. Denk maar aan dat voorbeeld van de SP. Dit denken gebeurt volgens mij niet in woorden, maar eerder in concepten of beelden. In een fractie van een seconde heb je een mening klaar of een plan van actie. Als je alleen denkt met systeem 1, dan gebruik je vooral je intuïtie. Of je onderbuikgevoel. Niet je goede verstand.

Dat ‘goede verstand’ helpt ons tegen dit onderbuikgevoel?

“Dat is wel mijn pleidooi. Kahneman noemt dat ‘denken met aandacht’, ofwel systeem 2. Dat denken gaat wel in woorden, en kost veel moeite. We kunnen dat niet de hele dag door. We moeten er onze volledige denkcapaciteit voor gebruiken: het slimme, rationele, logische denken. Dat gebeurt onder andere in de voorhoofdskwab, die juist bij de mens zo goed ontwikkeld is. Kijk, dat we vooroordelen hebben zit bij ons ingebakken omdat systeem 1 altijd en ongevraagd zijn werk doet. Je zag hoe jij zelf ongewild meer tijd nodig had om Arabische namen met positieve woorden in verband te brengen. Etnisch profileren doen we allemaal. Maar dat hoeft je nog niet tot een populist te maken. Het gaat erom of je er ook op vaart, of je de moeite doet om te denken met aandacht en logisch nadenkt over die associaties.

Kan een slim iemand makkelijker logisch nadenken over die onbewuste associaties dan iemand met minder intelligentie?

“Iedereen kan erop trainen. Het is net als naar de sportschool gaan. Ik vind het ook niet leuk om iedere avond buikspieroefeningen te doen, maar ik zet me er wel toe. En als je heel veel op iets traint, gaat dat op een gegeven moment makkelijker en uiteindelijk kan het zelfs onbewust en associatief gaan. Denk maar aan autorijden; waar de coördinatie met de koppeling en het gaspedaal eerst moeite kostte, doe je dat later zonder erbij na te denken. En een schaakgrootmeester overziet de spelsituaties zo snel, dat hij moeiteloos tegen 25 anderen schaakt die op hun beurt wel allemaal heel actief logisch aan het denken zijn. Zo’n schaakgrootmeester heeft dan ook al minstens tienduizend trainingsuren gemaakt. En wie voor het eerst in China komt, denkt misschien dat alle Chinezen op elkaar lijken. Maar als je er langer bent, en Chinezen eenmaal hebt leren onderscheiden met behulp van een hersengebiedje onder in de slaapkwab, gaat het vervolgens veel gemakkelijker.”

Zijn die associaties niet ook erg afhankelijk van je sociale omgeving?

“Jazeker. Opvoeding, cultuur en religie zijn enorm bepalend voor je intuïtie, of het onderbuikgevoel. Toen ik in India was, bemerkte ik bijvoorbeeld hoe anders ze daar omgaan met mensen die het in onze ogen slecht getroffen hebben. Een blinde bedelaar zal in de ogen van iedere Nederlander opvallen: dat komen we niet vaak tegen. Zo’n bedelaar wordt in onze waarneming niet weggefilterd, en we spiegelen die waarneming in onze hersenen aan onze culturele en religieuze opvattingen over hulpbehoevendheid of mededogen. Maar in India gaan ze ervan uit dat de blinde bedelaar, of anders zijn voorouders, dat lot zelf verdienden. Als hij in een vorig leven beter geleefd had, had hij nu niet hier gezeten. Dat maakt het heel anders kijken en denken.”

Wat doet religie met de waarneming?

“Religie kan helpen bij het invullen van een van de basisbehoeften van mensen: de behoefte aan veiligheid. We willen het leven beheersbaar en voorspelbaar houden. Overkomt ons iets noodlottigs, dan geeft het troost om te denken dat het nu eenmaal ‘de wil van God’ was. We hebben ook een sterke behoefte aan rechtvaardigheid. Als we bidden, offers brengen of ons goed gedragen, dan zullen we daarvoor beloond worden. We hopen zo onze onzekere toekomst te kunnen beïnvloeden. Maar dit is natuurlijk bijgeloof, en dat leidt soms tot onredelijkheid. Uit naam van religies zijn verschrikkelijke dingen gebeurd als heksenverbrandingen of het vermoorden van albino-kinderen omdat zij het boze oog zouden hebben.”

Zulke excessen hebben misschien te maken met bijgeloof, maar toch ook met angst?

“Zeker. Als we angstige gevoelens hebben voor anderen, of boos op hen zijn, gaat onze waarneming extra snel. Juist dan vindt sterke selectie en aanvulling plaats vanuit de hersenen en is kans op missers het grootst. In die situaties moet je er altijd vanuit gaan dat jouw kijk op de wereld slechts een van de vele mogelijkheden is.”

Hoe zou je wel in het leven moeten staan?

“Onbevangen in het leven staan kan niet. En dat hoeft ook niet erg te zijn, zolang je je daar maar van bewust bent. Wat op mij in India veel indruk maakte, is de leer van de sikhs en van hun eerste goeroe Nanak. Hij stelde zich op als leerling om zijn wereld te verruimen. Hij accepteerde het bestaan van vele verschillende geloven en tolereerde geen oordeel of onderdrukking op basis van godsdienst, kaste, huidskleur of geslacht. Denk overigens niet dat ik nu oosterse wijsheid wil aanprijzen. Het gaat mij als hersenwetenschapper vooral om die lerende houding: door je wereld uit te breiden, wordt je waarneming ruimer. Je ziet en hoort wat je weet. Weet je meer, dan zie en hoor je ook meer. Er gaat dan een wereld voor je open.” ”

Iris Sommer (1970) is neurowetenschapper aan het Universitair Medisch Centrum Groningen. Ze promoveerde in 2004 cum laude in Utrecht op het verband tussen ‘stemmen horen’ en hersenactiviteit bij schizofrenie. In 2009 werd ze hoogleraar aan Universitair Medisch Centrum Utrecht, waar ze nog steeds promovendi begeleidt. Ze schreef de bestseller ‘Haperende hersenen’, en verving Bert Keizer als columnist in Trouw.

Sommer ontwikkelt een nieuwe behandeling om mensen met cognitieve gebreken te ondersteunen tijdens hun herstel van medische, psychiatrische of neurologische aandoeningen.

Iris Sommer

De zeven zintuigen. Over waarnemen en onwaarnemen

VOLTOOID LEVEN – Wat kan er mis zijn met het idee dat je zelf bepaalt wanneer je wilt sterven? Een heleboel, meent filosoof en ethicus Paul van Tongeren.

Dood willen. Kan dat eigenlijk? Het idee dat je dood moet mógen willen, is zeker aan een opmars bezig. Wie zijn leven voltooid acht, moet – onder voorwaarden – uit dat leven kunnen stappen, zeggen de voorstanders in het voltooid-levendebat. Maar hoe kun je willen niet meer te willen, vraagt filosoof Paul van Tongeren. De dood heft elk willen op.

Met ‘Willen sterven’ mengt de emeritus hoogleraar zich op nogal schokkende wijze in het debat. Want de vraag wat dood-willen betekent, kan respectloos overkomen, erkent Van Tongeren. “Alleen al het stellen van de vraag lijkt een belediging voor degene die deze wens of wil kenbaar maakt”, schrijft hij. “Iemand die dood wil, wil immers gewoon dát: dood.”

Even voor alle duidelijkheid, vertelt hij, hij heeft het in zijn boek vooral over de kwestie voltooid leven. “Bij euthanasie gaat het in de eerste plaats om barmhartigheid: vermijden dat mensen ondraaglijk lijden. Bij voltooid leven gaat het erom dat mensen het recht zouden hebben over hun eigen dood te beschikken. En dus over hun eigen levenseinde.”

Hoogst problematisch

Hebben ze dat recht op zelfbeschikking dan niet? “Natuurlijk kan ik me voorstellen dat het zover komt dat je over je eigen dood wilt beslissen, dat je bijvoorbeeld het moment wilt kiezen”, geeft Paul van Tongeren toe. “Maar willen sterven blijft hoogst problematisch. Het is van een andere orde dan alles wat we verder willen of wensen.”

Dat filosofische bezwaar blijkt al uit één van de motto’s die aan Van Tongerens boek voorafgaan, van Ludwig Wittgenstein: ‘Je eigen vernietiging kún je helemaal niet willen.’ Dat is wat Van Tongeren ook betoogt. Je kunt wel zeggen dat je dood wilt, maar kun je ook echt willen niet meer te wíllen?

Dat lijkt nogal een academische kwestie, zoals Bert Keizer Van Tongeren al eens voorgehouden heeft. “Wat schieten we op met zo’n taalkundige exercitie?” repliceerde de arts-filosoof in een tweegesprek in Filosofie Magazine. Als iemand zegt ‘ik wil gewoon dood’, dan is het volgens Keizer “niet zo relevant dat jij die persoon gaat uitleggen waarom zijn wil helemaal niet zo gewoon is.”

Toch moet die vraag, wat het betekent dood te wíllen, gesteld worden, benadrukt Van Tongeren. Niet alleen omdat er achter het zelfgekozen einde vaak iets anders schuil gaat, bijvoorbeeld de angst niets meer waard te zijn als je dement en afhankelijk bent. Zulke onzekerheid kun je bestrijden door beter voor mensen te zorgen. Het gaat Van Tongeren om iets anders. “Dat de dood niet zomaar gewild kan worden, heeft te maken met een probleem dat aan de wil vastzit. De wil is in zichzelf verdeeld, zoals Augustinus zegt, en dat conflict wordt sterker als de keuze existentiëler wordt. Omdat de keuze voor de dood de meest existentiële is die er bestaat, merk je dat de wil hier sterk met zichzelf in conflict komt.”

“Dat wilsconflict zie je ook optreden bij mensen die hebben besloten zelf hun einde te bepalen. Ze weten vaak niet precies wanneer ze eraan toe zijn de dood in gang te zetten. Is dít nou het moment of niet? Overigens zit in die wil om te sterven ook vaak een proteststem, wat wordt bevestigd door Bert Keizer. De doodswil lijkt vaak een opflakkering van de behoefte zelf de baas te willen blijven, juist omdát de levenswil afneemt.”

De regie hebben

“Dan kun je natuurlijk zeggen: nou én? Als mensen het gevoel hebben met zo’n pil de regie terug te krijgen, waarom zou je ze dat gevoel dan misgunnen? Maar als de doodswens gecompliceerd is, heeft dat wel degelijk gevolgen voor de vraag wat de samenleving daarmee aanmoet. Het betekent in elk geval dat je die doodswens niet zomaar moet inwilligen.”

Wat kun je dan wel doen? Helpen, zegt van Tongeren. Hoe dan? Door te leren zelf als hulpverlener hulpeloosheid te voelen. “Want dat is wat je bij een sterfbed voelt. Je kunt aandacht geven, je kunt op bezoek gaan, maar je kunt die nood niet wegnemen. De bereidheid er te zijn, terwijl je niets kunt doen, dat wordt in onze tijd verschrikkelijk moeilijk gevonden. We willen wel helpen, maar dan moet het wel effect hebben. We willen problemen oplossen. Maar de dood is een probleem dat je niet kunt oplossen. Daarom is het te kort door de bocht te zeggen dat mensen met een doodswens gewoon meer aandacht nodig hebben of betere verzorging. Hoe waar dat ook is, dat lost het probleem niet op.”

Blijft de vraag waarom dit onderwerp de emeritus-hoogleraar zo interesseert. “Dat heb ik mezelf natuurlijk ook afgevraagd”, bekent Van Tongeren. “Het gaat me allereerst om de analyse van de wil, maar dat staat tegen de achtergrond van iets dat zich aan de ratio onttrekt, iets dat je cultuurstichtend zou kunnen noemen: het taboe van de grens tussen leven en dood. Daar stap je niet zomaar overheen.”

“Het rare aan een taboe is alleen dat je het niet echt kunt verdedigen. Het heerst, dat wil zeggen: ik kan niet precies uitleggen waarom ik het erg vind dat de grens tussen leven en dood vervaagt, maar ik vínd het erg – en ik ben niet de enige. Waarom gebruiken zoveel mensen anders nog steeds het woord zelfmoord en niet zelfdoding – zelfs mensen die zelfbeschikking verdedigen? Dat lijkt me een symptoom van het heersende taboe dat daar iets gebeurt, wat eigenlijk niet kan: het bewust overschrijden van een grens waar we binnen horen te blijven.”

Zo’n pil geeft rust

“Na een lezing kwam iemand naar me toe en zei: ‘Ik ben het helemaal met u eens, maar ik ben toch blij dat ik de middelen in huis heb.’ Dat herken ik. Ik kan me heel goed voorstellen dat zo’n pil rust geeft. En tegelijk klopt er iets niet. We doen alsof we iets in de hand hebben dat we níet in de hand hebben. Niet omdat iemand anders over ons beslist, maar omdat de eigen dood geen wilsbesluit kan zijn. Het is niet één van de keuzes die je in je leven kunt maken. De dood is van een radicaal andere orde.”

“Natuurlijk zijn er ook mensen die dat taboe op de dood niet ervaren. Dat mág, ik vind het niet de taak van de ethicus iemand iets te verbieden. Dat doe ik ook niet. Maar als filosoof stel ik vast dat mensen soms iets doen wat eigenlijk niet kan, hoe arrogant dat ook klinkt. Zoals je dingen kunt zeggen die niet kloppen, zo kun je ook dingen doen die niet kloppen. Het zou vreemd zijn mensen wettelijk het recht te geven daarbij hulp te ontvangen.”

Paul van Tongeren: Willen sterven. Over de autonomie en het voltooide leven. Uitgeverij Kok, 126 blz. € 11,99.

Stephen Fry beschrijft de levens van Griekse goden als de perikelen van een dysfunctionele familie, vindt Abdelkader Benali

Stephen Fry
Mythos. De Griekse mythen herverteld

Pareltje is Amor en Psyche, met echo’s van Monty Python en Shakespeare

T oen mijn vrouw, Saida, en ik in het huwelijksbootje stapten, besloten we de trouwdag op te luisteren met traditionele Marokkaanse muziek. Een bont gezelschap van in geitehuiden geklede artiesten speelde op houten fluiten de hoge, nasale tonen van het Rif-gebergte, waar de wortels van onze voorouders liggen.

Deze van oorsprong herdersmuziek werd in de jaren zeventig door de Rolling Stones bij een van bezoeken aan de havenstad Tanger ontdekt. De opzwepende, hypnotiserende tonen trok ze aan. Bandlid Brian Jones raakte onder de indruk van de trance-achtige muziek en maakte er een plaatopname van die bekend werd als de Master Musicians of Joujouka.

De Amerikaanse schrijver William Burroughs bracht de opvallende verschijning van de artiesten als half-mens en half-geit in verband met de cultusverering van Pan bij de oude Romeinen. Pan was een echte vruchtbaarheidsgod; de opgewekte herder ging vergezeld van een fluit, vermaakte zichzelf en anderen en waar schone dames lonkten, sloeg hij zijn slag.

Ik wil best geloven dat voor de komst van de islam deze oude, heidense riten ook in Noord-Afrika bestonden. Het Romeinse imperium, erfgenaam van de Griekse beschaving, had ook handelsposten in Mauretania (huidig Noord-Afrika). Een van de grote mythenverzamelaars, Apuleius, was een Berber en kwam uit dit gebied. Aan hem hebben we het prachtige verhaal van Amor en Psyche te danken. Uit de Levant (nu Libanon) kwamen de mythische goden mee, zoals Afrodite. De gedachte dat mijn islamitische familie en schoonfamilie hadden gedanst op de heidense muziek van Pan bezorgde me een glimlach.

Een goede ondertitel van Stephen Fry’s ‘Mythos’ zou ‘Familieperikelen’ zijn. Na ons ingeleid te hebben in ontstaansgeschiedenis van het Griekse universum, begint Fry aan een kroniek van een paar honderd pagina’s waarin gezinsuitbreiding op gezinsuitbreiding volgt. En zoals in elke dysfunctionele, grote familie staat iedereen elkaar naar het leven. En liefde komt met een prijs. Die duizelingwekkende verwikkelingen noden tot langzamer lezen, ook omdat elke god of halfgod die zich toegang verschaft tot de Olympus, een oorsprongsverhaal heeft dat verklaart waarom we de landbouw hebben, sommige eilanden vervloekt zijn of Europa naar een Libanese prinses is vernoemd.

Het zijn opvallend vaak de verheven goden die zich niet van hun beste kant laten zien. Daarnaast kan de Griekse god wel almachtig zijn, als het op relaties aankomt laat hij of zij heel veel steekjes vallen. Hooggestemde idealen moeten vechten tegen lage instincten. Vooral Zeus – de oermacho – heeft er een handje van om alle ethiek aan zijn laars te lappen wanneer het gaat om zijn zucht naar onmiddellijke bevrediging. Hij is mister #Metoo.

Fry wil de verhalen vertellen zonder oordeel te vellen. Hij dekt zich aan het begin in door niet te willen pretenderen een academicus te zijn. Dat is valse bescheidenheid. Hij is uitstekend geschikt voor deze taak omdat hij een geboren verhalenverteller is. Meer dan in de Nederlandstalige wereld, zijn de mythen in de Angelsaksische wereld gepopulariseerd door hervertellingen voor een breed publiek. Dat de Grieken bij ons geassocieerd worden met het elitaire gymnasium heeft de verhalen bij ons weggehouden en dat is jammer. Dit boek kan hier goed werk verrichten.

Deze mythes vertellen dat de wereld waarin we leven op vele manieren tot stand is gekomen. Onze werkelijkheid is er een van oneindige verscheidenheid. Daarom is dit boek geen goedkope fantasy, maar blijf je erin doorlezen. Want we leven nu op een bepaalde manier weer in Griekse tijden, waarin we moet leren omgaan met heel veel soorten mensen met verschillende talenten. In die kruisbestuiving ontstaan nieuwe manieren van denken en doen. De mythen laten zien hoe families en volkeren continu in staat van verandering verkeren.

Fry vertelt mooi over Hermafroditus, kind van Hermes en Afrodite, die beide geslachtskenmerken draagt. In een voetnoot onthult Fry dat Britse musea beelden van Hermafroditus tot kort geleden verborgen hielden. Het publieke oog was niet klaar voor de gedachte dat mensen man noch vrouw zijn. De Griekse goden waren vele malen progressiever dan wij zijn.

De oneindige charme van deze mythen is welke originele vondsten de verhalenvertellers uit de hoge hoed wisten te toveren om alles te verklaren; van aardbevingen tot de oorsprong van Tijd, van jaloezie tot het beroep van smid. En hun kracht is dat ze het ontzettend goed lukt om die wereld aan de hand van verhalen diepe inhoud te geven. We weten inmiddels dat het graan niet door Demeter – de godin van de vruchtbaarheid – omhoog wordt geduwd, maar wat blijft is de magie van de vertelling.

Fry vertelt hoe wij mensen door de schrandere Prometheus het vuur kregen – letterlijk de vonk van onze beschaving . Zeus verveelde zich en kwam op het idee om kleiachtige wezens te maken. Het was Prometheus die ze het vuur bracht zodat de mens de goddelijke vonk zelf kon vooroorzaken. Er zit een impliciete geschiedenisles in dit verhaal verstopt, over hoe de domesticatie van het vuur, het ijzersmeden en daarop gebaseerde culturen tot ontwikkeling kwamen. Vooral wanneer Fry uitgebreid de tijd neemt om te vertellen, gebruikmakend van alle moderne verteltechnieken, komen de goden tot hun recht. Pareltje is het verhaal van Cupido en Psyche, waarin echo’s van Shakespeare en Monty Python in doorklinken.

Fry schroomt niet om bruggetjes te maken naar de hedendaagse beschaving. Wat hij niet kwijt kan in het verhaal, wordt met een voetnoot bijgelicht, en die zijn op z’n minst interessant. Zo wist ik niet dat zowel Bosporus, Oxford, Ossendrecht als Coevorden één en hetzelfde woord zijn voor runderoversteekplaats.

Aan het einde van het boek relativeert Fry de Griekse wereld: ook die was verre van perfect. Dat is een overbodige toevoeging, wellicht ingefluisterd door een overijverige redacteur die bang is dat het boek wordt begrepen als bescherming van de superieure, westerse cultuur. Het had van mij niet gehoeven. Wie de verhalen leest, beseft al snel dat er niet zoiets bestaat als een superieure beschaving. Wel was er een beschaving waarin geen perfecte goden bestonden – ze waren net zo zoekende als de mensen zelf. De Griekse Goden waanden zich superieur, maar wanneer hun emoties de overhand kregen, waren ze niet veel beter dan een dysfunctionele familie in een oververhitte soap.

Hun kwetsbaarheid is me heilig.

Griekse mythologie

Stephen fry

De ziel Carolien van Welij

filosoof, neerlandicus

Is de ziel ons diepste gevoel of een rationeel zelf? Grote denkers en schrijvers over de kern van de mens.

 

Homerus (800-750 v.Chr.)

Wat gebeurt er met ons na de dood? Homerus’ begrip ‘psyche’ in de Ilias en de Odyssee is een antwoord op die vraag. Bij de dood scheiden lichaam (soma) en ziel (psyche) zich van elkaar. Psyche betekent ‘adem’ of ‘levensadem’ en kun je ook vertalen met ‘leven’. Bij de dood verlaat de psyche het lichaam als een uitademing. Deze ziel is een schaduwziel: een schaduw van het zelf, een soort dubbelganger van de overledene, die naar het dodenrijk van Hades reist. Voor Homerus hoort de ziel niet bij het leven, maar manifesteert die zich pas na de dood. 

Als Odysseus tijdens zijn reis de onderwereld binnenkomt, ontmoet hij de schaduw van zijn moeder. Hij probeert haar te omarmen, maar dat lukt niet. Zij vertelt hem dat bij de dood de pezen niet meer ‘het vlees en gebeente’ vasthouden: ‘zodra het leven de witte beenderen verlaat’ vliegt de ziel weg ‘als een droom en fladdert in ‘t rond.’

 

ZIEL en God Hoog in de Noorse bergen zoeken naar de ziel
 
Hoog in de Noorse bergen zoeken naar de ziel
 
innerlijk – Met de ontkerkelijking lijkt ook het begrip ‘de ziel’ uit onze cultuur verdwenen. Eeuwig zonde, vindt de Noorse cultuurhistoricus Ole Martin Høystad.
LEONIE BREEBAART
 
Zes jaar lang zat Ole Martin Høystad (1947) in een Noorse berghut te studeren op Aristoteles en Augustinus, Montaigne en Kierkegaard, Dante en Freud – om maar een paar pleisterplaatsen te noemen in zijn uitgebreide, net in het Nederlands vertaalde cultuurgeschiedenis van de ziel. Doel van zijn monnikenwerk: het ongrijpbaarste begrip in de westerse cultuur doorgronden. Wat is de ziel? Hoe kan ze onsterfelijk zijn? En als ze dat niet is, hebben we haar dan nog nodig?
 
Vooral die laatste vraag houdt Høystad bezig. Want hoewel onze taal met woorden als ‘zielsgelukkig’, ‘zielsverwant’ en ‘iemand op de ziel trappen’ nog herinnert aan het belang dat we ooit aan onze ziel hechtten, hoor je weinig mensen meer praten over hun zielenheil. Ook niet in de kerk? Volgens Høystad niet. “Moderne christenen zien de ziel ook als probleem – het is een taboeonderwerp. Ze associëren het onmiddellijk met hel en verdoemenis. De hel heeft de ziel in verlegenheid gebracht.”
 
De vriendelijke Noorse emeritus hoogleraar, die al eerder een succesvolle cultuurgeschiedenis van het hart schreef, is op bezoek bij zijn Nederlandse uitgever en blikt tevreden naar de fraaie Nederlandse uitgave van zijn boek. Hét antwoord op de vraag wat de ziel is, kan hij daarin niet leveren. Zes jaar studie overtuigden hem er wél van dat de Europese mens in het woord ‘ziel’ heeft uitgedrukt wat het betekent om mens te zijn. En dat is niet steeds hetzelfde geweest.
 
Ook naar het boeddhisme en naar de islam maakt Høystad overigens een uitstapje, maar hij concentreert zich op de westerse traditie – met regelmatige verwijzing naar moderne fenomenen als Harry Potter en islamitisch terrorisme. “Ik hoop dat ik het begrijpelijk heb opgeschreven. Want de ziel gaat iedereen aan.”
 
U noemt de Middeleeuwen als onbetwist hoogtepunt in de geschiedenis van de ziel. Dat is ook de tijd dat christenen doodsbang waren in de hel te komen.
 
“Het christendom is over de ziel heel dubbel. Voor je zielenheil moet je tijdens je leven zorgen, maar tegelijkertijd is de ziel onsterfelijk. Dat laatste is voor moderne mensen moeilijk te begrijpen, net zoals we ons de hel en het paradijs lastig kunnen voorstellen. Maar het interessante is, dat de ziel zulke scepsis, die in de Renaissance al opkomt, overleeft. Als het bovennatuurlijke minder belangrijk wordt, wordt werken aan je ziel iets wat je voor dít leven doet.
 
“Je ziet dat duidelijk bij de Franse essayist Montaigne. Hij zet zich af tegen de Middeleeuwen. Hij is een echte scepticus, maar wel een constructieve scepticus: hij wil uitvinden hoe het zit! En bij dat onderzoek gebruikt hij zichzelf als voorbeeld. Zo ontdekt hij al schrijvend dat hij een complex innerlijk heeft, bestaande uit dromen, verlav ngens, gevoelens. De ziel blijkt ongrijpbaar. Maar toch: we wéten dat we een lichaam hebben, we wéten dat we kunnen denken. Maar er zit iets tussenin: onze gevoelens en onze wil. Dat is ons innerlijk. Om dat te kunnen hanteren hebben we een concept nodig en dat is de ziel. Voor Montaigne is de ziel iets dynamisch, dat je lezend en schrijvend kunt ontwikkelen.”
 
Met die humanistische houding maakte Montaigne ook een einde aan het zondebesef waarmee Augustinus de christelijke ziel had opgezadeld. Begeerte maakt de mens tot dier, de ziel moest steeds vechten tegen zulke duivelse machten.
 
“Dat staat ook in de Bijbel natuurlijk. Maar het idee dat het lot van onze ziel op het spel staat, dat heeft Augustinus inderdaad op de kaart gezet. Ik vind dat niet negatief: Augustinus is groots, echt groots. Hij is zo eerlijk over zijn innerlijk leven. Met zijn talent zichzelf te doorgronden, zijn psychologische methode, was hij zijn tijd ver vooruit. Pas in de hoge Middeleeuwen wordt die aandacht voor het innerlijk leven weer opgepakt. Ze leidt niet alleen tot zondebesef, maar ook tot de cultuur van het hart, van de minnezangen, de riddercultuur, de romantische liefde. Het hart wordt de plek waar de ziel zetelt.”
 
En daar begint het gedonder – en de twijfel. Als de ziel bestaat, moet ze ook ergens zetelen of zitten. En dat valt natuurlijk nooit te bewijzen.
 
“Het probleem was eerst vooral wáár de ziel zat. Anders dan de christenen, dacht Leonardo da Vinci dat ze in de hersenen zat – en niet in het hart, dat volgens deze renaissancemens niet kon denken. Dat was een cruciaal verschil. En omdat dit ook het tijdperk was van anatomische experimenten, werd in de hersenen ook naar die ziel gezocht. Nederland stond bekend om zulke snij-exercities. En Descartes, grondlegger van de moderne wijsbegeerte, deed daar aan mee, hij wist er ook veel vanaf. Als de ziel ergens zat, concludeerde hij, dan moest ze zitten in de pijnappelklier, die lichaam en bewustzijn verbindt. Dat was natuurlijk heel ketters. Maar ook fataal voor de ziel, omdat die nu verbonden raakte met het denken.”
 
Waarom fataal?
 
“Als de ziel net zoiets is als denken, dan kun je haar gewoon opheffen. Je hebt het concept niet meer nodig. Geloof in de ziel wordt na de Renaissance, vooral na de aanvallen van Hobbes, Locke en Hume dan ook gereduceerd tot een religieus concept. Ze is een kwestie van geloof – iets voor christenen. Zo zien veel mensen het nog steeds. Laatst vertelde ik de Duitse filosoof Gernot Böhme dat ik bezig was met een boek over de ziel. ‘Oh, dat christelijke idee?’ zei hij meteen. Dat is typerend. Natuurlijk is de ziel een religieus concept, maar niet alléén religieus. Dat wil ik eigenlijk zeggen.”
 
Beschouwt u zichzelf als christelijk?
 
“Meer als cultuurchristen. Noren zijn erg pragmatisch en realistisch – het land is sterk geseculariseerd. We volgen de feesten en rituelen, en natuurlijk heeft het christendom ons wel gevormd, maar eigenlijk is de natuur onze kathedraal. Dat geldt voor mij ook: mijn kerk zijn de bergen. Daar zoek ik de eenzaamheid op, waar ik kan lezen en schrijven.”
 
Net zoals Montaigne zich terugtrok in zijn toren om essays te schrijven. Maar hoe ging dat verder ná Descartes en Montaigne? Keerden de grote filosofen zich nu massaal van de ziel af?
 
“Integendeel, zelfs de grote verlichtingsdenker Immanuel Kant probeerde de ziel te redden, al was dat lastig binnen zijn universalistische denken. Want de ziel is juist iets heel individueels. Pas in de Romantiek krijgt de ziel weer écht de hoofdrol. Bijvoorbeeld in Goethe’s toneelstuk ‘Faust’, waarin de hoofdpersoon zijn ziel verkoopt aan de duivel. Tenslotte redt hij zijn ziel toch weer door zijn liefde voor Gretchen. In de Romantiek ligt de nadruk opnieuw op ons innerlijk leven. Denk ook aan de romans van Jane Austen. Die hebben onze ideeën over liefde en individualisme gevormd. Volg je hart, want daar is ook de ziel.”
 
Dat klinkt erg individualistisch. U beklemtoont in uw boek juist dat we onze ziel alleen kunnen redden als we oog houden voor anderen – in wie je eventueel God kunt herkennen.
 
“Daarom eindig ik met Hannah Arendts beschrijving van Adolf Eichmann, de architect van de Holocaust. Eichmann is hét voorbeeld van een man zonder ziel. Hij dacht wel na, maar liet zich niet raken door het lot van anderen. Het schijnt dat hij bij de veewagons die zijn slachtoffers naar de vernietiging reden op zeker moment een blik van een van hen dreigde op te vangen – en toen snel weg stapte. Had hij dus toch een ziel? Hij had de mogelijkheid ertoe, zoals wij allemaal. Hij koos ervoor die niet te ontwikkelen. Hij was alleen maar oppervlakte.”
 
Aan je ziel of je innerlijk kun je dus werken. Maar wat helpt ons daarbij?
 
“We hebben symbolen nodig om ons aan ons innerlijk te herinneren.
Tegenwoordig zoeken we die vaak bij andere spirituele tradities, oosterse bijvoorbeeld. Maar kunst of de natuur kunnen ook symbolen verschaffen. Ze herinneren ons eraan dat we talige wezens zijn. Het is de vraag wat we daarmee doen. Hoe drukken we ons innerlijk uit?”
 
Dat is ook de vraag van Wittgenstein, een filosoof die de ziel volgens u kan bevrijden uit het traditionele idee dat ze objectief bestaat of aangeboren is.
 
“Wittgenstein ontdekte dat de grenzen van onze werkelijkheid de grenzen zijn van onze taal. Dat was een echte filosofische revolutie. Als we iets nieuws ontdekken, schrijft Wittgenstein, is dat omdat we er een woord voor hebben – of een mathematische formule, want dat is ook een soort taal. Sommige mensen vinden dat je de ziel reducevert, als je haar terugbrengt tot een concept. Maar wat zijn wij mensen als we niet onze woorden zijn? Denk het woord ‘ziel’ weg uit onze cultuur en je denkt de mens weg. We ervaren nu eenmaal iets dat we niet terug kunnen brengen tot verstand of tot psyche. Iets als integriteit en de mogelijkheid daarin gekwetst te worden. Dat iets, dat noemen we de ziel.”
 
Ole Martin Høystad: ‘De ziel. Een cultuurgeschiedenis.’ Vertaald door Wouter de Jong. Uitgeverij Athenaeum, Polak & Van Gennep, Amsterdam; 525 blz. €29,99
Van Dale:
Ziel (meervoud: zielen) 1: het niet-stoffelijk gedeelte vanwaaruit de mens leeft; (religie) onsterfelijk deel van de mens.
 
Ter ziele gaan (a) sterven; (b) ophouden te bestaan.
 
God hebbe zijn ziel; gezegd van een overledene.
 
Met zijn ziel onder zijn arm lopen; doelloos en zich vervelend.
 
Zich met hart en ziel aan iets wijden; met zijn hele wezen.
 
Iemand op zijn ziel trappen; hem krenken, beledigen.
 
2: persoon, mens.
 
Hoe meer zielen hoe meer vreugd; hoe meer gasten hoe prettiger. Zieltjes winnen; bekeerlingen maken.
Gevoelens van weerzin vormen vaak een basis voor politieke en rechterlijke beslissingen. Volgens psycholoog Debra Lieberman is die emotie echter een slechte raadgever. MARCO VISSCHER
Wij mensen hebben het vermogen om weerzin te voelen. Het borrelt omhoog als we worden geconfronteerd met rot fruit, of pus. Ook zijn er allerlei seksuele activiteiten waarvan we gruwen. Op die manier vervult walging een evolutionaire functie: het leert ons om op onze hoede te zijn. Maar het gaat verkeerd wanneer we ‘vies’ verwarren met ‘verkeerd’, zegt psycholoog Debra Lieberman.

Ze voegt daarmee een belangrijk moreel element toe aan het denken over weerzin. In ‘Objection’ betoogt Lieberman dat dit gevoel is doorgedrongen in het recht en de politiek: beleidsmakers gebruiken het om kwetsbare groepen uit te sluiten, aanklagers om verdachten te laten veroordelen, rechters om hun oordeel kracht bij te zetten. Weerzin is nuttig als iets wat onze kansen op overleving en voortplanting bedreigt, aldus Lieberman, maar we mogen ons niet door die primitive emotie laten leiden om handelingen te verbieden en mensen te bestraffen.

U stelt dat weerzin een rol speelt bij het maken van wetten.

‘”Lange tijd waren er wettelijke regels en bepalingen die homoseksualiteit strafbaar stelden. In veel landen is dat nog altijd het geval. Waarom? Alleen doordat weerzin tegen een sekspartner van het eigen geslacht zijn weg heeft gevonden in het strafboek.”

Dus kunnen we onze weerzin ook opzijschuiven; homoseksualiteit is in steeds meer landen geaccepteerd.

“Dat klopt. Vaak helpt het als een benadeelde groep groter en zichtbaarder wordt. Dat is gebeurd toen homo’s uit de kast kwamen. Opeens konden je collega’s of buren homoseksueel zijn. Zo’n besef kan in korte tijd leiden tot tolerantie. Ook veel conservatieve gelovigen die het idee van homoseksualiteit nog altijd afstotend vinden, vinden het geen bezwaar dat het wordt toegestaan.

“Zij hebben dan een stap vooruit gemaakt in hun denken. Voor hen is homoseksualiteit zoiets geworden als hoe anderen aankijken tegen gestoofde tomaten: je kunt gestoofde tomaten vies vinden, maar als er mensen zijn die ze wél lekker vinden, nou ja, dan ga je gestoofde tomaten niet verbieden en mensen bestraffen die ze eten. Legalisering van gestoofde tomaten, zo begrijpt iedereen, betekent ook niet dat iedereen ze ineens lekker moet vinden of gaat eten. En inderdaad, toen homoseksualiteit uit de criminele sfeer werd gehaald, stonden er ni et opeens hordes heteroheren klaar om eindelijk onbekommerd de herenliefde te gaan bedrijven. En datzelfde geldt natuurlijk voor incest.”

Pardon?

“Waarom is incest verboden als het gebeurt tussen twee volwassenen die het allebei willen?”

Ehm…, nou…

“Hier wordt het iets ongemakkelijker, hè? U en ik kunnen vinden dat homoseksualiteit niet in het strafrecht thuishoort, maar incest?!

“Kent u die geruchtmakende zaak in Duitsland? Een jongen werd geboren in een probleemgezin en al op jonge leeftijd geadopteerd, waarna hij opgroeide zonder contact met zijn biologische familie. Hij was 24 jaar toen zijn moeder overleed, waarna hij zijn zusje ontmoette dat hij nog nooit eerder had gezien. Ze kregen een relatie en daar kwamen vier kinderen uit voort. De man kreeg daarvoor een gevangenisstraf. Maar ik vraag u: waarom is de seksuele relatie tussen deze twee volwassen gezinsleden illegaal?”

Omdat er verhoogde kans is op afwijkend nageslacht?

“Maar mocht het dan wel als ze anticonceptiemiddelen hadden gebruikt? Twee van hun kinderen hadden inderdaad gezondheidsproblemen, waarschijnlijk door de genetische verwantschap met hun ouders, maar de andere twee niet. Trouwens, vindt u dat echt een geldig argument? Vrouwen boven de 40 hebben ook een verhoogde kans op afwijkingen bij hun kinderen. Mogen zij dan ook geen kinderen meer krijgen?” ”

Incest is altijd illegaal, want we voelen instinctief een sterke afschuw van seksueel contact met onze familieleden. Er is een diep besef dat we dit nooit mogen goedkeuren.

“Precies! Die afschuw is onderdeel van ons biologisch mechanisme om inteelt te voorkomen. Dat mechanisme zien we ook bij andere dieren, maar het is niet altijd waterdicht. Kennelijk gebeurt het soms dat we in ons volwassen leven seksueel opgewonden raken van een naast familielid, en niet alleen als ze vanaf de geboorte gescheiden zijn. We zien het bij vaders en dochters, maar het komt ook voor tussen broers en zussen, en soms tussen moeders en zonen.

“Als we horen over dergelijke gevallen doet het de meesten van ons gruwen. Het is dan ook heel gemakkelijk om te bepalen dat alle seksuele contacten tussen familieleden verkeerd en immoreel zijn en dat we het moeten bestraffen. Ik ben het daar niet mee eens wanneer het gaat om volwassenen die dat doen met beider instemming.”

Daar staat u vast alleen in.

“Nee, hoor. Naar aanleiding van deze zaak stelde de Duitse Ethische Raad destijds dat de criminalisering van seksuele relaties tussen volwassen broers en zussen ertoe leidt dat hun fundamentele vrijheden worden geschonden. De raad adviseerde om de wet te versoepelen.”

En waarom zou u dan pedofilie niet ook tolereren?

“Juridisch en psychologisch gezien zijn kinderen niet in staat om toestemming te geven. Ik heb het hier dus uitdrukkelijk níet over seksueel misbruik van kinderen of over dwang.”

Maar het verbod op incest tussen volwassen familieleden wilt u opheffen wanneer het plaatsvindt met wederzijdse toestemming?

“Inderdaad. Waarom zou je onder die voorwaarden welke seksuele relatie dan ook verbieden? Als we het schrappen uit het strafboek zullen broers en zussen heus niet massaal met elkaar het bed induiken.”

In haar boek bespreekt Debra Lieberman de neiging van politici om in te spelen op onze gevoelens van afschuw. Ze verwijst naar studies die aantonen dat het opwekken van gevoelens van weerzin een negatieve houding ten opzichte van immigranten stimuleert. Zoals een Nederlands onderzoek uit 2014, waarbij deelnemers foto’s zagen van maden op een stuk vlees of van een man wiens ingewanden openlagen na een ongeval. Hoe sterker de walging, hoe groter de kans om immigratie af te keuren. Dergelijke studies tonen volgens Lieberman dat het voor kwetsbare groepen gevaarlijk wordt zodra we ons afgrijzen meenemen in de politiek.

Hoe spelen politici in op ons gevoel van weerzin?

“President Trump sprak over immigranten uit shithole countries (‘strontgatlanden’). Dus om te zeggen dat mensen uit bepaalde landen afschuwelijk zijn, gebruikt hij zelfs afschuwelijke taal! Trump speelt in op het idee dat deze mensen gebruik zullen maken van onze middelen en voorzieningen. Daarmee doet hij hetzelfde als chimpansees. Bij chimpansees zie je de neiging om alert te zijn op indringers die de hiërarchie en rust kunnen verstoren. Zodra ze het idee hebben te worden bedreigd, slaan de mannetjes erop los.

“Wij zien datzelfde mechanisme in onze soort onbewust terug in onze neiging om wantrouwend te zijn als anderen aanspraak willen maken op onze rijkdom. Daarom bewaken we onze grenzen, zoals mannetjeschimpansees dat doen, en zodra we een gevaarlijke groep ontwaren, gaan we er achteraan. Welke groep is dan het eerst slachtoffer? Niet de eigen familie natuurlijk, en ook niet mensen met status en macht. Nee, het zijn de buitenstaanders of mensen met de laagste maatschappelijke waarde.”

Wat heeft weerzin hiermee te maken?

“Zelfs wanneer we ons louter ophouden met mensen met een lagere sociale waarde, kan onze eigen waarde dalen. Daarom laten we graag merken dat wij niet zijn zoals zij. Dat kan door weerzin op te wekken. Zo kun je aan anderen makkelijk laten blijken dat je niets met ze te maken hebt. Als de jacht op een groep is geopend en jou wordt gevraagd of jíj allochtoon bent, of homo, of ze vragen of jíj vlees eet of rookt, dan zeg jij: Wie, ik?! Oh, nee! Bah, natúúrlijk niet! Weerzin zorgt ervoor dat je je scherp kunt afzetten tegen een gemarginaliseerde groep die als zondebok wordt aangemerkt.

“Trump schetst immigranten dan ook als een bedreiging voor onze veiligheid en daarom moeten deze mensen buiten worden gehouden, terug in hun shithole countries waar ze horen. Trump heeft het brein van een holbewoner.”

Als bepaalde gedragingen of groeperingen zoveel afkeer oproepen bij een groot deel van de bevolking, waarom is het dan verkeerd om daartegen op te treden?

“Onze persoonlijke gevoelens van afkeer mogen een ander niet beperken in zijn vrijheid. Stel dat ik foie gras weerzinwekkend vind. Dan is het aan mij om geen foie gras te eten. Waarom zou ik dan mensen mobiliseren die foie gras eveneens afschuwelijk vinden om ervoor te strijden dat foie gras illegaal wordt, zodat niemand nog foie gras mag eten, zoals in sommige landen is gebeurd?”

Omdat eenden en ganzen op gruwelijke wijze worden vetgemest.

“Akkoord, wrede behandeling van dieren is een goed argument om bepaalde soorten voedsel niet te eten. Maar ik geloof dat je dan bepaalde praktijken in de voedingsindustrie moet verbieden, niet het voedsel.

“Afkeer kan nooit op zichzelf een goede reden zijn om mensen te bestraffen en hun vrijheid te ontnemen. We zullen aanvullende redenen moeten vinden om wetgeving of politieke actie te rechtvaardigen. Weerzin is een kwaadaardige emotie die tot doel heeft om anderen te criminaliseren. Bedenk dat niet heel lang geleden Duitsers massaal oordeelden dat Joden weerzinwekkend waren, en Bosnische Serviërs wilden een etnische zuivering van Kroaten, en in Myanmar worden moslims opgejaagd. Dat is waar breed gedeelde persoonlijke weerzin toe kan leiden zonder noodzaak van een rationele onderbouwing.”

Hoe moeten we dan reageren als iets onze afkeer oproept?

“Als je het walgelijk vindt om de lakens te delen met je broer of zus, doe het dan niet. Vind je het walgelijk om foie gras te eten, doe het dan niet. We zullen een aantal van onze wetten moeten herzien, zodat we toleranter en vrijer zijn.”

Hoe worden we toleranter?

“Door kennis te maken met gecriminaliseerde mensen, zoals is gebeurd bij homoseksuelen. Onderwijs is ook belangrijk. Op school kun je leren over andere ideeën en culturen, maar ook over hoe onze hersenen werken en waarom we zijn zoals we zijn. Dan leren we dat wij mensen beschikken over het vermogen om logisch na te denken, te redeneren en argumenten te vinden. We beschikken over een zee van kennis waarop we kunnen voortbouwen. Wij hoeven ons niet te laten leiden door biologische emoties en instincten, zoals afschuw, om onze samenleving vorm te geven. Dan leren we dat het verkeerd is om het wél te doen, omdat we weten dat walging vaak wordt gebruikt om anderen te marginaliseren, uit te sluiten en op te jagen.” ”

Psychologe dr. Debra Lieberman (45) doceert aan de Universiteit van Miami in Fort Lauderdale. Ze geeft daar leiding aan het Laboratorium voor Evolutie en Menselijk Gedrag. Ze bestudeert vooral verwantschap, emoties en moraliteit.

Met jurist Carlton Patrick schreef ze ‘Objection: Disgust, Morality and the Law’, volgens een recensent ‘een soms grof, maar altijd boeiend verslag’ van hoe weerzin zich heeft ontwikkeld van een psychologisch fenomeen tot onderdeel van onze ethiek.

Debra Lieberman Carlton Patrick

Objection. Disgust, Morality, and the Law

‘Ons hart dreigt een vreemde macht te worden’
Yuval Harari
Door biotech en kunstmatige intelligentie dreigt opsplitsing en manipulatie van de menselijke soort, waarschuwt historicus Yuval Harari. Mensen moeten zichzelf beter doorgronden, zegt hij. Door psychische weerbaarheid – én door meditatie.
Door onze redacteuren Wouter van Noort en Hendrik Spiering
Ooit was Yuval Noah Harari gewoon hoogleraar middeleeuwse geschiedenis. Maar nu lopen mensen als Bill Gates, Barack Obama en Mark Zuckerberg weg met zijn werk. Het wereldwijde succes van zijn boeken Sapiens en Homo Deus geeft de tengere geleerde ineens gemakkelijk toegang tot wereldleiders en CEO’s. En één ding is de hoogleraar van de Hebrew University (Jeruzalem) opgevallen in die nieuwe wereld, zo vertelde hij vorige week tijdens een gesprek op de bovenste verdieping van een Amsterdams hotel: „Ook mensen in die hoge regionen begrijpen niet echt veel van de wereld. Wereldleiders kennen geen geheimen over het leven die gewone mensen niet kennen. Hooguit weten ze iets over het Israëlische atoomprogramma dat ik niet weet.”
En gemakkelijker zullen onze leiders de waarheid ook niet leren, aldus Harari. „In feite zijn ze slechter af dan wij om de wereld te begrijpen, omdat ze meestal geen tijd hebben om na te denken. En het is voor hen erg moeilijk te vertrouwen op wat mensen hen vertellen. Iedereen wil iets van ze. Alsof ze midden in een zwart gat zitten dat alles om hen heen vervormt. Macht verplettert de waarheid, dát heb ik daar gezien.”
Harari is in Nederland voor twee besloten bijeenkomsten met topmanagers. Hij spreekt sinds het succes van zijn boeken wereldwijd wel vaker voor grote zalen met invloedrijke mensen. „Ik maak ongeveer 200 vluchten per jaar”, zegt hij enigszins gelaten. Harari oogt rustig, draagt een casual broek en sportschoenen. Vriendelijk en beleefd biedt hij iets te drinken aan.
Het hoort er allemaal bij, sinds hij doorbrak met boeken over verleden en toekomst van de mensheid. Daarin beschrijft hij krachtig de evolutie en geschiedenis van de mens. In Sapiens (2014) ging het over hoe de mensheid culturen, beschavingen, naties en bedrijven opbouwde door het uitzonderlijke vermogen om in gezamenlijke ideeën en concepten te geloven, of ze nou waar zijn of niet.
En in Homo Deus (2016) schetst Harari hoe de recente vooruitgang in kunstmatige intelligentie en biotechnologie het menselijk leven totaal zal veranderen, in de komende 200 jaar. Verlies van autonomie door perfecte surveillance en beïnvloeding door algoritmen, én splitsing van de mensheid in een genetisch verbeterde elite en een onbelangrijke, economisch overbodig geworden massa – dat zijn Harari’s belangrijkste waarschuwingen. Ons nu 200 jaar oude humanistische wereldbeeld van vrijheid en gelijkheid zal er waarschijnlijk bij ten onder gaan, zo beredeneert hij. In augustus verschijnt een nieuw boek: ‘21 lessen voor de 21ste eeuw’. „Dat gaat dus over het heden”, zegt Harari met een knipoog.
U spreekt toch vooral over de toekomst van de mensheid. Hoe relevant is dan uw achtergrond als mediëvist nog?
„Ik denk dat de Middeleeuwen iedere dag relevanter worden. De moderne tijd loopt ten einde, er komt iets nieuws aan. We zullen niet het feodalisme terugkrijgen, maar de Middeleeuwen tonen wel hoe het is om niet modern te zijn. Neem de politiek. Het moderne politieke ideaal is de wereld in natiestaten te verdelen, scherp afgebakend maar intern helemaal homogeen: zelfde taal, zelfde geld, alles. In de Middeleeuwen was dat totaal anders. Grenzen tussen koninkrijken stelden weinig voor en juist binnen zo’n koninkrijk waren veel onderverdelingen, zelfs op het niveau van een enkele stad. Voor alle groepen golden aparte wetten: monniken, boeren, edellieden, joden. Het moderne ideaal van gelijkheid voor de wet klinkt idioot in middeleeuwse oren.
„Naar die situatie gaan we weer terug: grenzen worden minder belangrijk, de interne verdelingen worden groter. Kijk naar leden van de wereld-elite. Als ze in Amsterdam leven hebben ze meer gemeen met hun peers in Shanghai. Die mensen zijn nauwer met elkaar verbonden dan met iemand die een kilometer verderop woont. Het hele idee van een nationale gemeenschap valt uit elkaar.”
Wij dachten juist dat we een opleving van het nationalisme meemaakten.
„Oké, maar dat nationalisme is zwak als je het vergelijkt met een eeuw geleden, toen Europeanen elkaar met miljoenen tegelijk uitmoordden uit nationale naijver. Kijk nu naar de Brexit, het Schotse referendum, Catalonië: wat ontzettend vreedzaam! Ja, in de Brexitcampagne is één persoon vermoord door een extremist. Maar als je een paar honderd jaar geleden Schotland los wilde maken van Groot-Brittannië kostte je dat een enorme oorlog en brandende steden. Nu ga je gewoon stemmen. Er is Schots nationalisme, maar niemand lijkt bereid er voor te doden of gedood te worden. Dat is een bewijs van humanistische beschaving, maar niet van nationalisme. Ik denk dat er meer mensen bereid zijn om gedood te worden voor Manchester United dan voor de onafhankelijkheid van Schotland of Vlaanderen.”
Maar met Trump lijkt het Amerikaanse nationalisme toch groter dan ooit?
„Ik weet niet wat hij volgende week gaat doen, maar als het gaat om Amerikaans nationalisme en imperialisme zijn z’n ideeën niets vergeleken met twee eeuwen geleden. Hij zal bijvoorbeeld nooit, zoals in 1846 gebeurde, Mexico binnenvallen. Trump past wel in een wereldtrend waarin het politieke systeem geen visie meer op de toekomst heeft en daarom maar betekenis haalt uit nostalgische fantasieën over het verleden. Je ziet het ook bij Poetin, India met het hindoe-nationalisme, Turkije, IS en natuurlijk Israël.”
Is de wereldwijde wapenwedloop in AI en biotech, waarvoor u waarschuwt in Homo Deus, ooit te stoppen?
„Technologieën kunnen zowel zorgen voor centralisatie als decentralisatie van macht en middelen. De totalitaire regimes van de sovjets en de nazi’s profiteerden enorm van de nieuwe technologieën van de treinen, de radio, die werkten zeer centraliserend. Dat geldt ook voor artificial intelligence : hoe meer data, hoe meer macht. Maar toch wonnen de afgelopen eeuw liberale democratieën, omdat zij efficiënter waren met hun meer decentrale besluitvormingsprocessen, die veel meer innovatie mogelijk maakten. Een centraliserende technologie wint niet altijd.
„En je kunt natuurlijk gewoon regels maken. Ik geloof niet in technologisch determinisme, dat technologie alles bepaalt. We hebben bijvoorbeeld de technologie om een internationale markt in donororganen te creëren, met body-farms in arme landen, een enorme winstmogelijkheid. Toch bestaat dat niet, omdat het verboden is. En zelfs bij machtige wapens, zoals killerrobots, is strenge regulering mogelijk.”
Is meer regulering één van uw lessen voor de 21ste eeuw?
„Ja, in zekere zin. Dat boek gaat over heel veel verschillende onderwerpen hoor.”
Wat is dan uw simpelste oplossing voor een groot probleem?
„De simpelste!? Tja, die noem ik niet eens in mijn boek. Terrorisme is het makkelijkst op te lossen: door er veel minder aandacht aan te besteden. Terroristen kapen onze fantasie en dat vergroot het gevaar op absurde wijze uit. Terroristen doden een paar mensen en miljoenen mensen zijn bang hun leven te verliezen. Gewoon negeren. Daar heb je geen wereldregering voor nodig.”
En wat is uw advies voor afwending van de grootste gevaren uit Homo Deus: autonomieverlies en opsplitsing van de mensheid door AI en biotechnologie?
„Sommige van die dingen moet je niet afwachten. Zoals de ongelijkheid. Als de ongelijkheid in onze samenleving blijft groeien en als biotechnologie steeds meer manipulatie van ons lichaam en brein mogelijk gaat maken, dan kan dat inderdaad gaan leiden tot splitsing van onze soort. Economische ongelijkheid wordt dan biologische ongelijkheid.
„Waar we ook niet mee moet afwachten is onderwijs. Kinderen die nu naar school gaan zullen hopelijk nog leven aan het begin van de 22ste eeuw. Wat moet je hen nu leren voor die totaal andere wereld?”
Meer sociologie, of juist meer biologie en programmeren?
„Nee, nee. Het belangrijkste is geestelijk evenwicht en emotionele intelligentie. Hiermee kunnen de kinderen zichzelf later telkens opnieuw uitvinden in een heel veranderlijke wereld. Dadelijk moet je zelfs gaan kiezen wat voor lichaam je wilt en wat voor brein.”
Maar hoe onderwijs je dat?
„Dat is de grote vraag. Hoe leer je mensen veerkracht aan, zelfs in de omgang met hun eigen identiteit? Niemand weet het. Je kunt de kinderen vrijheid geven om alles zelf te ontdekken, maar ze hebben ook leiding nodig, een gids. In de Middeleeuwen bestond het flexibele meester-leerlingsysteem. In feite leerden jonge mensen aan de hand van hun meestertimmerman het hele leven kennen. Daar kunnen we nu niet naar terug, want wie kan nu nog zo’n meester zijn? Ik zie het als inspiratie. Toen was er nog niet de diepe kloof tussen school waarin alles opgedeeld is in stukjes, en het echte leven. Een moderne leraar gidst je niet door het leven, hij leert je alleen geschiedenis.”
Nou, laat de algoritmes dat dan doen.
„Dat zou best kunnen, een artificiële intelligentie die altijd bij je is: een persoonlijke digitale mentor die je enorm goed leert kennen en je begeleidt in een meester-leerling-verhouding. En helemaal op jou toegesneden, zonder nog eens 40 kinderen waar-ie aandacht voor moet hebben. Maar er zijn ook gevaren. Het zou gehackt kunnen worden door de Russen, terwijl het al je zwakheden en krachten kent. Dat geeft een macht die geen enkel onderwijssysteem ooit had. Het kent al je trucs. En het zou je helemaal kunnen misvormen. Het kan ook een instrument van een totalitair systeem worden.”
Waar is dan nog het onverwachte, het individuele? Wordt dit het einde van het humanisme met het individu centraal?
„Het humanisme moet sowieso veranderen. Dat is nu nog gebaseerd op de aanname dat er authenticiteit is van gevoelens. Die bestaat niet meer. Kijk naar al die verkiezingen die door Cambridge Analytica gemanipuleerd zijn. Verkiezingen gaan over gevoel, maar dat kan allemaal gemanipuleerd worden op een schaal die vroeger ondenkbaar was. Dat luisteren naar je gevoelens was leuk in de negentiende eeuw. Nu zeggen dat je naar je hart moet luisteren is echt een verkeerd advies. Want je hart kan nu best gekaapt zijn door Vladimir Poetin, die via allerlei algoritmes heel goed weet hoe hij bij jou op de angst- en haatknop moet drukken. Wanneer je dan naar je hart luistert, luister je in feite naar een vreemde macht.”
Vroeger was er toch ook propaganda?
„Ja, maar Hitler moest één radiospeech afvuren op vijftig miljoen Duitsers tegelijk. Daarom had hij ook een geheime politie nodig. Als je de boodschap individueel kunt afleveren, hoeft dat niet meer. Dan wordt je hart de geheime politie!”
Waarop kun je dan nog vertrouwen?
„We zullen veel meer moeite moeten doen om ons bewustzijn te begrijpen. Het oudste advies dat er bestaat: ken uzelve! Mensen zijn vooral zo makkelijk te manipuleren omdat ze zichzelf niet goed kennen. Ze vertrouwen op alles wat in hun geest omhoog plopt. Als we ons bewustzijn beter begrijpen wordt dat moeilijker. Als je je bewust bent van je haat en je angsten is het makkelijker om afstand te nemen van fake-news dat daarop wil inspelen.”
De meeste mensen verbinden juist hun gevoel van identiteit aan die gevoelens.
„Ja, dat is het probleem. Bij links en bij rechts. Linkse mensen kun je ook van alles wijsmaken over achterlijke religieuze mensen in Louisiana. Ze zijn zich niet bewust van hun eigen vooroordelen.”
Dus iedereen moet gaan denken als een wetenschapper?
„Ja, dat zou al helpen. Meditatie is ook een oplossing. Ikzelf investeer heel veel tijd in meditatie. Twee uur per dag, om mijn eigen geest en gevoelens te leren kennen. Het werkt. Maar het is erg moeilijk. Ik ga ook ieder jaar één of twee maanden naar een meditatie-retraite, zonder telefoon of computer. En niet praten. Ik praat de rest van het jaar zó veel! Ik heb die rust en helderheid nodig. Het moeilijkste is: je gaat dan heel veel dingen zien die je niet bevallen. Als je je ware zelf ziet is dat echt geen Disney-film!”
Yuval Noah Harari (1976) werd geboren in Haifa en is opgeleid als middeleeuws historicus in Jeruzalem en Oxford. Hij houdt zich nu bezig met wereldgeschiedenis. Hij is veganist en mediteert in de Vipassana-traditie. In 2002 trouwde hij met Itzik Yahav, die nu ook zijn persoonlijk manager is. Harari noemde zijn echtgenoot in The Guardian ‘ my Internet-of-all-Things ’.
________________________________________

Godhelm

Bezoekers van Lowlands kregen een ‘godhelm’ op waardoor ze bovennatuurlijke ervaringen zouden krijgen en die kregen ze ook. Over deze helm van neurowetenschapper David Maij schreef Willem Schoonen op 26 maart in Trouw. Die helm is nep, een variant op de placebo, en we weten inmiddels hoe goed de placebo kan werken.

Maij wil weten waarom mensen geloven. Mensen zien overal bedoelingen, en dat biedt een evolutionair voordeel, met toeval valt namelijk slecht te leven. Maar dat verklaart nog niet de neiging tot geloven.

Het brein heeft verwachtingen, zegt Maij, die verwachtingen komen niet uit, soms stelt het brein de verwachtingen dan niet bij en daar ontstaat ruimte voor ‘bovennatuurlijke’ ervaringen.

Maar hoe ontstaan die verwachtingen? Door taal. Mensen zijn talige wezens en hebben toegang tot de werkelijkheid door taal en andere tekens. Het vermogen te geloven is een neveneffect van het gebruik van taal. Het woord verleidt ons.

28-03-2018
Zes aforismen van Nietzsche die je gelezen moet hebben
Paul van Tongeren, filosoof, hoogleraar

We vroegen Nietzsche-kenner Paul van Tongeren om zijn favoriete aforismen te kiezen uit Nietzsche’s ‘De vrolijke wetenschap’. Na wikken en wegen zijn dit de zes waar hij op uit kwam.
Het is voor een Nietzsche-kenner als Paul van Tongeren eigenlijk een onmogelijke vraag: wat zijn nou de aforismen uit ‘De vrolijke wetenschap’ die je echt nooit zou willen missen? In de nieuwe, nu al bejubelde vertaling van de vorig jaar overleden vertaler Hans Driessen, geeft Van Tongeren in een nawoord wenken bij het lezen van de aforistische boeken van Nietzsche. Aforismen zijn korte uitspraken of gedachten. Nietzsche bracht zijn aforismen bijeen in boeken, zonder het onderlinge verband uit te leggen.
De lezer zoekt onvermijdelijk een verband dat hem of haar houvast geeft. ‘Lezen’ betekent immers ‘verzamelen’ en ‘ordenen’, schijft Van Tongeren in het nawoord. ‘Nietzsches teksten maken het extreem moeilijk een dergelijk verband te vinden en confronteren ons juist daardoor met onze behoefte eraan. Die behoefte aan houvast staat tegenover het avontuur van de denker die zich op een volstrekt open zee of in een duister labyrint waagt.’
Welk verband de lezer ook aanbrengt, het mag volgens Van Tongeren niet de aandacht afleiden van de kwaliteit van de afzonderlijke teksten. Want ook als de aforismen niet in enige lijn of constructie passen, bevatten ze bijna zonder uitzondering prachtige observaties of gedachten.
Lees hieronder zes voorbeelden die Paul van Tongeren persoonlijk het meest dierbaar zijn – over vriendschap die voorbij is, over wat we van kunstenaars kunnen leren, over de overeenkomsten tussen de menselijke wil en de golven in een branding; en geef je over aan Nietzsche’s experiment. ‘Als Nietzsche gelijk had toen hij schreef dat hij met zijn teksten over het nihilisme de geschiedenis van de komende tweehonderd jaar beschreef, dan toont hij hier de conditie waarin wij ons bevinden. In hoeverre verdraagt de waarheid het dat ze vlees en bloed wordt? Dat is de vraag, dat is het experiment.’

[279] Sterrenvriendschap
We zijn vrienden geweest en van elkaar vervreemd geraakt. Maar
dat is goed zo, en laten we er geen geheim van maken en het
niet wegstoppen alsof we ons ervoor zouden moeten schamen.
We zijn twee schepen waarvan elk zijn eigen bestemming heeft
en zijn koers ernaartoe; we kunnen elkaar wel kruisen en samen
feesten, zoals we ook hebben gedaan – en toen lagen die goede
schepen zo rustig in één haven en in één zon, dat het was alsof
ze hun bestemming al hadden bereikt en één bestemming hadden
gehad. Maar vervolgens dreef de oppermachtige kracht van
onze opdracht ons weer uiteen, naar verschillende zeeën en zonnestreken,
en wellicht zien we elkaar nooit meer terug – of we
zien elkaar wel terug, maar herkennen elkaar niet meer: de verschillende
zeeën en zonnen hebben ons veranderd! Dat we
vreemden voor elkaar moeten worden, is de wet die over ons regeert:
juist daardoor moeten we meer respect voor elkaar krijgen!
Juist daardoor moet de gedachte aan onze vroegere vriendschap
heiliger worden! Wie weet bestaat er een kolossale,
onzichtbare boog en sterrenbaan waarin onze zo uiteenlopende
wegen en bestemmingen als kleine trajecten zijn opgenomen
laten we ons tot deze gedachte verheffen! Maar ons leven is te
kort en ons gezichtsvermogen te gering om meer te kunnen zijn
dan vrienden in de zin van die verheven mogelijkheid. – Laten
we dus in onze sterrenvriendschap geloven, zelfs als we elkaars
|aardse vijanden zouden moeten zijn.

[299] Wat men van de kunstenaars moet leren
Over welke middelen beschikken we om de dingen mooi, aantrekkelijk
en begerenswaardig voor ons te maken als ze dat niet
zijn? – en ik denk dat ze het op zichzelf nooit zijn! Op dit gebied
kunnen we iets leren van de artsen, die bijvoorbeeld het bittere
verdunnen of wijn en suiker in de mengkroes doen, maar meer
nog van de kunstenaars, die er eigenlijk altijd op uit zijn zulke
uitvindingen en kunststukken te verrichten. Zich van de dingen
verwijderen totdat men veel ervan niet meer ziet en er veel bij
moet denken om ze nog te zien – of de dingen vanuit een hoekje
beloeren of als het ware in een uitsnede zien – of ze zo neerzetten
dat ze zich gedeeltelijk anders voordoen en alleen perspectivische
doorkijkjes bieden – of ze bekijken door gekleurd glas of
in het licht van het avondrood – of ze een oppervlak en een huid
geven die niet helemaal transparant is: dat alles moeten we van
de kunstenaars leren en voor het overige moeten we wijzer zijn
dan zij. Want bij hen houdt dit subtiel vermogen gewoonlijk op
wanneer de kunst ophoudt en het leven begint, maar wij willen
de dichters van ons leven zijn, te beginnen met het kleinste en
meest alledaagse.

[310] Wil en golf
Hoe gulzig komt deze golf aanrollen, alsof er iets te bereiken
viel! Hoe kruipt ze met vervaarlijke haast de binnenste hoeken
van rotsachtige spleten in! Het lijkt wel alsof ze iemand vóór wil
zijn; het lijkt wel alsof daar iets van waarde, grote waarde is verstopt.
– En nu komt ze terug, iets trager, nog helemaal wit van|
opwinding, – is ze teleurgesteld? Heeft ze gevonden wat ze
zocht? Veinst ze teleurstelling? – Maar spoedig nadert een andere
golf, nog gulziger en wilder dan de eerste, en ook haar ziel
lijkt vol geheimen te zijn en belust op het graven naar schatten.
Zo leven de golven – zo leven wij, de willenden! – meer zeg ik
niet. – Wat? Jullie wantrouwen mij? Jullie zijn boos op mij,
mooie ondieren die je bent? Zijn jullie bang dat ik je geheim
volledig verraad? Best! Wees maar boos op me, richt jullie
groene, gevaarlijke lijven maar op, zo hoog als je kunt, bouw
|maar een muur tussen mij en de zon – zoals nu! Heus, van de
wereld is al niets meer over dan groene schemer en groene bliksemschichten.
Doe maar wat je wilt, jullie overmoedigen, brul
maar van wellust en boosheid – duik maar weer onder, werp jullie
smaragden maar weg, de diepste diepte in, schud jullie eindeloze
witte lokken van schuim en gebruis erover uit – ik vind|het allemaal best, want alles staat jullie zo goed en ik ben jullie in|alles zo goed gezind: waarom zou ik jullie verraden! Want –
luister goed! – ik ken jullie en je geheim, ik ken jullie soort!
Jullie en ik, wij stammen immers van één soort! – Jullie en ik,
wij delen immers één geheim! 

[312] Mijn hond
Ik heb mijn pijn een naam gegeven en noem hem ‘hond’, – hij is
net zo trouw, net zo opdringerig en schaamteloos, net zo onderhoudend,
net zo slim als elke andere hond – en ik kan hem
toesnauwen en mijn slechte buien op hem afreageren: zoals anderen
met hun honden, bedienden en vrouwen doen. 

[378] ‘En worden weer helder’
Wij die vrijgevig en geestrijk zijn, wij die als open waterputten
langs de straat liggen en het niemand willen verbieden dat hij
uit ons put: wij zijn helaas niet in staat ons te verzetten, als we
het zouden willen, we kunnen met geen mogelijkheid verhinderen
dat men ons troebel maakt, duister maakt – dat de tijd
waarin we leven zijn ‘meest aan tijd gebonden dingen’, dat zijn
vuile vogels hun uitwerpselen, jongens hun rommel en uitgeputte,
bij ons uitrustende wandelaars hun klein en groot leed
in ons smijten. Maar we zullen het doen zoals we altijd hebben
gedaan: we sleuren wat ze maar in ons smijten mee onze diepte
in – wij zijn immers diep, we vergeten niet – en worden weer helder… 

[380] ‘De wandelaar’ spreekt
|Om onze Europese moraliteit eens van een afstand te bezien,
om haar af te zetten tegen andere, vroegere of toekomstige moraliteiten,
daarvoor moet je doen wat een wandelaar doet die wil
weten hoe hoog de torens van een stad zijn: daarvoor gaat hij
weg uit die stad. Indien ‘gedachten over morele vooroordelen’
geen vooroordelen over vooroordelen willen zijn, gaan ze uit
van een plaats buiten de moraal, een plaats voorbij goed en
kwaad, waarnaar je moet klimmen, klauteren of vliegen – en in
het huidige geval, op zijn minst een plaats voorbij ons goed en
kwaad, een vrij-zijn van elk ‘Europa’, dat laatste opgevat als een
optelsom van commanderende waardeoordelen, die in ons vlees
en bloed zijn gaan zitten. Dat je juist die kant op, dáár naar
boven wilt, mag dan misschien een kleine onbesuisdheid zijn,
een zonderling, onredelijk ‘gij zult’ – want ook wij kennenden
hebben onze idiosyncrasieën van de ‘onvrije wil’ –; de vraag is
of je daar naar boven kunt. Dat kan afhangen van talrijke omstandigheden,
maar in hoofdzaak is het de vraag hoe licht of
zwaar we zijn, met andere woorden: het probleem van ons ‘soortelijk
gewicht’. Men moet heel licht zijn om de wil tot kennis zo
ver te voeren en als het ware boven zijn tijd uit te jagen, om zichzelf
|ogen te geven die millennia kunnen overzien – en in deze
|ogen ook nog een heldere hemel! Men moet zich hebben losgemaakt
van veel dingen die ons Europeanen-van-nu terneerdrukken,
hinderen, tegen de grond houden en zwaar maken. De
mens van zo’n andere wereld die de hoogste maatstaven van
zijn tijd zelf in het oog wil krijgen, moet daarvoor in de eerste
plaats deze tijd in zichzelf ‘overwinnen’ – het is zijn krachtproef
– en dus niet alleen zijn tijd, maar ook zijn tot nu toe geldende
weerzin van en oppositie tegen deze tijd, zijn lijden aan deze
tijd, zijn oneigentijdsheid, zijn romantiek…

We spelen heel wat af. Eerst tikkertje, verstoppertje, vader en moedertje. Later maken de kinderspellen plaats voor meer volwassen varianten, kaartspellen, videogames. Iets minder voor de hand misschien is het spelelement in de politiek, in het rechtssysteem, of in de wetenschap.

Volgens historicus Johan Huizinga kenmerken ook deze gebieden, die we toch doorgaans als serieus beschouwen, zich door spel. In ‘Homo Ludens’, oftewel de spelende mens (1938), stelde hij dat spel niet zozeer een aspect van de cultuur is, maar dat de hele cultuur vóórtkomt uit spel. Wanneer we tijd en ruimte overhebben naast écht ernstige zaken als overleven en voortplanten, bezweren we de grillige werkelijkheid en elkaar met rituelen en spelen.

Het spel blijkt bij Huizinga al snel lastige paradoxen in zich te dragen. Zo is het spel een vrije handeling, die buiten het noodzakelijke leven plaatsvindt. Tegelijkertijd vraagt alle spel – van rechtspraak tot wetenschap, van theater tot taal – om mee te spelen, vooral geen spelbréker te zijn. Dit betekent dat spelen ook altijd een ‘gespeeld worden’ impliceert. Hoewel de mens in vele vormen van spel wel een belangrijke ‘katalysator’ is en ‘speelse’ dingen als kunst, taal en theater schept, is hij niet heer en meester over deze vormen van spel, maar wordt er zelf in opgenomen.

Een andere lastige paradox in Huizinga’s spelanalyse vinden we in zijn cultuurkritiek. Want hoewel hij eerder stelt dat alles wat zich uit de sfeer van het noodzakelijke onttrekt als spel kan worden begrepen – toneelstuk, oorlog, wetenschappelijk debat – stelt hij ook vast dat veel van het spel in de westerse cultuur vals is geworden. Geen écht spel meer, dus. Dit is geen goed nieuws, want zonder spel is cultuur ten dode opgeschreven. Hij noemt als voorbeeld de sportwereld, eerder een domein van het spel, nu een domein van winstbelangen en vercommercialisering, aanstellerij en slechte verliezers. Ook in de politiek en het bedrijfsleven neemt hij dezelfde tendensen waar. Spelvormen worden bewust ingezet om een achterliggend maatschappelijk of politiek belang te verbloemen. Vals spel, vindt hij.

Hoe is het gesteld met het ludiek gehalte van onze eigen tijd? Op het eerste gezicht zit het met het spelelement in onze huidige westerse samenleving wel goed. In onze vrije tijd doen we ons tegoed aan boeken, series, film en games die ons naar fictieve werelden leiden. Ben je een groot fan van een specifieke wereld, dan kun je gelijkgestemden ontmoeten op Comic Cons of Fantasy Fairs, eventueel verkleed als je favoriete personage. Een eindeloze stroom aan sequels en prequels houden de werelden tot in het oneindige in stand.

In het onderwijs en het bedrijfsleven worden games en tools ingezet om ook saaie, serieuze aangelegenheden van een vleugje fun te voorzien. Op de speelplaats van social media kun je eindeloos experimenteren met identiteiten, mode en meningen en je tegoed doen aan guitige kattenfilmpjes en vermakelijke memes. Bij het boodschappen doen kun je sparen voor moestuintjes of olijke knuffeltjes. Je kunt naar een pretpark of in een museum een leuke speurtocht doen. De belevingsindustrie tiert welig. Met een dergelijke verleuking van de wereld moet het met dat spelelement wel goed zitten, toch? ”

Zetten we de bril van Huizinga op, dan is hier een kritische voetnoot te plaatsen. Ook in onze tijd blijkt een soms verregaande en wederzijdse vervuiling van spel en ernst aanwezig. Waar spelen altijd een bespeeld worden impliceert, kan dit problematisch worden wanneer het betreffende spelelement vals is, een oneerlijke agenda heeft.

Social media bijvoorbeeld worden aan de achterkant bestuurd door bedrijven die enkel interesse hebben in winst en groei. Om mensen te stimuleren vooral terug te keren op hun speelplaatsen, zijn deze zo vormgegeven dat het gebruik ervan ‘lekker’ is. Zo weet Facebook precies hoe je met likes en rode cijfertjes kunt zorgen voor kleine scheutjes dopamine in het brein van gebruikers. Facebookverslaving – het dwangmatig terugkeren op de website of app – wordt zo in de hand gewerkt. En Facebook is lang niet de enige die ons zo voortdurend naar onze lichtgewicht smartphones doet grijpen. De karakteristieke voorovergebogen houding – telefoon in de hand, blik gevangen in het apparaat – is inmiddels deel van het straatbeeld. We worden, net als drugverslaafden, niet voor niks ‘gebruikers’ genoemd. Zelfs schandalen die laten zien dat velen zich als datakoeien laten misbruiken, blijkt de digitale verslaving moeilijk te kunnen doorbreken.

Soms is het minder helder dat spel niet eerlijk is. Neem bijvoorbeeld Google’s game Ingress uit 2012. Deze augmented reality game werkte als een app op de smartphone en speelde zich met behulp van GPS af in de werkelijke wereld. Spelers konden proberen elkaar te snel af te zijn en zo de baas te worden van bepaalde monumenten of belangrijke plekken in een stad. Deze portals konden ook door de spelers zelf worden voorgedragen, door het toevoegen van geotagged foto’s van de plaats of het monument. Spelers gameden voor hun plezier – maar voor Google zat er een veel zakelijkere reden achter de game. De spelers waren een gratis werkkracht die tijdens het spelen Google van waardevolle data voorzagen om hun Google Maps verder te perfectioneren.

Begin 2018 liet Google weten Google Maps gratis open te gaan stellen voor gamedesigners die zelf augmented reality games willen maken. Gratis, zegt Google, want waarom zouden gamebedrijven zelf alle moeite moeten doen een goede kaart te maken? Met Google’s tot in de puntjes in kaart gebrachte versie van de wereld zijn spelers gegarandeerd van perfect spelplezier. Naar de achterliggende motieven van Google is het niet heel erg gissen.

Via sociale media experimenteren jongeren met hun eigen identiteit en het uitdragen ervan. Ook qua mode, een cultureel gebied met van oudsher veel speelse elementen, heeft de gemiddelde tiener op het oog een speelplaats tot de beschikking. Nog nooit stonden er zoveel mode-items te koop, met een klik op de muis in je winkelmandje uit de hele wereld beschikbaar. Fashionista’s kunnen hun hart ophalen bij de diverse fashion-vlogs en blogs die het internet rijk is. Vreemd genoeg lijkt deze grote vrijheid op modegebied toch niet direct te leiden tot een speelse diversiteit aan stijlen. Hoogleraar visuele cultuur Anneke Smelik stelt vast dat er juist een verhoogde mate van uniformiteit lijkt te bestaan onder de jongere generaties van nu. Volgens haar komt dit onder andere door de invloed van fashion-vlogs en -blogs die als een echokamer werken. Jongeren horen graag bij een groep, maar het aantal groepen lijkt steeds beperkter. Wanneer gaat de suggestie van vrijheid die hedendaagse spelvormen bieden, over in valse vrijheid?

Of dan het slagveld, waar van oudsher altijd al speel-elementen waar te nemen waren. In de jaren tachtig stelde Ronald Reagan dat het spelen van realistische games je behendigheid leert die je ook in het echte leven kunt inzetten. Actiegames en shooters, zei Reagan, trainen een nieuwe generatie cyberwarriors, klaar voor een gevecht op een echt strijdveld. En het mooiste is dat ze bereid zijn hun training zelf te betalen!

Zijn voorspellingen zijn inmiddels deels realiteit. Flight simulators trainen piloten voor het echte werk, en een game als America’s Army, dat is ontwikkeld door het Amerikaanse leger, laat jongeren kennismaken met militaire strijd. Je kunt het gratis spelen en aan het einde krijg je de aanmoediging je bij het real life leger aan te sluiten.

Deze propagandistische manier van werken heeft uit verschillende hoeken kritiek geoogst. Mag je ‘spel’ en ‘ernst’ wel op zo’n radicale wijze met elkaar vermengen? Andersom zien we spel ook zijn intrede doen op het echte strijdveld. Hightechapparatuur doet menig soldaat het slagveld via monitors en streams ervaren, potentiële slachtoffers gereduceerd tot warmtedoelen op een scherm. Wanneer oorlog meer en meer simulatie wordt, wanneer knopjes de plek innemen van trekkers, en het doelwit enkel indirect ervaren wordt via een scherm dat de situatie als een spel presenteert, blijkt een onderscheid tussen ernst en spel gemakkelijk uit het oog verloren.

En er zijn meer voorbeelden. Neem het gemak waarmee fake news zich verspreidt onder de massa’s. Of het casinokapitalisme dat de markt tot een verslavend en gevaarlijk gokspel maakt. Of de vercommercialisering van de amusementencultuur die échte fans verleidt tot het kopen van T-shirts, authentieke toverstokken of action figures. Of de politiek, waarin kinderachtigheid en aanstellerige borstklopperij in de tachtig jaar sinds ‘Homo Ludens’ nog steeds in allerlei vormen aanwezig is.

Staan we open voor het besef dat allicht niet alle ludieke elementen in onze ogenschijnlijke hoog-speelse cultuur ook oprecht en eerlijk spel zijn, maar vaak zijn doortrokken van vals spel en kinderachtigheid, dan is het misschien goed Huizinga’s waarschuwende woorden er nog eens op na te slaan. Willen we een echte beschaving zijn, zo lezen we, dan zijn fair play en goede trouw een vereiste. Het spel moet zuiver zijn. Het mag geen valse schijn zijn, opzettelijk opgezet spel waarachter zich stiekeme politieke, maatschappelijke of economische agenda’s verbergen. Echt spel sluit propaganda en commercie uit. Echt spel is enkel een doel in zichzelf. De oprechte spelstemming is er een van blijde vervoering, niet van hysterische opwinding.

Gaan we ervanuit dat álle cultuur uit spel voortkomt, dan bergt Huizinga’s cultuurkritiek een onoplosbare paradox in zich. Hoe kan immers iets ‘vals spel’ of schijnspel zijn, als álles in onze cultuur zich als spel manifes- teert? Zijn de besproken voorbeelden met andere woorden daadwerkelijk vals spel, of moeten we commerciële of politieke agenda’s achter spelelementen in onze cultuur óók zien als vormen van spel?

Zelfs als dat zo is, dan mogen we het best oneens zijn met de wijze waarop het spel wordt gespeeld – of we worden béspeeld. Soms is spelbreken wél een optie. ”

Op pysychologisch vlak bestaat de vrije wil wel degelijk

CHRISTIAN LIST: WHY FREE WILL IS REAL
Christian List: Why Free Will Is Real

Harvard University Press, € 22,50

Is onze vrije wil een illusie die we graag koesteren, of bestaat hij wel degelijk? Het debat woedt al jaren, niet in de laatste plaats dankzij hersenwetenschapper Dick Swaab (Wij zijn ons brein). Die tracht de mens eloquent zijn illusie te ontnemen, maar de weerstand is stevig. Zo kwam de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett in 2016 naar Nederland om de ‘schurk’ Swaab in een debat de oren te wassen.

In Why Free Will Is Real doet een andere filosoof, de Londense hoogleraar Christian List (1973), een nieuwe poging tot verdediging. Aardig aan zijn essay is dat hij de sceptici uiterst serieus neemt. Zijn centrale stelling is dat de vrije wil zich op een ander, hoger niveau bevindt dan waarop de neurowetenschap kijkt.

Op psychologisch vlak bestaat hij wel degelijk, betoogt List, zeker zo eloquent als Swaab. Hij trekt de vergelijking met de economie – aan de rentestand en werkloosheid als reëel bestaande begrippen twijfelt niemand, ook al is hun band met onderliggende, natuurkundige processen maar beperkt.

Zo is het dus ook met de vrije wil.

Menselijke intelligentie valt onmogelijk na te bouwen

De schrijver

Markus Gabriel (1980) is professor filosofie aan de universiteit van Bonn. Hij mengt zich graag in het debat rond artificiële intelligentie, dat volgens hem doordrongen is van onjuiste voorstellingen. Gabriel is een vertegenwoordiger van het nieuwe realisme, dat hij uiteenzet in ‘Waarom de wereld niet bestaat’ en ‘Waarom we vrij zijn als we denken’. Zijn jongste boek, ‘De zin van denken’, vormt het sluitstuk van deze trilogie.

De problematiek

In het digitale tijdperk dreigt de mens zijn privilege te verliezen om op een intelligente manier problemen op te lossen : machines kunnen dat op veel vlakken beter. Velen vragen zich dan ook af hoe lang het nog zal duren voordat het digitale brein een ‘planetair bewustzijn’ verwerft en zich ontpopt tot superintelligentie die de regie over de mens zal overnemen.

De stellingen

De gedachte dat we de mens in informatie-eenheden kunnen ontbinden, om daarna onze geest op ‘verbeterde’ (lees: onsterfelijke) hardware af te spelen, noemt Gabriel een onsterfelijkheidsfantasie. Maar deze fantasie van de mens als ‘cyborg’, die uitsluitend uit digitale informatie zou bestaan, kan nooit werkelijkheid worden, alleen al omdat het denken gebonden is aan biologische parameters.

Gabriel beschouwt het menselijk denkvermogen als een zintuig, een ‘contactorgaan’ tussen de natuurlijke en de psychologische werkelijkheid. Het menselijk denken is een ‘noöscoop’: een zintuig – in nauw verband met alle andere zintuigen – waarmee we ‘het oneindige bespieden’.

Dat betekent niet dat we met ons denken de hele werkelijkheid in één oogopslag zouden kunnen vatten, als een absolute waarnemer van buitenaf. Gabriel spreekt liever van ‘zinvelden’, manieren om informatie te ordenen in een zinvol geheel.

Een tocht door station Utrecht Centraal kan gericht zijn op het nemen van een trein (dat geeft dan de ‘zin’ aan), maar net zo goed op het waarnemen van het aantal insecten in het gebouw (een totaal andere ‘zin’). Denken is dus een reis door zinvelden, met als doel een oriëntatie in een oneindig aantal feiten mogelijk te maken.

Dat leidt tot de definitie van het ‘nieuwe realisme’: er bestaan oneindig veel zinvelden, niet één allesomvattende werkelijkheid. Bovendien kunnen we de dingen vatten zoals ze werkelijk zijn. Die overtuiging van het ‘nieuwe realisme’ staat haaks op het heersende constructivisme. Dat meent dat wij de wereld construeren, terwijl we nooit weten of die constructie wel beantwoordt aan de werkelijkheid.

De argumenten

Waarom kan intelligentie volgens Gabriel niet nagebouwd worden? Omdat ‘geen schaakprogramma zo gecompliceerd is als een menselijke organisme’. Als menselijk organisme staan we volgens Gabriël in contact met de omgeving en dat is essentieel voor onze intelligentie. Bovendien is menselijk denken volgens Markus Gabriël ‘emotioneel’.

“Zonder een specifieke beleving van de scènes van ons leven, zou het niet mogelijk zijn uit het oneindige repertoire waaraan we zijn overgeleverd een keuze te maken van dingen om over na te denken.” Ook de ‘vaagheid’ van onze leefwereld is een argument tegen het idee dat je menselijke intelligentie kunt nabouwen. Het is onmogelijk om al ons intuïtieve weten te definiëren en in een computertaal te gieten. “We kunnen alleen talige uitdrukkingen begrijpen omdat we over een achtergrond van biologische factoren en socioculturele vermogens beschikken. Mensen begrijpen talige uitdrukkingen in een context. Dat krijgt artificiële intelligentie niet voor elkaar..”

Redenen om dit boek te lezen

Gabriel steekt zijn nek uit door in te gaan tegen diepgewortelde overtuigingen uit onze cultuur en kennisleer, waaronder het constructivisme. Dat hij probeert het debat over artificiële intelligentie te bevrijden uit zijn keurslijf van overtrokken aannames, mag verfrissend heten.

Redenen om dit boek niet te lezen

Niet alle verbanden die Gabriel legt, zijn duidelijk. Zijn stelling dat er een biologisch wezen nodig is om van intelligentie te spreken, wordt bijvoorbeeld niet gestaafd met harde feiten (als dat al mogelijk zou zijn), maar met filosofische argumenten die je overtuigend kan vinden of niet.

Ook bestaat het risico dat het nieuwe realisme als ‘naïef’ wordt gewaarmerkt. Onze kennistheorie is immers zo sterk doordrongen van de scheiding tussen mens en wereld, dat een theorie die uitgaat van een vrij makkelijke ‘overlapping’ tussen beide, geen evident uitgangspunt is en niet iedereen zal overtuigen.

De zin van denken

Markus Gabriel

Uitgeverij Boom; 335 blz., € 29,90

****

ROSANNE HERTZBERGER: HET GROTE NIETS – WAAROM WE TE VEEL VERTROUWEN HEBBEN IN DE WETENSCHAP

Als ik bij een lezing of ander optreden mag kiezen tussen mezelf presenteren als wetenschapper of NRC Handelsblad-columnist, kies ik vaak voor wetenschapper. Dat is strategisch handig, daarmee heeft het publiek wat meer vertrouwen in mij. Ons vertrouwen in wetenschappers is namelijk hoog.

Volgens een driejaarlijks rapport van het Nederlandse Rathenau Instituut (2018) krijgt het vertrouwen een 7,1. Bijna vier op de vijf Nederlanders denken dat wetenschappers zorgvuldig werken, deskundig onderzoek uitvoeren en te vertrouwen zijn. Twee op de drie Nederlanders denken dat wetenschappers objectief zijn en onafhankelijk werken. Minder dan een kwart van de gepeilde Nederlanders denkt dat wetenschappers onderzoek aanpassen om de antwoorden te krijgen die ze willen hebben. Nederlanders hebben meer vertrouwen in de wetenschap dan in elk ander instituut dat van oudsher enige autoriteit uitoefende: de pers, de vakbonden, het parlement, de regering en de rechtspraak.

Sinds 2018 zijn in Nederland de mensen die zichzelf tot een religieuze stroming rekenen in de minderheid. Dat is voor het eerst. En wat is ervoor in de plaats gekomen? Wie laten we nu bepalen wat waar is, of goed, of verstandig? Voor een groeiende groep mensen is dat de wetenschap.

Op het eerste gezicht lijkt dat een positieve ontwikkeling: als iets een betrouwbare bron van kennis is, is het de empirische wetenschap wel (de tak van wetenschap die experimenten uitvoert). Wetenschap heeft de westerse wereld groot gemaakt.

Toch kunnen we ook te veel vertrouwen op de wetenschap. De wetenschappelijke methode is het krachtigste gereedschap dat we hebben om tot kennis te komen, maar tegelijkertijd wordt het gebruikt door een wezen, Homo sapiens, dat nog steeds buitengewoon irrationeel is. En de methode is ook kwetsbaar, en kan eenvoudig misbruikt worden. De wetenschap is buitengewoon flexibel en kun je alles laten zeggen wat je wilt. Je kunt resultaten uit bewerkelijke experimenten inzetten om jouw gelijk te bewijzen. Je kunt met behulp van slecht gecontroleerde misleidende studies jouw nogal irrationele overtuigingen of je hobby of leefwijze tot wetenschappelijk verantwoord verklaren. Wetenschap kan ook als buikspreekpop fungeren.

En precies dat is zorgwekkend.

Ik zie een nieuwe generatie van westerse seculiere beleidsmakers, politici, bestuurders, denkers, schrijvers, ondernemers en leiders die wetenschap niet meer zien als gereedschap om kennis te genereren, maar als een nieuwe onfeilbare autoriteit; een alwetende rechter die oordeelt over goed en kwaad. Net als alle generaties die hun voorgingen hebben zij hun eigen ‘waarom’-vragen, maar geen God, geloof, of ideologie meer die die voor hen kan beantwoorden. Wetenschap moet die lacune opvullen en de vragen beantwoorden: waarom we eten wat we eten, waarom we onze kinderen opvoeden zoals we ze opvoeden, waarom we sporten zoals we sporten, waarom we leven hoe we leven. Iets is niet meer goed, deugdzaam, fijn, lekker, rechtvaardig, of moreel juist, maar ‘gezond’, ‘duurzaam’ of ‘veilig’.

In dat grote vertrouwen in de wetenschap zie ik ook nihilisme. Wetenschap is het favoriete gereedschap van de moderne nihilist, want met wetenschap in de hand kun je jouw – nog steeds behoorlijk toevallige – keuzes tot ‘evidence-based’ verklaren en dus superieur aan al het andere.

Het vertrouwen in wetenschap is een groot goed. Dat zeg ik als wetenschapper. En toch vind ik het hedendaags vertrouwen in de wetenschap vaak disproportioneel en het gebruik ervan misplaatst.

Het gaat mis op twee punten. Ten eerste is de wetenschap in theorie foolproof, maar in de praktijk bijzonder gevoelig voor manipulatie, fraude en ander misbruik, zeker wanneer het over populaire onderwerpen gaat als onderwijs, voedsel, sport en mindfulness.

Maar er is nog iets: de moderne, atheïstische westerling overschat zichzelf. De nieuwe mens lijkt er volstrekt van overtuigd dat hij de eerste is die rationeel, helder – dankzij wetenschap – de waarheid kent. In werkelijkheid hebben we nog steeds last van dezelfde vertroebelingen van de geest waar onze verre gelovige voorvaderen ook aan leden. Bij het onderzoek naar mindfulness bijvoorbeeld zijn eigenlijk alle risicofactoren voor slecht onderzoek aanwezig: een onderwerp met een enorm placebo-effect, een heleboel slecht gecontroleerde studies, een hoog ‘hype’-gehalte. Het is een recept voor mislukkingen.

De afgelopen jaren komen er steeds meer papers aan het licht waarvan de conclusies, na het herhalen van de experimenten, geen stand houden. Het zijn de eerste signalen van een crisis, een reproduceerbaarheidscrisis. Die reproduceerbaarheid is een van de eigenschappen van robuuste wetenschap. Wanneer een ander, een onafhankelijk lab of onafhankelijke onderzoeksgroep, dezelfde experimenten uitvoert of dezelfde analyse doet dan moeten daar dezelfde resultaten uitkomen. Maar bij een grote replicatiepoging van een aantal prestigieuze studies uit het kankeronderzoek bleek een flink aantal ervan volstrekt andere resultaten of resultaten die niet te interpreteren waren op te leveren. Er zijn nu dertien papers waarvan de experimenten door onafhankelijke laboratoria werden herhaald. Van vijf studies bleken de resultaten volstrekt anders of niet te interpreteren.

Om wetenschap zo scherp en effectief mogelijk te krijgen hebben we hervormingen nodig in de manier waarop we wetenschap beoefenen. De kwaliteitscontrole concentreert zich nu voornamelijk op het beoordelen van elkaars werk (peer review) maar die nadruk zou in de toekomst moeten verschuiven naar replicatie. Iets zou pas geloofwaardig moeten zijn als het in meerdere labs en door meerdere onderzoeksgroepen gevonden is. We zouden de incentives, de belangen van wetenschappers, moeten verleggen van publiceren naar gedegen wetenschap. We zouden meer moeten samenwerken en minder concurreren, en de transparantie moet omhoog.

Maar het liefst zou ik ook graag iets willen veranderen aan de plek die wetenschap inneemt in onze maatschappij en in onze levens. We zouden de wetenschap terug in haar hok moeten sturen. Naar de plek waar zij van waarde is: bij het genereren van kennis en het testen van hypothesen.

Een hoop van de bewijslast moet overboord. De wetenschap hoort hooguit op de achtergrond te zoemen, bij onze publieke debatten, figurant te zijn bij het bestuur van dit land, en bij de inrichting van onze persoonlijke levens. Daarbij kan zelfs de gewone mediterende burger helpen; die zou de wetenschap ook simpelweg met rust kunnen laten en andere bronnen van kennis en geloofwaardigheid kunnen aanboren om zijn mindfulnessbehoeftes mee te legitimeren. Zijn ‘innerlijke kennis’ misschien?

Of hij zou als vanouds weer een goeroe kunnen gaan volgen. Denk aan een influencer, een beroemdheid, een ondernemer of een moderne heilige. Men zou gewoon weer eens wat kunnen proberen te geloven, in plaats van het bewezen willen zien. Het zou van grote zelfkennis getuigen.

DEBAT

Dit is een voorpublicatie uit Het grote niets – Waarom we te veel vertrouwen hebben in de wetenschap van Rosanne Hertzberger dat deze week verschijnt. Hertzberger gaat erover in debat met Trudy Dehue (15 mei in het Academiegebouw, Rijksuniversiteit Groningen om 20.00 uur) en met Wim van Saarloos (KNAW), Victor Hoornweg en Rens Bod (17 mei in de Balie in Amsterdam, 20.00 uur).

NON-FICTIE

Rosanne Hertzberger: Het grote niets – Waarom we te veel vertrouwen hebben in de wetenschap

Prometheus / Nieuw Licht; 96 pagina’s; € 12,99.

De tevreden pessimist

De keuzen van Stine Jensen

FRANK RUITER
Stine Jensen ( 47 )- opgegroeid met Scandinavische melancholie – verdiepte zich voor het filosofieprogramma YES ik ben! in positief denken. Wat blijkt: het hoeft dus helemaal niet.
GIDI HEESAKKERS
Yes ik ben! of Mwoah ik ben?

‘Het glas is bij mij halfleeg, maar de echte pessimist is in feite een grote optimist. Dat heeft de filosoof Seneca goed uitgelegd: mensen met hoge verwachtingen van het leven zijn vaak een stuk ongelukkiger, omdat de realiteit tegenvalt en ze dus sneller teleurgesteld raken. Als je net als Schopenhauer denkt dat het ergste nog moet komen, valt de werkelijkheid altijd mee. Zo pakt pessimisme toch optimistisch uit en kan een optimist vatbaar zijn voor pessimisme.

‘Ik beschouw mezelf als een optimist, omdat ik geloof in maakbaarheid en kneedbaarheid. Ik ben een doorzetter. Voor mijn boek Lieve Stine, weet jij het? heb ik een rondgang langs vijf uitgeverijen moeten maken. Het werd vijf keer afgewezen, maar ik vond een filosofieboek voor kinderen met vragen over het leven een goed idee en ging gewoon door, en de zesde keer is het gelukt. Daarvoor moet je toch een beetje optimistisch zijn en tegenslagen verwerken. Zo sta ik er ook in met relaties. Gaat het niet goed? Relatietherapie! Wat mij tot een pessimist maakt, is dat ik altijd scenario’s zie van wat er mogelijk zou kunnen misgaan. Ik zie de beren op de weg, maar ga ook meteen de oplossingen bedenken.’

De positivo’s in Amerika of de melancholici die je bezocht in Noorwegen?

‘Er zijn enorme Amerika-lovers, maar daar behoor ik niet toe. Ik heb er een jaar gestudeerd en wist toen al zeker: ik zou hier nooit kunnen wonen. De maakbaarheidscultuur is er zo individualistisch en zo gericht op materiële welvaart. Het Scandinavische model is meer gericht op welvaart en welzijn voor de gemeenschap, al zijn Scandinavische samenlevingen ook individualistisch, in termen van ontwikkeling en zelfontplooiing.

‘In Noorwegen vond ik het fantastisch. Ik voel me er meer thuis, ook in de sombere grondstemming die er zo veel ruimte krijgt. Er gaat een zekere rust van uit. En ik vind die downplayende ironie heel grappig. Zo van: ‘Hoe gaat het met je?’ ‘Nou, ik heb mezelf nog net niet van de brug gegooid.’ Een treurige grappigheid waarmee je de zwaarte wat lichter maakt. Je stopt de zwaarte tenminste niet weg, zoals met dat hartstochtelijke Amerikaanse positivisme. Je woont op straat in een tent en je hebt geen eten, en dan nog moet je in de American dream geloven. Niet te doen.’

Coach of filosofie?

‘Ik heb aan beide veel gehad. Toen ik op mijn 20ste begon aan een studie filosofie, was dat een eyeopener. Je maakt een reis langs ideeën over de wereld en je ontdekt vrij snel dat er niet één waarheid over te vertellen is. Filosofie kan je autonomer maken en ervoor zorgen dat je vanzelfsprekendheden gaat bevragen.

‘En goede coaches, ja, die kan ik ook iedereen aanraden. Ik heb me enorm opgewonden over die documentaire van Menna Laura Meijer, Nu verandert er langzaam iets, over de hedendaagse coaching- en trainingscultuur. Ik heb er moeite mee, omdat-ie eigenlijk alle coaches op een hoop gooit, en mede door het camerastandpunt het fenomeen een beetje belachelijk maakt. Ik hou van medemenselijkheid, maar door zo veel verschillende sessies van een afstand te registreren laat je vooral de diersoort mens zien die van coach naar coach rolt. Het is bijna Bert Haanstra, aapjes kijken. De vorm is uitmuntend, maar ook sturend, vind ik: de mens is best wel wanhopig.

‘Waarom gaan we massaal naar coaches? Dat begrijp ik na het zien van de film absoluut niet. Wat die laat zien wist ik al: dat er een wildgroei aan coaches is en dat je de gekste dingen hebt in coachingsland.

‘Het gevaar is dat je het onderliggende probleem in de maatschappij niet aanpakt, zegt coach Jikke de Ruiter in de eerste aflevering van YES ik ben!, over zoeken naar een betere versie van jezelf. Als veel mensen een burn-out hebben en iedereen gaat individueel op zoek naar een coach, dan behandel je niet de laag eronder. Niet de 24-uurseconomie, waarin voortdurend productiviteit wordt verwacht en we onszelf over de kop blijven werken. Ik ben het met haar eens dat je ook naar het systeem moet kijken.’

Stabiel of pieken en dalen?

‘Liever stabiel. Ik heb aardig geleerd hoe met mijn pieken en dalen om te gaan. Ik ben mijn lichaam aandacht gaan geven, onder meer door haptotherapie. Dat was voor mij de sleutel. Er was tien jaar geleden een noodzaak, omdat ik door mijn rug ging op de universiteit waar ik werkte. Het was geen puur fysieke kwestie, er was ook veel twijfel of ik op de goede weg zat. De werkverhoudingen waren slecht op dat moment, er werd bezuinigd en er hing een slechte sfeer. En ik zat met existentiële twijfel: waar gaat het leven eigenlijk over?

‘De Deense filosoof Kierkegaard zegt dat het denken in zichzelf al een beetje verdrietig is. Het is niet voor niets dat veel spirituele bewegingen die jou geluk beloven vaak anti-denken zijn. Denken, daar zit een taboe op, je moet voelen. Met mantra’s moet piekeren worden stopgezet.’

Mediteren of hardlopen?

‘Hardlopen vind ik verschrikkelijk, maar yoga en mediteren hebben mij doen inzien dat je werkelijk iets kunt doen waardoor je wat positiever gaat denken.’

Struisvogelen of oplossen?

‘Dat laatste, maar er zit in mij een luide struisvogel. Je ziet een probleem aankomen, je klaagt erover en bespreekt het probleem met heel veel mensen, maar je komt niet in actie. Klagen is toch vaak een gebrek aan verantwoordelijkheid nemen. Ook in die zin heeft de theorie van yoga mij wel geholpen, en dan met name de uitspraak act, don’t react, handelen in plaats van reageren. Dat is iets wat ik ben gaan ervaren en doorvoelen en proberen. Niet dat het altijd lukt. Voor een groot deel kun je jezelf mentaal trainen, maar niet alles valt af te leren. Gelukkig maar, anders werden we een soort robotjes. Het interessante zit ‘m vaak toch ook in de dingen waarin we falen en niet trainbaar zijn.’

Snel tevreden of eerder teleurgesteld?

‘Op veel gebieden ben ik snel tevreden. Ik kan al tevreden zijn als ik een brief op de post heb gedaan. Zo, dat is alvast één actie die ik heb voltooid. Ik ben ook wel een beetje lui, denk ik. Mijn tweelingzus was van ons tweeën de winnaar. Zij ging altijd voor de winst, voor goud. Ik heb me verzoend met de tweede plek en het feit dat je in Nederland altijd nog een poedelprijs kunt winnen. Als kind werd ik er soms ook wel onzeker van, hoor. Het is niet goed voor je zelfbeeld om vaak te verliezen.’

Je gevoelens delen of voor jezelf houden?

‘Dat is een eigentijds dilemma. De onlinecultuur duwt ons richting delen, naar de extraverte mens. Maar ik zie toch ook de schoonheid van introversie, van dat wat nog niet is uitgesproken en zich niet in een foto met een tekstje eronder laat uitdrukken.

‘In de samenleving waarin wij nu _leven is het een uitdaging, en misschien wel een oefening voor mensen, om niet te delen. Wat is het eigenlijke motief van dat verslavende delen op sociale media? Waar het eigenlijk om gaat is volgens mij de bevestiging van anderen. De oefening zit ‘m erin: kun je zonder Instagram, kun je zonder Twitter? En wat voel je dan?

‘Ik keek met verbazing naar Emma Wortelboer, die zich op televisie en sociale media profileerde om namens Nederland de punten te mogen uitdelen op het Songfestival, waar vervolgens iedereen wat van vond – het debatje over de vraag of haar optreden te hysterisch en egomaan was. Over de kwestie Emma Wortelboer had ik wel een cultuurfilosofische analyse van vier pagina’s willen schrijven, want hier zit wat mij betreft álles in.

‘Sommigen vonden het briljant en verdedigen haar omdat ze ‘gewoon’ enthousiast was. Mag dat dan niet meer? Volgens mij zagen we hier het overheersende ego in optima forma. Het ging om haar en niemand anders. Ik zeg: please, een beetje meer elegantie! Ineens begon ik naar Tim Douwsma te verlangen.

‘En ik ging toch haar Instagram bekijken, want ik raakte tegelijkertijd wel zéér geïnteresseerd in Emma Wortelboer. Waar ben ik mee bezig, dacht ik, maar goed. Wat ik daar aantrof: het kán haast niet extraverter. Als ik dan foto’s van haar zie waar ze bijna bloot opstaat, roept dat allerlei vragen bij mij op: is dit delen onwijs assertief of ongelooflijk onzeker? Is het superexhibitionistisch en een beetje triest of juist heel erg feministisch? Wat is dit? En waarom wind ik me hierover zo op? Dat zegt natuurlijk ook van alles over mij.’

Zoekende of gevonden?

‘Een leven lang zoekende, dat kan niet anders. Ik denk alleen dat een groot deel van het zoekende zijn ook acceptatie is; het onderzoeken van je verleden en het omarmen van je ongeluk, op de een of andere manier. Niet ál het ongeluk kun je omarmen, maar je zult je ertoe moeten verhouden. Dat maakt ook dat ik empathisch sta tegenover de mens die zichzelf wil verbeteren, en niet denk: wéér zo’n onuitstaanbaar type dat naar een paardencoach gaat. Er wordt geleden, dáárom gaan we op zoek.’

YES ik ben! (Human), vanaf zondag 9/6 OM 19:25 uur op NPO 2.
1972

Geboren in Hillerød, Denemarken

2002

Promoveert aan de Universiteit Maastricht op Waarom vrouwen van apen houden, na studies literatuurwetenschappen en filosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen

2005

Eerste boek Turkse vlinders

2006-nu

Publiceert columns en artikelen in onder meer NRC Handelsblad en Filosofie Magazine

2010

Eerste reeks van het tv-programma Dus ik ben (Human)

2013

Licht op het Noorden (Human, VPRO), gelijknamig boek over het leven in Scandinavië

2014

Kinderboek Lieve Stine, weet jij het? 20 vragen over het leven (winnaar Zilveren Griffel)

2017

Kinderboek Alles wat ik voel. Het grote emotieboek

2018

Doet mee aan Wie is de Mol? (Avrotros), programma Stine boekt sterren (Human)

2019

Eerste liefde (het essay van De Maand van de Spirituali-teit), programma YES ik ben! (Human)

Stine Jensen

woont in Amsterdam met haar dochter (9).